De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schuldbelijdenis — Schuldvergeving

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schuldbelijdenis — Schuldvergeving

14 minuten leestijd

Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet, ik zeide : ik zal belijdenis doen van mijn overtredingen voor de Heere, en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela. Psalm 32 vers 5.

Welk een diepe en rijke inhoud heeft toch het boek der Psalmen ! Daarin ziet men de gelovigen in het hart. Het is bijna een kleine Bijbel op zichzelf. Vooral de diepe toon van schuldbelijden en zonde-erkenning, die men tevergeefs in enig gezang zal zoeken, is de oorzaak dat de ware gelovigen in tijden van veroordeling des Geestes en aanklaging van consciëntie het eerst gaan zoeken in de psalmen. Daarin vinden zij hun zieletoestand zo uitnemend weergegeven, in welke omstandigheden zij zich ook bevinden. Hetzij ten dode bedroefd in de poel der wanhoop en ongeloof, hetzij hemelhoog juichend op de berg der aanbidding en lofprijzing.

Beide zieletoestanden worden ons bijzonder in deze psalm getekend, en wel in nauw verband, gelijk ze menigmaal vlak bij elkaar in een gedeelte voorkomen. Hij staat in nauw verband met die andere boete-psalmen van David, voornamelijk Psalm 51.

Heel kort samengevat is er hier bij David sprake van : 1.   Verzwegen   schuld; 2.  Beleden  schuld ; 3. Vergeven schuld.  

Het lijkt voor veel mensen schier een onmogelijkheid, dat waarachtige kinderen Gods weer zo diep in de zonde kunnen vallen en zo ver van de Heere afleven.

De wereld kan maar heel niet begrijpen, hoe de Bijbelheiligen — ik denk aan Abram, David en Petrus — toch zulke grove ongerechtigheden kunnen bedrijven ! Men denkt in 't algemeen, dat Gods kinderen op z'n minst als halve heihgen en zondelozen over de wereld moeten gaan en altijd moeten kunnen jubelen in volle zekerheid des geloofs !

Vandaar hun teleurstelling óver en vaak ook hun afkeer ván kerkse- en bekeerde mensen, omdat men er zo dikwijls mee omvalt en er dingen van ziet, die men zeker van hen niet verwacht zou hebben.

Dit is begrijpelijk, maar laten we toch goed bedenken, dat het ménsen blijven, d.w.z. zondaren, van gelijke bewegingen als wij, met een verdorven hart en een verduisterd verstand. De állerheiligsten en verst-gevorderden op het pad der heiligmaking hebben maar een klein beginsel der ware gehoorzaamheid. Ze zijn tot hinken en zinken elk ogenblik gereed. Hoewel ze daarom niet te verontschuldigen zijn, is 't toch hun ervaring van elke dag. Ze beginnen die met de beste voornemens, maar o, wat brengen ze het er soms slecht af! Vooral als de Satan van buiten gemene zaak gaat maken met die vijand van binnen — hun zondige vlees en boze lust —, dan hebben ze o zo gauw het pleit verloren en is hun struikeling gewis. Zo was het David ook gegaan. Welke zonde nu hier in het geding was, zegt hij niet. Dat doet er op zichzelf ook niet toe. Men denkt wel eens aan de zonde van overspel en doodslag met Bathseba en Uria, waarvoor hij pas ongeveer een jaar later — na de komst van de profeet Nathan tot hem — in de schuld komt !

Maar hoe dit ook zij, door die verzwegen schuld voor de Heere wordt het hem zó doodsbenauwd in zijn binnenste, dat hij het tenslotte uitbrult van zonde-nood en zielepijn, terwijl zijn vlees en zijn gezondheid er de schadelijke gevolgen van ondervinden. Zijn levenskracht teerde er onder weg. Hij werd een gebroken man door Gods slaande hand. Want hoe méér en hoe langer hij in het zwijgen volhardde, des te méér ging zijn overdenking spreken, zodat het als een vuur brandde in zijn binnenste.

Zijn verontruste geweten wilde luid gaan spreken, maar zijn hooghartige natuur belemmerde dit zo lang mogelijk. Zijn geopende consciëntie dwong hem tot schuldbelijdenis, doch zijn boze hart en eigenzinnige „ik" wilde niet capituleren om onrecht te erkennen. Zie, dat maakte de strijd zo zwaar ! Het is ook heel wat voor een hoogmoedig mens, zoals hij van nature is, om schuld te bekennen en de minste te zijn ! Zo schildert David hier in deze psalm met aangrijpende bewoordingen zijn bange ziele-toestand. Slapeloze nachten heeft hij doorworsteld. Het ziele-hjden, dat veel zwaarder is dan lichamelijk lijden, takelde zijn lichaam zó af, dat hij zich vergeleek met een stuk land, dat door langdurige droogte van alle vocht is ontdaan. Die zijn zonde bedekt, zal niet voorspoedig zijn, zegt Gods Woord. Wat blijkt hier o.a. ook duidelijk uit, dat vooral Gods volk niet goedkoop zondigt! De Heere geeft hen hun zonde in dubbele mate op hun eigen hoofd weder! De Heere onze God heeft geen lust in onboetvaardigheid, en Hij moet soms krasse maatregelen nemen, om Zijn volk op de knieën te brengen. Gelukkig heeft Hij vele middelen en wegen. Deze onboetvaardigheid betekende bijna een hel voor David, omdat hij ook zulke heel andere tijden had gekend. Hij wist dat de Heere een goeddoend en een gaarne vergevend God was. Dat maakte hier ook de diepte van zijn ellende uit. In een overtuiging van zonde te lopen en te weten, dat de Heere staat te wachten op terugkeer en berouw, gelijk de vader in de gelijkenis van de verloren zoon, en dan tòch nog zo lang verre van Hem te blijven........, zie, dát veroorzaakt hier de zielenood. Het is bij alles vooral zijn eigen schuld ! Maar die plaagt een mens dan doorgaans het allermeest! Hij blijft veel langer in die toestand lopen, dan nodig is. O zeker, daar is een stilzwijgen dat gepast is bij de oordelen Gods, zolang die gingen over Job en Aäron. Dat is een leggen van de hand op de mond, omdat God het deed in Zijn rechtvaardige toorn ! Zo kan er ook een zwijgend berusten zijn in de wil Gods bij alle tegenheden.

Maar door dit doodzwijgen van de zonde werd de smart verzwaard, ja, verdubbeld. Niemand beter dan hij, die dit bij ervaring heeft doorgemaakt, kan beseffen wat een verschrikkelijke toestand dat voor David moet zijn geweest! Kent gij er iets van ? Gelukkig, dat God door Zijn ontdekkende genade ook deze zondaar, die de man naar Gods hart wordt genoemd, tot schuldbesef en schuldbelijden wist te brengen. Toen Hij hem door de overtuiging des HeiÜgen Geestes heeft vertederd en vernederd, en hij aan zijn schadelijke en schuldige eigengerechtigheid werd ontdekt... toen kwam eindelijk de oprechte erkentenis : „Ik heb gezondigd". Ja, tegen U, U alleen heb ik gedaan wat kwaad was in Uw oog. Treed niet in het gericht met Uw knecht. Kastijd mij, Heere, met mate, gelijk een Vader doet. Ik heb het grotelijks verzondigd en nog niet eens willen belijden ! O, Heere, ik ben Uw gramschap nu dubbel waardig ! Zie, nu beleed hij zijn strafwaardigheid en betoonde diep berouw over zijn kwaad. Hij kwam (met een Petrus en de verloren zoon) tot zichzèlf en weende bitterlijk. In de overtuiging van zijn hemelhoge schuld en diepe onwaardigheid vernederde hij zich onder de krachtige hand Gods en boog zich voor Hem in het stof.

Hoezeer David de strafwaardigheid zijner verzwegen zonden gevoeld heeft, blijkt wel uit de  drie  woorden, waarmee hij zijn grote val en ongehoorzaamheid komt uit te drukken. Eerst: „Mijn zonde maakte ik U bekend". Zijn missen van het doel wat God aan zijn leven gesteld heeft. Zijn afwijki ng van de rechte weg van het Woord en het volgen van de kromme wegen van zijn verdorven hart. 't Was een verlaten van de Springader der levende wateren en een uithouwen van gebroken bakken, die geen water houden.

Vervolgens: „Mijn ongerechtigheid bedekte ik niet".

Al zijn ongerechtigheid gevoelt hij als misdaad, voor zijn God. Daarom hier de openlegging van zijn kwaad voor de alziende ogen des Heeren, die hart en nieren doorzoekt en beproeft: „'k Wil mijn misdaan, die U tergen, niet verbergen, ik bedek voor U die niet" en „'k Bekend', o Heer', aan U oprecht mijn zonden, 'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden, maar ik beleed na ernstig overleg mijn boze daân".

's Mensen aard is van nature juist: zijn zonde bedekken, vergoelijken, kleineren en goedpraten. De meeste mensen hebben God niet nodig om hun; ongerechtigheid te vergeven. Zij kunnen dat zèlf wel, naar ze menen. O, dwaze, onwetendheid en domheid ! Maar David stond hierin door Gods ontdekkend licht gelukkig heel anders ! Wat doet gij, mijn lezer, met uw kwaad? Belijdt ge dat alleen in de stilte, of moogt ge er ook mee komen in de eenzaamheid voor God ? Dat is een goede plaats, waar ge zult ondervinden, dat de Heere juist van uit Zijn hoge hemel met welbehagen op u neer ziet als op een Gode welbehagelijke offerande van een verbroken hart, dat , open ligt. Van dezulken zegt Hij: Zie, hij bidt. Zulk een verslagen geest zal Hij geenszins verachten. Want deze ootmoedigen schenkt Hij genade. Hij maakt de verbrijzelde geest levend. De derde uitdrukking, die de Psalmist hier bezigt voor zijn God in het gebed, is de overlegging om :    belijdenis    te doen van zijn   overtredingen   voor de Heere. In dit tweegesprek met eigen ziel komt hij tot de waarachtige overtuiging. Hij vat het plan op om al zijn overtredingen van de wet Gods en het achterwaarts wijken van Hem, het onttrekken van  Zijn genadige heerschappij als  rebellie  tegen Zijn heilige wil te erken nen en open en eerlijk te belijden. Niet allereerst voor de  mensen , maat voor den Heere, tegen Wièn hij dan ook vooral overtreden heeft.   

Wat smart het aan zijn hart, dat hij tegen zulk een goedertieren en genadig God overtreden heeft! Wat maakt die zonde toch een bange scheiding tussen God en zijn ziel, zodat Hij hen dan eerst ook niet hoort, noch verhoort. Doch door zijn aanhoudend smeken vermurwde hij als 't ware — 't zij met eerbied gezegd — het van zondaarsliefde brandende Vaderhart. 't Was in de eerste plaats wel om de vooorbede en pleitrede van de tussentredende Borg, dat hij vanwege zijn zonden in het verderf niet behoefde neder te dalen, omdat er verzoening door Christus' voldoening (in Zijn volbrachte Middelaarswerk), ook voor hèm was aangebracht Die zó met David tot God mag naderen in Geest en in waarheid, zal Hem zeker in Christus als een gaarne vergevend en verzoend Vader mogen ontmoeten.

Zijt ge Hem reeds zo toegevallen in Zijn Goddelijk recht om u zelf vanwege de vloekwaardigheid uwer zonde eeuwig te veroordelen ? Hebt gij dat recht leren billijken en liefkrijgen ? Ja, het Sion Gods zal niet anders dan door recht verlost kunnen worden en de wederkerendeii door Zijn gerechtigheid !

In het rechtsgeding, waarin Hij de zondaar betrekt, wordt alles tot schuld. Ja, zelfs zijn vermeende deugden en gerechtigheden worden daar blinkende zonden, 't Is een wegwerpelijk kleed. Niets houdt hij in en vari zichzelf over. Hij moet ook als een ontdekt en alles missend zoniJaar met God verzoend worden. Zó doet de Heere overblijven een  ellendig  en arm volk, dat op Hem zal betrouwen om Zijns Naams wille. Zij kunnen zelf de schande hunner naaktheid niet meer bedekken, maar God moet ze reinigen in het dierbaar bloed van Christus en bedekken met Zijn Borggerechtigheid in de gestikte klederen des heils. 

Wat een heerlijke ruil! Wat een geze­ gende overname! Wat een goddelijke ontferming ! Zij kunnen er niet bij. 't Is te hoog ! In het offer van Zijn geliefde Zoon ziet Hij geen zonde in Zijn Jacob en geen overtreding in Zijn Israël! Welgelukzalig die mens, wiens overtredingen vergeven, wiens zonden bedekt zijn en wien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent, maar deze Straft aan Zijn eigen Zoon. Hij is het Offerlam, dat de zonde der wereld wegneemt. De zaligheid en de lieflijkheid van deze weldaad Gods in het verbond der genade is zó groot en heerlijk, zó rijk en zó vrij, dat de eeuwigheid er voor nodig zal zijn om de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte er van te doorschouwen en te bewonderen ! Die onnaspeurlijke rijkdom is niet af te malen, noch uit te spreken. Iets daarvan heeft David gesmaakt, toen hij, — in de derde plaats — mocht roemen in onze tekst van deze vergeven schuld: En Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde ! Als de Heere er in Zijn toorn op was blijven zien, en ze aan hem zelf had moeten vergelden, och, dan was hij in zijn druk reeds lang vergaan. Hij moet het later ook eerlijk erkennen : Heere, zo Gij de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan ! Maar bij U is vergeving, opdat gij gevreesd wordt. En Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde..... (Zie ook Heid. Catech. vraag 56). De psalm heeft hierachter een pauze-teken : Sela.

D.w.z. (volgens een goed kenner der Psalmen)  Herhaling  van deze kerntekst. 

Nu, dat is wel nodig ! Men mag het ook als een rustpunt zien. Want als de ziel dit heeft leren kennen, dan komt ze tot rust. Dan houdt het woelen der zonde voor een tijd op en de rust des gemoeds wordt gesmaakt in Christus aan het verzoende hart des Vaders. Dat is al een voorsmaak van de rust, die er overblijft voor het volk van God. Rust, mijn ziel, uw God is Koning ! Rust van de aanvechting en benauwing van Satan. Rust van het woelige en boze hart, waarvan de neigingen en uitgangen wel zeer verontrustend zijn. Rust van het eigen vlees en haar begeerlijkheden. Rust van al die zonden, die zo afmatten en vermoeien.

Wie zo — met David — zijn schuld niet langer  verzwijgt , maar belijdt, dien zal ze ook zekerlijk vergeven worden, en hij za l de innige blijdschap der ziel over zijn vergeven zonde en verzoende schuld ervaren. Ja, hij zal door de Heere met vrolijke gezangen van bevrijding omringd worden. De Heere zal hem een verberging zijn en hem behoeden voor benauwdheid in alle gevaren. Om deze grote zaak, die voor een ieder van ons zo broodnodig en zo dringend noodzakelijk is, zal dan ook een ieder heilige Hem aanbidden in vindenstijd. Hij zal smeken om genade en geen recht, om vergeving en geen vergelding. Deedt gij dit reeds, mijn lezer ? Of hebt ge geen last van uw hemelhoge schuld, waarvoor ge zelf geen kwadrant penning hebt om af te doen ? Och, dat gij deze gaarne vergevende en barmhartige God nog mocht smeken om ogenzalf, opdat gij, die misschien bij uzelf rijk meent te zijn en nergens gebrek aan denkt te hebben, eens ogenzalf ter ontdekking moogt verkrijgen. Dan zult gij niet alleen ontdekken dat ge arm,blind, jammerlijk en naakt zijt en iiets hebt om de schande uwer naaktheid te bedekken, maar dan zal ook de bede oprijzen tot de troon Zijner genade om   zelfkennis  ,  Christuskennis  en Godskennis. De hartelijke b egeerte naar de witte klederen des heils wordt dan geuit. Wat ik u bidden mag : Wil toch niet stug en weerstrevend, als een paard of  een os, u in uw domheid tegen de Heere blijven verzetten, want daar zult ge nooit vrede op verkrijgen. Verhard uw hart toch niet langer, maar laat u leiden door Zijn Woord en Geest.

Die zijn zonde belijdt en laat, zal barmhartigheid ontvangen, en die op de Heere vertrouwt met zijn ganse hart, dien zal Zijn goedertierenheid omringen. Maar de goddeloze heeft vele smarten. En als hij zich blijft verzetten in zijn zondige weg, zal gewis de eeuwige smart en wening zijn deel zijn in de buitenste duisternis ! Het is nóg vindenstijd ! 't Is nog de dag der zaligheid ! Heden dan, zo gij de stemme Gods nog weer hoort, die u nodigt tot wederkeer en vermaant tot geloof : Laat u nog met God verzoenen in Christus. Hij, Die overgeleverd is om onze zonden, is opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Hij, Die geen zonde gekend of gedaan heeft, is zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden : rechtvaardigheid Gods in Hem.

Heerlijk evangeliewoord, voor wie zichzelf als een onrechtvaardig, als een veroordeeld en opstandig zondaar heeft leren kennen en alles in Christus vindt wat hij nodig heeft!

Hij zal de grote vrede en diepe troost in de beleving van onze tekst proberen te vertolken met mond en hart in de woorden van de dichter: (Psalm 103) :

Zo hoog Zijn troon moog' boven d' aarde wezen,
Zo groot is ook voor àllen; die Hem vrezen.
De gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan.
Zo ver het West verwijderd is van 't Oosten,
Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,
Van ons de schuld en zonde weggedaan.

Amen.

J. VAN MALENSTEIN.
Oud-Beijerland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Schuldbelijdenis — Schuldvergeving

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's