De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt

II.

6 minuten leestijd

II.

Wat verstonden de mensen van eertijds onder een domine ? En ook : hoe denken die van vandaag er over, de meelevenden en de niet-meelevenden ?

Stellen wij die vraag aan de kerkgaande wereld, dan komt er dikwijls een wonderproduct voor de dag. Daar zijn er nog heel wat, vooral in plattelandsgemeenten, die bij de oude geijkte kerkelijke gedachte als een soort dogma zijn blijven staan. Dat zijn de mensen van de oude vorm in alles, zonder meer.

De vorm moet gered. De domine is daar nog de man van de zwarte jas met de hoge hoed en van de deftige tred, precies lopend in het hem aangemeten keurslijf. Dat zij en dat blijve zo!

Het ambtscostuum in alles! (Als het dat tenminste is).

Moet hij nu absoluut „het rijwiel op", welnu, dan naar boven ! Maar als het kan : met pandjesjas en hoge hoed. Een kort neuswarmertje tussen de lippen, dat mag !

Neen, dan is er toch nog wel ander, goed gereformeerd volk, dat op dit punt best weet wat het wil. Dat van het „kledingvraagstuk" hunner predikanten geen „Schibboleth" maakt, maar vooral verlangt, dat domine kome met de zuivere prediking naar de Schriften. En dat hij dit mene. Dat dit ook eigen overtuiging werd.

Dat is zulk volk liever dan 't zwarte jasje. Want wat hebben zij aan de costuums, wanneer zij inhouden een prediking van het jaar nul. Overigens is het wel kenmerkend, dat men in vele plattelandsgemeenten bij dominees nog dikwijls denkt aan mensen, die eigenlijk meer bij Johannes de Dooper, dan bij Christus in de leer gingen.

Zij zouden er eigenlijk van willen maken een soort kluizenaars, die min of meer afgezonderd leven en niet weten, wat het is, in het volle leven te staan. Hun lach zij hoogstens een glimlach.

De domine moet zijn, wat zij zelf niet zijn ; maar waarin zij ook geen lust hebben, om dat te wezen : een soort kloosterbroeder. Ik behoef zeker niet te zeggen, dat men met dergelijke figuren al lang vastgelopen is.

Vraagt men nu echter aan het geslacht van heden, wat men onder een domine verstaat, dan komt er een ander uiterste los, waarvan het einde nog zoek is.

Hier zingt men het lied van „verhevenheid", namelijk : „verhevenheid boven al dat achterlijk gedoe; men is 't reeds lang te boven".

Hier vindt gij de fulminering tegen het zwart (en meteen tegen „de kleur") ; „dat dodelijk nare zwart, dat zo afstoot en waar de wereld zo'n hekel aan heeft". Is het misschien, omdat men ook hierin al te zeer aan de antithese herinnerd wordt ?

Hier zou „zwart" dan toch weer haast, ter gen wil en dank, tot eregewaad worden gepromoveerd.

„Liever géen hoed dan een zwarte" ! zo zegt men. „Laat de zon schijnen op uw schedel, harig of kaal, en loop in uw onopvallende colbert vrij en frank door de menigte; desnoods in khakicostuum !

Ga naar de sportvelden en leer, dat de lichamelijke oefening, anders dan in Paulus' dagen, tot veel nut is.

Dat gij daar juist uw kansen krijgt op de jonge mensen, door namens de Kerk mee te spelen en voor te spelen !

Zegen hun vaandels! Zegen de tennisrackets en de voetbalschoenen! Plant de Kerk daarheen over of haal alles naar de Kerk toe!"

Het is nu al weer jaren geleden, dat de Kerk besloot dat een predikant niet tegelijk kamerlid mag wezen. Wanneer de Kerk het    nog moest besluiten, zou zij het doen ? Versta mij wèl: Niet, dat ik het noodzakelijk vind, want voor mij spreekt het vanzelf, dat een predikant geen kamerlid moet wezen. Niemand kan ook hier twe e heren dienen.

Ik geloof niet, dat de Synode daartoe thans zou overgaan.

Of denkt iemand: „wanneer het getij verloopt, moeten de bakens verzet" ?

Ik geloof, dat het hier „bakens" geldt, die nooit of nimmermeer verzet mogen worden, hoezeer ook het wereldgetij verloopt.

Of anders : dat deze spreuk over de aardse zeeën hierop niet toepasselijk is.

Men krijgt de indruk, dat men onder het woordje „domine" meer en meer iets anders verstaat. Thans is het al geloofsartikel, dat een domine politiek en sociaal doorkneed en op de hoogte moet zijn. Dat hij ook hier „geschoold" moet worden.

Dus politieke en sociale domine's ? Neen, dat nu weer niet, maar anders. Wat meer duidelijkheid ware hier wel gewenst.

Het moge waar zijn, dat in politiek en sociaal opzicht veel predikanten nog al eens wat achter pleegden te wezen. Dat ook zij op de hoogte moeten blijven van de dingen, die geschieden, opdat zij hun gemeenteleden in bepaalde omstandigheden advies kunnen verstrekken.

Dat zij ook staatsburgers zijn en maar geen houding mogen aannemen, als gingen hun de wereldse aangelegenheden niet aan ; dit alles neemt niet weg, dat een predikant ook predikant en herder en leraar der gemeente behoort te blijven met hart en ziel. De politiek mag zelfs geen bijvak worden (ook van de Kerk niet), want bijvak wordt zo licht weer hoofdvak. En de ambtsman is dan vakman geworden.

De domine heeft een keuze gedaan bij de aanvaarding van zijn ambt. En dat blijve hem bij, zijn leven door.

Hij vergalloppere zich niet aan liefhebberijen. Het deugt voor hem niet op politiek terrein en evenmin op ander werelds gebied.

Voor een groot deel verstaat het geslacht van heden onder een domine iemand, die met alles mee moet kunnen doen, met behoud van het goede. Die op alles beslag legt in de Naam des Heeren. Dat „in de Naam des Heeren" zegt men dan zachtjes. Want de wereld mag dat niet horen.

Ik dacht anders, dat er heden ten dage ook nog lammeren en schapen waren, die geweid en gehoed moeten worden ; met andere woorden : dat er nog een Gemeente is van kleinen en groten,  die in de eerste plaats  verzorgd moeten worden. En dat ook dit niet kan wachten, geen dag en geen uur. 

Wij lezen toch in de Openbaringen zoiets als : „Wees wakende en versterk het overige, dat sterven zou !"

Wij moeten wel oppassen, dat wij ons ook in dit opzicht door de bevrijdingsroes niet laten meeslepen.

„De Kerk en de domine's moeten opnieuw beginnen", zeggen velen.

Weet men eigenlijk wel, wat men zegt? Zijn er dan geen oude lijnen, geen oude draden meer?

Wat mij betreft, dan houd ik die toch maar liever vast en laat ze mij tot geen prijs doorknippen.

Laat men zich hier niets verbeelden.

Wanneer er hier en daar een kentering schijnt te komen ; wanneer ook verschillende richtingen naar elkaar toegroeien.

Onder de hand is u nti wel gezegd, wat wij onder een domine verstaan en ook wat „men" er onder verstaat.

„ O Vocativus van een dominus!
Dat nooit uw „heerschap" u zijn parten spele.
Maak het voor elk gemeentelid wat knus;
Dat hij zijn toestand voor u niet verhele;
Opdat gij als een goede dominus regeert,
't Serveeren daarbij nimmermeer verleert".

K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's