De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kerkorde en school

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkorde en school

8 minuten leestijd

We zijn met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis der school gegaan en daarbij gekomen tot 1920, het jaar der gelijkstelling. De geschiedenis is daarmede echter niet uit, daarna komt aanvankelijk een periode van dankbaarheid, waarin nog menige christelijke school gesticht wordt. Deze wordt gevolgd door een periode van een zekere matheid en dan komt de tijd der bezetting, waarin men genoodzaakt wordt de verkregen vrijheid in zekere opzichten te verdedigen. Dan komt — zou ik willen zeggen — een periode na de bevrijding, waarin een ongefundeerd illusionisme in sommige kringen hoogtij viert. Mensen, òf onkundig met het verleden, òf niet willende rekenen met de historie, strooien gedachten rond, die spotten met ervaring en historie. Men wil wat anders en beseft veelszins zelf niet de consequenties van hetgeen men debiteert. Ook het terrein der school wordt door deze lieden onder handen genomen. Zij weten het veel beter dan de velen, die op dit terrein gewerkt en gestreden hebben. Zij spreken over de Christelijke school als een noodwoning, zonder dat ze eigenlijk weten te vertellen hoe de definitieve woning er dan wèl zal uitzien, en als ze dit laatste wèl weten te vertellen, dan is de kritiek niet moeilijk.

Een voorbeeld van deze nieuwe koers-mentaliteit is gegeven in de bekende brochure „De handschoen opgenomen". Daarin is opgenomen een artikel uit de intussen ten onder gegane „Nieuwe Nederlander". Daarin worden verschillende bezwaren tegen de Christelijke School, zo oud als de weg naar Kralingen, weer eens opgediept, en tenslotte wordt dan als doelstelling gesteld „Dat wij voor de toekomst zullen moeten streven naar een openbare school, die niet neutraal is (dat wil in feite zeggen ongelovig), maar naar een school, waar kinderen van kerkelijke en niet-kerkelijke ouders samen zitten onder het licht van het Evangelie. Wie iets begrijpt van de revolutionnaire kracht van het Evangelie, begrijpt ook, hoever zulk een ideale school van het merendeel van de bestaande Christelijke Scholen afligt".

Indien deze schrijver zich op de hoogte had gesteld van de historie der Christelijke School dan had hij kunnen ontdekken dat de schoolwet 1806 zijn gedachte enigermate benaderde, maar dat zelfs dit slappe aftreksel van het ideaal, dat hij zich stelt, in de nuchtere werkelijkheid ten onder is moeten gaan. De geschiedenis heeft alreeds een vernietigend oordeel over deze illusies geveld en toch worden ze nog gepropageerd! De schrijvers van de genoemde brochure hadden dan ook geen moeilijke taak om te betogen, dat de R. K. er nimmer in zullen toestemmen, dat hun Scholen van hun Rooms karakter beroofd zullen worden. Evenzeer zullen ook de kerkelijk-Gereformeerden hiervoor passen. Een algemene school met de Bijbel is dan ook onbestaanbaar in de omstandigheden, waarin wij ons bevinden.

De boven beschreven mentaliteit heeft echter ook zijn invloed uitgeoefend op de samenstelling van de kerkorde. Dit behoeft niet te verwonderen, daar deze geest de Ned. Hervormde Kerk na de bevrijding vrijwel beheerste.

Dat er een verband gelegd wordt tussen Kerk en school, zal voor de lezers der voorgaande artikelen een vrijwel vanzelfsprekende zaak zijn. De kerk heeft immers belang bij het godsdienstig onderricht aan de jeugd en immer hebben de scholen daarin een belangrijke rol gespeeld. Het grote bezwaar tegen ordinantie 5 is dan ook, dat er gesproken wordt over de scholen, zonder enig onderscheid te maken tussen de scholen met de Bijbel en de scholen zonder Bijbel. Het is toch vanzelfsprekend, dat de kerk de scholen met de Bijbel zou prefereren, want daar worden de kinderen in de Bijbel onderwezen en streeft men er naar de scholen van de bijbelse geest te doordringen. Dat de kerk dit nog steeds nagelaten heeft, is m. i. te wijten aan bovengenoemde mentaliteit en is een ernstige fout te achten. De Studiecommissie van de Gereformeerde Bond heeft dan ook o.m. voorgesteld een alinea toe te voegen: de ouders te doordringen van hun roeping, hun kinderen te zenden naar de School met de Bijbel. Blijkbaar is dit niet geheel aan de Synode voorbij gegaan; althans de eerste lezing bevat de alinea, die niet in het oorspronkelijke ontwerp stond: de ouders te doordringen van hun verantwoordelijkheid voor het schoolonderricht aan hun kinderen. Klaarblijkelijk heeft de meerderheid der Synode geweigerd zich voor de Christelijke School uit te Spreken. Dit is wel een zeer droeve zaak, dat zij klaarlijk zo weinig het werk der Christelijke School weet te waarderen. Want daar wordt gedaan, wat de taak der kerk zou zijn; er wordt onderricht in de Schrift gegeven en zoveel tijd er aan besteed, meer dan de kerk ooit zou kunnen betalen, om van het personeel maar niet te spreken. Welk een moeite kost het niet om te voorzien in de relatief weinige uurtjes godsdienstonderwijs op de openbare scholen!

Prof. Van Niftrik heeft in een onlangs gehouden rede voor de Hervormde Raad voor Kerk en School deze houding van de Raad trachten te verdedigen. Hij is daarin m. i. weinig geslaagd. Om in zijn stijl te blijven, zou ik kunnen zeggen, dat hij te vuur en te zwaard tracht Kuyperianisme, neo-Calvinisme en fundamentalisme te verdelgen. Dat is zijn goed recht, we leven nu eenmaal in een vrij land en een kerk met een zeer grote mate van leervrijheid, maar niet iedereen behoeft het gelukkig daarmede eens te zijn. Dat verdriet de hooggeleerde, gezien zijn exclamaties, wel eens, maar daar is m.i. nu toch geen reden voor.

Maar terzake.

In deze rede werd gesproken over de fundering van het Christelijk onderwijs. Dat is een theologische zaak, die ik voor mij op dit ogenblik gaarne aan de theologen overlaat.

Maar hierop behoeft het geven van Christelijk onderwijs niet te wachten?

Zegt de Hervormde Kerk ook: wij weten nog niet precies wat we belijden, daar zijn we het nog niet over eens; we spreken er ons daarom ook maar niet over uit of de leden onzer kerk bij ons dienen te blijven of wellicht beter tot een andere kerk kunnen overgaan. Deze verdediging van prof. Van Niftrik acht ik dan ook ten enenmale onvoldoende. Het gaat er niet om of de Christelijke School volmaakt is, of dat er veel fouten aan haar werk kleven; dit laatste zal zeker het geval zijn, maar op de Christelijke School wordt Bijbels onderwijs gegeven en de jeugd moet dat ontvangen, dus dient de kerk dit Bijbels onderwijs aan te bevelen, zij het met alle bezwaren en tekortkomingen.

Voorts heb ik als groot bezwaar tegen deze rede, dat de spreker zonder meer spreekt van de Christelijke School. Men krijgt de indruk alsof er in ons land alleen maar van die vreselijke Kuyperiaanse scholen bestaan! Dat kunnen we m.i. toch wel beter weten. Er zijn velerlei schakeringen van Christelijke Scholen, al naar de richting der besturen en der onderwijzers. Het gaat m. i. helemaal niet aan, om al deze scholen maar over één kam te scheren. We zijn toch geen vreemdeling in Jeruzalem? We moeten toch niet alleen maar met de stier naar de rode lap kijken?

Voorts heb ik als groot bezwaar, dat de kritiek gericht is ook op de reformatorische elementen, die het Kuyperianisme bevat. Als ik het pregnant mag zeggen, met het risico de toorn des hooggeleerden op me te laden, hij wil een Christelijke School, waarin zijn dogmatische denkbeelden aanvaard worden, waarin mede van Barth wordt uitgegaan. En om het beknopt te zeggen: daar bedank ik, en vele anderen met mij, die nog overtuigd zijn, dat de drie formulieren overeenkomstig de Heilige Schrift zijn, stichtelijk voor.

En als ik dan weer bedenk, dat we dus moeten wachten op een uitspraak der kerk, tot we het over deze dingen eens zijn geworden en alle Christelijke Scholen de Kuyperiaanse zuurdesem hebben uitgezuiverd, want daar komt deze rede toch in feite op neer, dan behoeven we in deze situatie weinig hoop te koesteren, dat de kerk haar roeping om zich uit te spreken voor de Christelijke School, zal verstaan.

Wie de geschiedenis heeft gelezen der school weet echter, dat men eenvoudig is begonnen de scholen op te richten, mede om de kinderen in de allereerste beginselen: de artikelen des geloofs, de tien geboden, het gebed des Heeren enz., te onderwijzen. Of dit nodig is, daar hebben we geen lange theologische beschouwingen voor nodig, dat is eenvoudig eis van de Schrift. Dit Bijbels onderwijs dient de Synode m.i. aan te bevelen. Ik vind het natuurlijk uitstekend, dat men zich wil bezinnen op de christelijkheid van het Christelijk Onderwijs, indien dit tenminste inderdaad geschiedt op Bijbels verantwoorde wijze; maar daarop kan het geven van het Christelijk Onderwijs niet wachten. Ik begrijp niet, dat juist de mensen, die de woorden „hier en nu" zo gaarne in de mond nemen, dit niet verstaan. „Hier en nu" moet er Bijbels onderwijs gegeven worden en de kerk behoort zich daarvoor uit te spreken!

Capelle (N.B.)
D. SCHOUTEN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kerkorde en school

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's