Koninkrijk der hemelen
„En heeft ons mede gezet in de hemel in Christus Jezus". Efeze 2 vs. 6.
Iedere eeuw heeft zijn stromingen en gestalten in het algemeen, zijn profeten en dwalingen ook op Christelijk terrein. De hervorming streed in haar eeuw voor de rechtvaardiging om niet, door het geloof alleen; de zestiende eeuw vertoont een felle strijd om leer en leven beide hervormd te zien. En na grote verslapping en afval herleeft de strijd om de heiligmaking in de vorige eeuw tussen Kohlbrugge als eenling en de geest des tijds, die naar menselijke vroomheid vroeg.
Zo ook in onze eeuw dezelfde strijd, maar vanuit een andere hoek. Greep Kohlbrugge terug op de Hervormde leer, de nieuwe theologie wil dat ook en zegt het te doen, in navolging van Barth als de vernieuwer der reformatie. Eén punt in het bijzonder van die vernieuwing der reformatie vraagt kort onze aandacht, namelijk de leer van het koninkrijk Gods. „Welbewust hebben wij in de prediking van het Koninkrijk Gods het uitgangspunt voor dit leerboek gezocht", heet het immers in „Ter inleiding" van „Fundamenten en Perspectieven van Belijden".
Als uitgangspunt van prediking en belijdenis kan de leer van het koninkrijk Gods niet verkeerd zijn. De Heiland zelf is, na Johannes de Doper, met deze prediking gekomen: „Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen", Matth. 4 vs. 17, verg. 3 vs. 2. Begint de Nederlandse Geloofsbelijdenis met de vraag naar God en de Heidelbergse Catechismus met de vraag naar onze troost, dan mag onze huidige belijdenis zeker ook in aansluiting aan de Heilige Schrift met de vraag naar Gods koninkrijk beginnen en dat koninkrijk tot kern van de belijdenis maken.
Echter is deze vernieuwing der reformatorische theologie niet zo onschuldig als ze lijkt. Vanwaar deze hang naar Gods koninkrijk als uitgangspunt en kern van prediking en belijdenis, dat propageren van de leus „Jezus is Heer" voor de reformatie der Hervormde Kerk? Dat blijkt al ras bij aandachtige beschouwing o.m. van bedoeld geschrift: „Fundamenten en Perspectieven". Er blijkt een dwaling te worden voorgestaan, en wel die van gelijkstelling, min of meer, van de wereld en Gods koninkrijk, van deze en de nieuwe wereld die komt.
Het blijkt al uit de leuze „Jezus is Heer". Wel heeft de Heiland dat zelf gezegd: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde", en wel is Hij de koning der wereld en een „Heere van alles", maar op welke wijze is Hij dat? Verschillend voor de wereld en verschillend voor de kerk; Hij is het anders voor de koninkrijken der wereld en anders voor Zijn hemels koninkrijk. Niet op gelijke wijze, niet met gelijk doel en niet met gelijke afloop is Hij Heere der wereld. Overste van de koningen der aarde, en Heere der gemeente, Koning, van Zijn kerk! Want Hij is zó Heere der gemeente, dat Hij haar „met Zijn macht tegen alle vijanden „beschut en bewaart", maar ook dat Hij „al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen" zal, wanneer Hij „mij met alle uitverkorenen tot zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal", Heid. Catech. Zondag 19.
Vervolgens blijkt het uit de plaats, die de wereld in Gods heilsplan inneemt, volgens de opvatting van „Fundamenten en Perspectieven". Daar wordt in gesproken van „Gods genadige bedoeling met deze wereld", van een „bevrijdende greep naar een schuldige en verloren wereld", van een „nieuw Hoofd der mensheid", Jezus Christus (4); van „Gods bedoeling met de ganse aarde" (3). Volgens deze voorstelling is „God, de Vader van Jezus Christus........ Schepper, Redder en Onderhouder" van deze wereld, „en zo eeuwiglijk haar Koning" (1) De opstanding van Christus heet „het bewijs, dat God niet de verwerping, maar de verhoging van de mens, niet de ondergang, maar de vernieuwing der wereld bedoelt en bewerkt" (8). „Ingelijfd in Christus, die de wereld liefheeft, heeft zij (de gemeente) om Christus' wil de wereld lief" (13), zodat „het onderscheid tussen Kerk en wereld wegvalt", wanneer eenmaal de nieuwe wereld en de nieuwe mensheid", waarvan de Kerk „voorteken en heraut" is, gekomen zal zijn. Immers, „God wil deze wereld herscheppen tot zijn Koninkrijk", 16!
De Heilige Schrift leert ons Gods koninkrijk zo niet. Zij leert dat de wereld „in het boze ligt" en wij „uit deze tegenwoordige boze wereld getrokken" moeten worden. Gal. 1 vs. 4. Dat God „alzo lief de wereld gehad heeft, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe". Joh. 3 vs. 16. Niet dus leert zij, dat God deze wereld liefgehad heeft en met haar een genadige bedoeling zou hebben; dat eenmaal wereld en koninkrijk Gods zouden samenvallen.
Deze beschouwing van het koninkrijk Gods maakt los van de hemel, doet geen recht ook aan de Schrift, die zegt „heeft ons mede gezet in de hemel in Christus Jezus" en „uw wandel zij in de hemelen". Daarom kan prof. Van Niftrik in zijn Radio-toespraak op Hemelvaartsdag (Weekblad „de Geref. Kerk" van 25 Mei l.l.), heidense dichtkunst verheerlijken en zich „zó levende, zó biddende........ reeds op aarde hemels" gevoelen, „de aarde en het vlees trouw", alsof het koninkrijk Gods niet het koninkrijk der hemelen was, instede van een koninkrijk der aarde, van deze wereld. „Mijn koninkrijk is niet van deze wereld".
Wij geloven in een koninkrijk der hemelen. Dat koninkrijk begint met de hemel, want dat is immers de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om onzentwil arm werd en zijn heerlijke hemel verliet. Het brengt de hemel op aarde, niet om deze aarde hemels te maken, doch om „nieuwe hemelen en een nieuwe aarde" te scheppen, waar gerechtigheid — het recht van het koninkrijk — in woont. Het wordt gesticht in de wereld, doch om er los van te zijn en er uit bevrijd te worden. En het koninkrijk eindigt weer in de hemel, Jezus achterna, die ten hemel is gevaren, waar Hij ons pand is en ons tot zich zal nemen.
Zo hebben de heiligen van ouds geleefd. Abraham bijvoorbeeld, die ons in Hebr. 11 als de pelgrim bij uitnemendheid naar de hemelstad genoemd wordt. Jakob heeft zo geleefd: „op Uw zaligheid wacht ik, Heere" zei hij, toen hij uit deze wereld werd weggenomen. Asaf spreekt zo in Psalm 73: „wien heb ik (nevens U) in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde". Job's verwachting was niet anders, 19 vs. 25, 26, waarbij hij niet aan dit aardse leven gedacht en gehecht heeft.
Niet anders is het met ons gesteld: ook die nu geloven tot behoudenis der ziel, hebben hun schat in de hemel: „Waar uw schat is, zal uw hart zijn". Het begint voor ons ook met de hemel, waar wij door geloof in Jezus Christus in gezet zijn, voor zover wij dat geloof door genade hebben ontvangen; en wij verlangen met Paulus naar de hemel, „waar Christus is, want ontbonden te zijn en met Christus te wezen is zeer verre het beste".
Toch bidden wij ook „Uw koninkrijk kome" uit tweeërlei ander oogpunt. Eerst begeren wij de komst van dat koninkrijk in de harten en levens der mensen, opdat „de gehele wereld van Gods heerlijkheid vervuld mag worden" zover God in zijn heilige Raad heeft bepaald; en dan begeren wij die komst, omdat God beloofd heeft dat „de aarde vol van kennis des Heeren" zal zijn „gelijk de wateren de bodem der zee bedekken", Jes. 11 vs. 9. Maar deze beide zijden van onze bede vinden toch pas zo vervulling, wanneer „hart en oog zich verheffen tot God omhoog" en niet blijven hangen aan deze aarde, omdat „hier het land der rust niet is, dewijl het verontreinigd is".
Het is dan goed, dat ook wij meer dan voorheen het koninkrijk Gods en zijn komst in het oog vatten, mede om de nood en betekenis der tijden, waar wij in leven. Er gebeuren en gaan zulke ernstige en belangrijke dingen gebeuren, dat wij ons zeker wel het woord van de Heiland mogen aantrekken: „het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de tekenen der tijden niet onderscheiden?" De profetische rede van onze Heere Jezus en de Openbaring van Johannes behoren mede tot de „Schrift, die van God is ingegeven en nuttig is tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is" 2 Tim. 3 vs. 16.
Maar de grote vraag is en blijft, waarheen de leer van het koninkrijk Gods ons in hart en leven brengt: indien bij deze wereld en haar begeerlijkheid, om in natuurlijke barmhartigheid genade en vrede voor haar te begeren zoals de „nieuwe koers" wil, zijn wij er het spoor mee bijster en komen wij met de boze wereld om; indien wij echter met onze „wandel in de hemelen" gekomen zijn, „waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten", Fil. 3: 20 dan is het koninkrijk Gods voor ons waarlijk een „koninkrijk der hemelen" en niet van deze wereld geworden en zullen wij, evenals des Heeren discipelen, „alles verlaten en Hem volgen" om zo eenmaal door genade de toekomende eeuw, de nieuwe hemelen en nieuwe aarde te beërven, waar gerechtigheid woont. Want die moet er zijn, en woont in deze wereld niet.
Het gaat om leer en leven samen, ook nu!
Minnertsga, Aug. 1950.
G. TAVERNE.
P.S. Ds. G. Taverne blijft uit de aard der zaak verantwoordelijk voor dit artikel. Er blijkt echter uit, dat wij niet de enigen zijn, die menen, dat de voorstelling van het Godsrijk in „Fundamenten en Perspectieven" geen recht doet aan de leer der Schrift. Het onderwerp is overigens ernstig genoeg om nadere beschouwing te vragen.
(Red.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's