Over „Fundamenten en perspectieven”
I.
Dr. Emmen, de Scriba der Synode, schreef in het Weekblad van de Ned. Hervormde Kerk van 22 October 1949, nadat hij had megedeeld hoe de voorlopig vastgestelde Kerkorde was tot stand gekomen, o.m.: „Het woord is nu aan de Kerk in haar geheel. Het zal een veelomvattend werk worden voor onze kerkeraden en predikanten. Laten zij niet ophouden met het geven van duidelijke adviezen, critiek en verbeteringen, want in onze Protestantse Kerk dragen allen, ambtsdragers en gemeenteleden, hun verantwoordelijkheid voor het geheel".
Evenals in het begeleidend schrijven van de Generale Synode der Ned. Hervormde Kerk aan de Kerkeraden en Classicale Vergaderingen, bij het leerboekje „Fundamenten en Perspectieven van belijden", hetwelk vastgesteld werd in de zitting van de Generale Synode van 21 Mei 1949, wordt hiermee de Kerk in al haar geledingen opgeroepen een duidelijk antwoord te doen horen op de vraag of zij met de Synode van oordeel is, dat de Waarheid Gods in het genoemde leerboekje vertolkt en beleden wordt.
Zelfs al zou deze oproep niet zo nadrukkelijk zijn gedaan, zouden alle leden der kerk toch wel moeten beseffen, dat God van hen eist, dat zij zich terdege met deze kwestie bezig houden. De kwestie van belijden en kerkorde moge helaas voor het gros der gemeenteleden dan wel een al te diepzinnige zijn, evenwel kan en mag men van de predikanten, kerkeraden en classicale vergaderingen verwachten, dat zij zich er terdege op beraden en overeenkomstig de wens der Synode haar een duidelijk antwoord doen horen, waartoe zij ook door de leden kunnen worden aangespoord.
Wie nu met mij het genoemde leerboekje heeft doorgelezen, zal tot de conclusie gekomen zijn, dat met name voor de Gereformeerde belijders onzer kerk hier een roeping ligt, om hun oordeel uit te spreken en een getuigenis te doen horen, waarin duidelijk gezegd wordt, dat de Waarheid Gods in dit leerboekje niet vertolkt en beleden wordt.
Zij zouden wel (en terecht) zich eenvoudig kunnen beroepen op de belijdenisgeschriften onzer Ned. Hervormde Kerk, maar daarmede hebben zij zich in dit stadium tegenover de kerk, waarin zovele eenvoudige leden zijn, niet van hun plicht gekweten.
Dat het beroep op de Drie formulieren van Enigheid uiteindelijk het laatste plechtanker moet zijn voor allen, die haar erkennen als op Gods Woord gegrond en als de enige voorwaarde of het accoord voor kerkgemeenschap, staat voor ieder vast, die in overeenstemming met de Vaderen wil belijden.
Thans komt het er op aan, dat een oordeel wordt gegeven over het eerder genoemde leerboekje „Fundamenten en Perspectieven" en 't is de grote vraag, of door de Gereformeerde belijders wel voldoende beseft wordt, wat er van de Ned. Hervormde Kerk terecht zal komen, als volgens de wens der Synode, der Commissie van Ontwerp en der Subcommissie voor dit leerboekje, de daarin vervatte belijdenis zal worden aanvaard als richtsnoer voor het nieuwe belijden.
Om te beseffen in welk een onhoudbare positie de rechtzinnige belijders onzer kerk, zowel van Confessionele als van Gereformeerde richting, dan zullen geraken, is het in de eerste plaats volstrekt nodig dat men met de historie onzer kerk op de hoogte is. Dan immers zal het duidelijk zijn, op welk niveau wij van lieverlede zijn aangeland.
Hier ligt nu een taak voor de Herv. Geref. Mannenverenigingen.
Voor velen is de gang van zaken thans verbijsterend en met schrik wordt geconstateerd, dat er als het ware een proces van overrompeling gaande is, terwijl dit proces toch al loopt vanaf 1619, nadat de belijdenis der kerk was vastgesteld in de Nationale Synode te Dordrecht. Deze belijdenis moest worden ondertekend door allen, die het leerambt in de kerk wensten te bedienen.
De „geest- en hoofdzaakformule" is pas later uitgevonden, toen onder het Synodaal bestuur van 1816 de belijdenisgeschriften (de Drie formulieren van Enigheid) op non-actief waren gesteld. Het is opmerkelijk, dat het verval der kerk tengevolge van de valse leer op sommige kansels, reeds in de 17de eeuw zichtbaar was. Daarna werd het steeds erger, zodat de strijd om de reformatorische beginselen in de 18e eeuw zeer fel gevoerd werd. De aan de remonstrantse beginselen verwante leer vond in Academie en kerk verschillende voorname voorstanders, zoals Jac. Alting, Roël, Becker, Vlak, v. d. Os en anderen, die in mannen als Comrie, Holtius, Brahé, Fruitier enz., hun bekwame tegenstanders vonden.
Nog erger werd de strijd, toen de principes van Cartesius en Spinoza in de tweede helft der 18e eeuw op de theologie werden toegepast.
In de 19e eeuw (1816) werd de kerk onder curatele gesteld door Koning Willem I, wie het aan de wijsheid van de Vader des Vaderlands, Prins Willem I, ontbrak en aan de verbondenheid aan de beginselen waarop de Unie van Utrecht was gebouwd.
Inplaats van de rechten der kerk te doen handhaven volgens de toen nog fungerende kerkorde en confessie, stelde hij haar onder een door hem zelf gekozen Synodaal bestuur, waardoor men geen levende, maar een dode eenheid verkreeg, waarin altijd ontbindende krachten werkzaam zijn. De geschiedenis heeft geleerd, hoe noodlottig dit zou worden voor land en volk.
In de eerste helft der 19e eeuw is door de mannen van het Reveil wel enige actie gevoerd om de kluisters der synodale organisatie te verbreken, doch de machthebbers wisten dit gevaar te bezweren door altijd maar te zorgen, dat de gemeenten in rust bleven. „Rust, mijne heren, rust", dit was het parool en tevens de beste gelegenheid voort te gaan met 't zaaien van onkruid. Was er eens iemand als b.v. Da Costa, die zijn „bezwaren tegen de geest der eeuw" in het licht gaf, dan was men ontsteld, niet over de diepgezonken toestand van land en volk, maar over zoveel brutaliteit om de rust te durven verstoren door een vernietigende critiek op alles wat met die zogenaamde vrijheid en verlichting in verband stond. Het ging in de grond der zaak om niets anders dan of de heerschappij der menselijke rede, óf die van het Woord Gods op alle terrein des levens in land en kerk zou domineren.
Was er onder de predikanten een Hendrik de Cock of Ledeboer, dan werd zulk een „man van de nachtschuit" met zijn gehele aanhang als een scheurmaker door gevangenisstraf, boeten en inkwartiering aan het verstand gebracht, dat hij in dat verlichte gezelschap niet thuis hoorde........
Bekwame, Godvrezende mannen, die voor het recht der kerk opkwamen, op grond van haar Confessie, zoals ds. B. Moorrees, Baron van Asch van Wijk, Baron van Zuylen van Nijevelt en anderen, protesteerden, waarschuwden en zonden verzoekschriften tot de Koning, doch alles tevergeefs. De afscheidingen van 1834 en, 1886 zijn daardoor te waarderen als onbetaalde rekeningen der Ned. Hervormde Kerk.
En thans zal de twintigste eeuw de kroon zetten op het werk der tolerantie. Door de zondeval is de mensheid in een crisis geworpen, zodat haar geschiedenis een aaneenschakeling is van op- en ondergang van geslachten en volken, naarmate zij leefden en geregeerd werd en volgens de regel van Gods openbaring of bij het „licht" van de menselijke rede, die niet alleen verduisterd is, maar ook vijandig is tegen Gods geopenbaarde Wil.
Niemand zal ontkennen, dat thans ons volk met geheel ons werelddeel onderworpen is aan een proces van decadentie, hetwelk reeds zulke vormen heeft aangenomen, dat voor de gehele ondergang van onze christelijke cultuur moet worden gevreesd.
Het is te begrijpen, dat de leidslieden der kerk beseffen, dat zij hier niet lijdelijk mogen toezien; maar dat zij de kerk willen herstellen op de fundamenten der menselijke wijsheid en menen het proces der verwording een halt te kunnen gebieden, indien men kan komen tot een tastbare eenheid in belijden, dàt is verblinding!
Het gaat in de worsteling der geesten om het bestáán van onze kerk en van ons volk tevens, want deze beide zijn zeer nauw met elkander verbonden. De geschiedenis van land en kerk na de reformatie is daar om dat te bewijzen.
Als de Synode van meetaf de Confessie aan de kant zet en geen rekening wenst te houden met degenen, die daaraan vasthouden als accoord van kerkgemeenschap en van uitdrukking van het geloof en leven der kerk, dan behoeft het geen betoog dat de Synode met de leden der Commissie en der Subcommissie niet het belang der kerk, maar de heerschappij der tolerantie bedoelt. Wij zeggen hier de dingen eerlijk, zoals wij ze zien van Schriftuurlijk, confessioneel en historisch standpunt, zonder daarmee personen te willen treffen.
Wij vragen: waarom hebben wij een andere Confessie nodig, als wij in gemeenschap met de Vaderen willen belijden? De door de Synode aangevoerde argumenten kunnen geen Gereformeerde of Confessionele belijder onzer kerk overtuigen en wij beweren ten stelligste met wijlen prof. dr. G. Bonnet, „dat onze formulieren kannen verbeterd worden ten aanzien van de taal, spreekwijzen, schikking van woorden en zaken; hier en daar ook ten aanzien van de bijgebrachte bewijzen. Maar wij ontkennen dat hervorming en verbetering in deze nodig zij. Wij beweren integendeel, dat in de tegenwoordige gesteldheid van zaken uit het ondernemen van zulk een hervorming en verbetering, ongelijk meer nadeel dan voordeel zou te wachten zijn". (Uit: Kerkelijke verdraagzaamheid", Utrecht 1770).
En wat zeggen de Acta der Nationale Synode te Dordrecht, 146e zitting, 30 April 1619, daarvan? Alle leden verklaarden eenstemmiglijk: „dat in de Confessie geen leerstuk begrepen was, 't welke met de waarheid in de H. Schriften uitgedrukt, was strijdende. Integendeel, zij vonden dezelve in alles met de waarheid en met de Confessie van andere Gereformeerde Kerken te accorderen". De buitenlandse Godgeleerden hebben hierop de Nederlandse broederlijk vermaand „om bij deze godzalige en eenvoudige Confessie des geloofs standvastelijk te willen volharden, dezelve aan de nakomelingen onvervalscht na te laten en tot de toekomst onzes Heeren Jezu Christi onvervalscht te bewaren". „De inlandsche na de uitheemsche over hunne minnelijke samenstemming in deze bedankt te hebben," verklaarden eendrachtelijk dat hun voornemen was, om bij de professie dezer Rechtzinnige Leere standvastelijk te willen volharden en dezelve in deze Nederlandsche Provinciën zuiverlijk te leeren, naarstelijk voor te staan en voorts onvervalscht door de Genade Gods te bewaren".
Ons dunkt, zij zouden evenals wij verklaren, dat de thans samengestelde „Fundamenten en Perspectieven" de neerslag zijn van het wijsgerig denken, van prof. dr. Karl Barth, waardoor het der Commissie gelukt is, een systeem van godsdienstig belijden te ontwerpen, waarbij des mensen eigen ik op de troon kan blijven, Christus een halve Zaligmaker is en de Heilige Geest en Zijn werk overbodig.
Niemand toch kan geloven in Jezus Christus of Hem gehoorzamen, of God in Christus dienen, dan door de Heilige Geest. Indien de bedeling van Hem en de mededeling aan de zielen der mensen ophoudt, houdt ook op alle geloof in Christus en alle christengodsdienst.
Om niet te veel plaatsruimte te vergen, zullen wij nu trachten zo beknopt mogelijk aan te tonen, dat de verschillende artikelen van het bovengenoemde leerboekje vierkant in strijd zijn met, de H. Schrift en met onze Confessie.
H.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's