De Puritein van de Hertenpolder
66
XV. HET ZOMERSE WERK.
Janus Veldstroo kan van alles. Weet zichzelf bizonder licht te redden. Maar er is één karwei, waar hij het land aan heeft en waarin hij dan ook zwak moet geheten worden. En dat is in het scheren van zijn baard. Daarom maakt hij tweemaal per week een ritje naar het dorp en brengt hij de barbier zijn bezoek.
Het huis van de barbier staat op een hoek van de Noorderweg, die uitloopt op de Dorpstraat.
Janus is wat laat. Hij zit in de voorbereiding van het drukke hooiseizoen. Al lang heeft hij er over gedacht het hooigras met de zeis te maaien. In zijn soort houdt hij er niet van altijd de hulp van de buurt in te roepen voor zijn bizondere werkzaamheden. Voor tante Ger, als de weduwvrouw, was dat wat anders, maar hij kan zichzelf wel redden. Daarom denkt hij de hulp van Altena niets nodig te hebben. Als nu Aldert helpt maaien en nog een daggelder uit de streek, dan lijkt hem dat beter.
Daarbij maait de zeis korter dan de machine en ook groeit het jonge gras spoediger weer uit. Hij zal bij de barbier eens neuzen.
De scheerwinkel zit vol. Een blauwe rookwolk komt maar buiten als een klant de zaak verlaat.
— Laat de deur maar open, Veldstroo — zegt de barbier, als Janus binnenkomt. Veldstroo!
De bezoekers kijken elkaar aan. Dat is die boer uit 't Gelderse, die beter Janus Spelbreker kon geheten worden. Hoe vaak gebeurde 't niet dat hij aandachtig al maar zat te luisteren naar de drukke gesprekken van de Ringelbergers, en dan opeens er tussen viel met zijn nuchtere en ook verstandige opmerkingen, zodat de conclusies, die waren getrokken, als nutteloze en tegenstrijdige dingen uit elkander vielen.
Daarom werd het wel eens plotseling stil, als hij binnen kwam en sprak iiemand meer een woord.
Maar vanavond is het anders. Giesberg, uit de manufacturenwinikel, een dik, vet mannetje, legt het er op toe, de man van Mia Wiedeling eens in de verlegenheid te brengen.
Alsof hij zeer belangstellend is, zegt hij: Veldstroo, kom, zit hier!
Bescheiden schuift hij wat opzij.
— Ik heb zo vaak gedacht — vervolgt hij — waar komt die Veldstroo toch vandaan?
— Waor ik vandaon kom, meen je? Da kan 'k je gauw vurtelle; ik kom van 't pappegaoijelaand, lacht Janus.
— Papegaaienland!
— Precies, Giesbarg. En weet je wasse je daor lere?
— Nee! Hoe bedoel je?
— Daor lere ze je praoten. Ai-je mekaor daor tege kumt en je moch us soms niks zegge, dan wete ze je dat wel te vurtelle.
De barbier houdt op met scheren. Hij schudt van 't lachen, zo komiek als Veldstroo 't zit te vertellen, en houdt het scheermes op een afstand.
— Maar Giesberg, niet van gisteren, zal Veldstroo op de kast zetten.
— En, Veldstroo, begint hij, wat ligt er voor een land achter 't papegaaienland?
— Achter 't pappegaoielaand leit gien laand meer, daor is 't allegaor dichtgeplakt mit kraantepapier.
De manufacturier geeft 't op, als Janus hem ingehouden zit uit te lachen.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's