De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Over „Fundamenten en perspectieven”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over „Fundamenten en perspectieven”

II

10 minuten leestijd

II.

(Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie).

In Art. 1 van onze Ned. Geloofsbelijdenis wordt op schriftuurlijk verantwoorde wijze door de Kerk het geloof beleden in een Goddelijk Wezen, dat de volheerlijke en algenoegzame is in Zichzelve, zonder enig creatuurlijk verschijnsel, maar het „nieuwe belijden" kent in art. 1 God alleen in verband gedacht met de kosmos en geeft evenals in de volgende artikelen, hierin zulk een blijk van speculatief denken, dat de omschrijving van het onderwerp de eenvoudige gemeenteleden wel moet doen duizelen. Van de goddelijke eigenschappen, deugden en volmaaktheden, weet dit artikel niet en het blijft nu de grote vraag, of God wel kan bestaan zonder Zijn schepping. In elk geval opent men hiermee de deur voor alle vormen van Pantheïsme.

„God, onze Koning" staat er, jawel, maar in art. 2 staat, dat onze zonde is o.m. „onszelf en andere geschapen machten tot koning te verheffen". Uit de verdere omschrijving blijkt dan, dat de mensheid in haar geheel leeft in rebellie tegen 'haar Koning. Dat is dus wel in sterk contrast met wat in art. 1 beleden is.

Bovendien zegt dit art. 1, dat de wereld toebehoort aan God, de Vader van Jezus Christus, enz., terwijl naar de analogie der H. Schrift moet worden geleerd, dat God-Drieënig de Eigenaar daarvan is. (Zie: Owen, Over den H. Geest, hfdst. 2 en Voetius, Catech. Zondag IX).

Waar in art. 2 over de rebellie der mensheid tegen haar Koning gesproken wordt, wordt verzwegen hoe men tot zulk een boosheid gekomen is, n.l. door de val en ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders in het Paradijs. Dit zegt men slechts terloops in de toelichting op dit artikel. Daarmede wordt tegelijk de erfschuld geloochend en de toerekening van Adams eerste overtreding en wordt de mens alleen voor God schuldig door zijn dadelijke zonden. Alle vervreemding en haat der mensen onderling, het leed en de dood, die de mensen ondergaan, komen daaruit voort. En dat heet nu „te belijden in gemeenschap met de Vaderen"!

Die toelichting op art. 2 is waarlijk interessant. Daar zegt men heel gewoon: „tegelijk is in de zin „wij zijn onmachtig....." gezegd, dat er geen natuurlijke Godskennis bestaat". Wat men daar nog meer bijvoegt, noemen de Heren allemaal „practisch" enz., en zij besluiten deze alinea met de woorden: „Door het zo te zeggen, menen wij op eenvoudige wijze aan de strekking van Rom. 1-3 recht te doen". Dit noemen wij echter geen „recht doen", maar de Apostel Paulus in die hoofdstukken vierkant tegenspreken, alsook in Hand. 17, waar hij zijn rede houdt tot de wijsgeren van Athene. Dat is eigenlijk de H. Geest tegenspreken, zowel door de Synode van Barmen (1934), in die toelichting aangehaald, als door de nieuwe belijders.

In de hitte van de strijd heeft Calvijn wel eens onvriendelijke woorden gebezigd aan 't adres van zijn tegenstanders, zoals: dat de ezels hun oren nu eens goed open moeten doen, enz., maar deze Zeergeleerde en Weleerwaarde Heren maken het veel erger. Zij houden alle leden en leraars der Hervormde Kerk voor idioten, behalve dan hun eigen geestverwanten.

In Art. 3 schuift men tussen de val in het Paradijs en de volheid des tijds „de verkiezing van Israël": Dat de Heere naar Zijn vrijmachtig welbehagen uit het gevallen menselijk geslacht zich een Gemeente ten eeuwigen leven verkoren heeft en dat de Zoon Gods van het begin der wereld deze door Zijn Woord en Geest vergadert, beschermt en onderhoudt, volgens het antwoord op de vraag 54 van de Heidelb. Catechismus, ligt blijkbaar geheel buiten de gedachtensfeer dezer nieuwe belijders.

Dat de Algemene Christelijke Kerk door God bewaard of staande gehouden is tegen het woeden der gehele wereld (niet alleen van de ongelovige, maar ook van de bijgelovige wereld) volgens Art. 27 van de Ned. Geloofsbelijdenis, dat kan voor de nieuwe belijders niet dienen, omdat men van een Schriftuurlijk belijden der verkiezing afkerig is en er liever een surrogaat voor in de plaats stelt.

Al zegt de Schrift duidelijk, dat in het volk Israël een vleselijk en een geestelijk Israël was; dat uit het voorbeeld van Izak en Ismaël, Jacob en Ezau, door de Apostel Paulus in Gal. 4 en Rom. 1 bewezen wordt de genadige verkiezing Gods uit de kinderen der Aartsvaders, het ligt tegen ons natuurlijk, Gode vijandig bestaan (zoals ook door de Synode en de Commissies zelf in het vorig art. gezegd is) en daarom mag het niet beleden worden. Het past trouwens ook helemaal niet in het raam van deze „Fundamenten en perspectieven".

Als wij deze drie genoemde artikelen nu eens overzien, komen wij dan niet tot de conclusie, dat, tot hiertoe, deze belijdenis nog een zeer Oud-Testamentische geest ademt, afgezien natuurlijk van de geheel averechtse beschrijving van het geloof en belijden van de Kerk aller eeuwen. God openbaarde Zichzelf van de grondvesting der wereld af voornamelijk in de eenheid van Zijn natuur en Zijn alleenheersen over alles. Hierin wordt des Vaders persoon, macht en gezag onmiddellijk vertoond.

Nu kunnen wij ook verstaan, dat men het plan heeft opgeworpen om gezamenlijk naar de Waarheid te gaan zoeken. Als men de ogen sluit voor het licht der Openbaring Gods in Zijn beschreven Woord en men blijft vreemd aan het Licht, dat in de volheid des tijds ontstoken is, dan kan men het Koninkrijk Gods evenmin zien als Nicodemus, de leraar in Israël, voordat hij door Jezus zelf was onderwezen.

Deze toelichting op art. 18 aan het slot bewijst, dat het belijden inderdaad nieuw is. Wij houden het liever maar met de oude belijdenis en de woorden in 1 Thess. 4 vs. 13 tot het einde. In 2 Petrus 3 lezen wij, dat de aarde, die de afgod is van de meeste mensen, zal verbrand worden en dat er een nieuwe aarde wezen zal.

Dat de Heere verbondsmatig met de mensen handelt en dat vanuit dit gezichtspunt de leer der rechtvaardiging des zondaars door een toegerekende gerechtigheid, alleen Schriftuurlijk verkaard kan worden, dat ontgaat de Heren, of men begrijpt dat deze gedachtengang niet past in het raam van de „Fundamenten en perspectieven".

In de tweede alinea staat: „in Hem (Jezus Christus) kwam God door een gans oorspronkelijke en vrijmachtige daad tot ons en werd Zelf die mens, die aan Zijn bedoeling beantwoordde en Zijn raad op aarde vervulde".

Onschriftuurlijke taal, zeggen wij, en niet minder sophistisch dan de leer der Roomse Kerk dat Maria de Moeder Gods is. Dit wil men n.b. nog bewijzen met Gal. 4 vs. 4, waar geschreven staat; „maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet". Hier wordt de tweede Persoon van het Goddelijk Wezen onderscheiden van de andere Personen in datzelfde Wezen en kan dus nooit gezegd worden, dat God op aarde kwam om aan Zijn eigen bedoeling te beantwoorden enz., maar wel dat de Zoon Gods de menselijke natuur aannam in enigheid des Persoons, om als plaatsbekleder voor Zijn volk de straf te dragen en de wet te vervullen.

De rest van het artikel is eveneens vreemde taal voor iemand, die aan Schrift en belijdenis vasthoudt. Wat moet men denken van de woorden „Hij is geheel onzer één geworden, opdat Hij als het nieuwe hoofd der mensheid in onze plaats en te onzen behoeve de zonde zou dragen", enz. Er is immers in de ganse H. Schrift geen bewijs te vinden, dat Jezus het Hoofd der mensheid is geworden? Wij lezen wel, dat Hij het Hoofd Zijner Gemeente is en dat Hem alle macht gegeven is in de hemel en op de aarde, maar de mensheid als zodanig wil niet, dat deze Koning over haar zijn zal.

Aan het slot van dit artikel wordt dan nog gezegd „en in wie alleen en in wie geheel de verzoening der wereld met God geschiedt". Gelet op de huidige verwarring der geesten en de gruwelijke boosheid en verwording der mensen, zou men zich toch wel moeten schamen om de mensheid en de wereld zó paradijsachtig voor te stellen. Als de Apostelen Paulus en Johannes spreken van de verzoening van allen en van de wereld, in Rom. 11 vs. 32 en 1 Joh. 2 vs. 2, dan betekent dat, de zaligheid voor de uitverkorenen niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. Wie het anders verklaart, laat de H. Geest Zichzelf tegenspreken.

De toelichting op bovengenoemd artikel sluit met deze woorden: „Zo hebben wij getracht op Schriftuurlijke wijze oude richtingstegenstellingen te boven te komen", enz. Wij zeggen: niet alleen getracht, 't is gelukt ook, want het gaat boven alles wat tot nu toe gepresteerd is uit. Het is een stelling zonder enige reële grondslag, die eigenlijk alleen bestaat in de fantasieën der beschouwers.

Zoals in alle artikelen, wordt ook hier van de mens uit geredeneerd. B. v.: Het Koninkrijk der Hemelen is nabij gekomen en dat Hij ons dwingt tot de keuze voor of tegen Hem. Hier spreekt toch geen gelovige over zijn Zaligmaker en Verlosser? Kon hij het nog mooier of Schriftuurlijker uitdrukken dan de Heidelb. Catechismus in die van Westminster, hij zou het doen, want de H. Geest heeft hem in de krachtdadige roeping overtuigd van zonde en ellende, maar tevens zijn verstand verlicht in de kennis van Christus en bekwaam gemaakt om Hem door het geloof te omhelzen, zoals Hij om niet wordt aangeboden in het Evangelie. Alvorens zijn verstand verlicht werd, was de mogelijkheid van zalig worden voor hem verborgen, al was hij Dr. in de theologie. Dit moest de hoogste Profeet hem leren. Wat de Heilige Schrift objectief (voorwerpelijk) leert, wordt subjectief (onderwerpelijk) door de zondaar verstaan en de vrijmakende kracht daarvan ondervonden.

Art. 7 vangt aan als volgt: „Jezus Christus, de Zoon Gods, heeft heel Zijn leven door en inzonderheid aan het einde, zich ons aan schuld en dood vervallen bestaan eigen gemaakt, zonder daarin zelf schuldig te worden". Hij heeft in alle ontzetting de verzoeking van de satan doorleden, zonder daaraan toe te geven. Hij alleen heeft de godverlatenheid van ons zondige leven waarlijk ondergaan, zonder zelf God te verlaten".

En in de tweede alinea lezen wij: „In de liefde en de gehoorzaamheid jegens de Vader staande blijvende, heeft Hij zich in dit van God vervreemde bestaan prijsgegeven aan het gericht". Vreemde taal voorwaar. In deze zinnen komt tot uitdrukking, dat dr. Karl Barth thuis is in de geschriften van dr. Kohlbrugge, indertijd predikant te Elberfeld, niet ver van Barmen gelegen. De grote man heeft niet geweten, dat de uitvinders van de nieuwe, dialectische theologie, een dankbaar gebruik zouden maken van de zwakke plaatsen in zijn theologie.

In hoofdzaak was er in Kohlbrugge's theologie een afwijking van de leer der reformatie in de volgende hoofdstukken:

Het beschreven Woord Gods wordt door hem niet onderscheiden van het vleesgeworden Woord; is dus identiek (volkomen gelijk).

Het vleesgeworden Woord, de Middelaar of Godmens, was in dé mogelijkheid van zondigen. Hij heeft dit niet gedaan, maar heeft er zich doorgeslagen. Over de oude en de nieuwe mens, waarover de Apostel Paulus schrijft in Rom. 7, had hij een andere voorstelling dan de reformateurs en de vaderen in hun symbolische boeken.

Bij hem was „vlees" identiek met „zonde", daarom verklaarde hij Rom. 7 vs. 14 inplaats van „vleselijk" als „vlees".

De leer der heiligmaking kwam bij hem geheel op de achtergrond.

In zijn theologie heeft hij zijn Lutherse afkomst niet verloochend en hoewel hij in zijn opvattingen betreffende de vrije rechtvaardigmaking, om nu eens met de ouden te spreken, zuiver was, heeft de afwijking op andere punten veel schade berokkend, al moet dan worden gezegd, dat hij zelf door Gods genade is bewaard gebleven voor de consequenties van zijn eigen leer. Hij had op de reformateurs en de Dordtse vaderen heel wat aan te merken, zodat het begrijpelijk is, dat velen, die niet in zijn goede gronden staan, maar zijn verkeerde opvattingen meer of minder huldigen, gretig van zijn lessen gebruik maken.

Alzo ook dr. Karl Barth en onze Ned. Hervormde Synode.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Over „Fundamenten en perspectieven”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's