De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt

AFKOMST EN OMGEVING (II)

6 minuten leestijd

Een zaak van zeer groot belang is ook: uit welk gezin, uit welke omgeving komt de predikant voort? Want dat zal in veel gevallen een stempel drukken op zijn leven en arbeid.

„Mijn zoon wordt ook domine!" zo fluistert wel eens een moeder in de kerk haar buurdame in het oor, vóór de Dienst aanvangt. (Want gij weet dan wordt er in de kerk heel wat afgehandeld). In gedachten ziet die moeder reeds alle glorie rondom het hoofd haar zoons verenigd, wanneer zij naar de kansel staart. Zij voelt het: dat zal de glorie ook van haar leven zijn.

Zij herinnert zich nog zo goed, dat haar jongen op een huiskamerstoel klom en aan het praten ging van, ik weet niet wat, en met zijn gesticulaties de pastor loci precies nadeed. Dit alles met de grootste ernst. De huisgenoten lachten zich tranen: maar moeder dacht: „daar zit al wat in!"

Dit alles moge nu vrij onschuldig zijn, bedenkelijk is het toch, wanneer de hoge gedachten van huis uit reeds beginnen.

Zijn er ten opzichte van de geschiktheid bepaalde gezinnen aan te wijzen?

Ik; denk hier niet aan erfenisquaesties, dat namelijk ook predikantszonen de meest gewenste personen zouden zijn. Deze dingen worden niet bij wijze van aardse nalatenschap geregeld. Of vader gaarne ziet, dat zijn zoon hem zal opvolgen in het ambt, dat geeft de doorslag niet. Op deze wijze zou al te zeer in de hand gewerkt worden een predikantenstand.

Moge onze Kerk in dat opzicht bewaard blijven voor zulke domineeszonen. Want velen van hen waren althans wijs vóór hun jaren. Zij zijn èr vaak bij tegenwoordig geweest, wanneer vader en moeder het hadden over de aangelegenheden in de Gemeente en zo weten zij van het domineesleven in elk geval meer dan goed voor hen is.

Op die wijze zou niet het ambt, maar „de zaak" op dezelfde voet worden voortgezet.

Het spreekt vanzelf, dat dit niet toepasselijk is op de predikantszonen van de echte stempel. Wij generaliseren hier niet. Wij bedoelen alleen maar : het is niet genoeg, om domineeszoon te wezen.

Wanneer wij vragen of er ook op stand of afkomst gelet moet worden, dan antwoorden wij daarop met een beslist: „neen!" Het predikambt is nu eenmaal iets anders, dan enig ambt of beroep hier op aarde. Op het terrein der wereld kunnen rangen en standen niet weggeredeneerd worden. Doet men dit toch, dan wreekt zich dat. Afgezien daarvan dat de zonde veel onderscheid tot tegenstelling verscherpt heeft, blijven hier toch liggen ordonnantiën Gods en hoe de moderne revolutiewereld zich ook daartegen aankant, wij hebben ons te onderwerpen aan de orde, die God gesteld heeft. Maar het predikambt behoort toch tot een andere wereld. Men brenge het maatschappelijk standsgevoel in geen geval hierop over. Theologische studenten kunnen dikwijls nog zo ver van elkander afstaan. Er zijn er onder, er waren er althans onder in vroeger dagen, die zich min of meer aristocraat voelden tegenover hun medestuderenden, later moesten zij toch ook doodgewoon beginnen, met dorpsdomine te worden en werken met hen, die zij eertijds niet aankeken.

En de Gemeente vroeg ook heus niet, of zij uit een illuster studentengezelschap voortkwamen.

Dit alles neemt echter niet weg, dat onze Gemeenten toch wel degelijk behoefte hebben aan voorgangers, die goede manieren bezitten en daarin geen lesje meer behoeven te ontvangen.

Die, als het enigszins kan, uit huisgezinnen komen, waar, bij alle eenvoudigheid de rechte toon heerst. Waar wèl geregeerd wordt. Denk niet, dat deze zaak van minder betekenis is. Onbeschaafdheid is vooral in een predikant weerzinwekkend.

Ongemanierdheid, vooral van voorgangers, heeft al heel wat bedorven en bederft dagelijks nog veel.

Al zegt Paulus, dat de Kerk bestaat uit niet vele wijzen, niet vele edelen, niet vele machtigen naar het vlees, dat behoeft de predikanten nog niet te verleiden, om de zegswijzen der eenvoudige gemeenteleden over te nemen en in het ruwe te vervallen.

In dit opzicht moet er dus op afkomst wel ter dege gelet.

Het steekt hier nauw; o zo nauw. Het behoort bij het ambt, dat men weet, hoe het hoort. Het is er een stuk, een onderdeel van.

Maar vooral is het zo wenselijk dat de aanstaande ambtsdrager uit een godvrezend gezin kome en niet uit een omgeving, waarin er zelfs geen schijn van eerbied voor Gods Woord bestaat. Waarin de kennis van het Evangelie althans nooit is aangekweekt. Waar op en top de wereld heerst en alles bezien wordt uit het oogpunt van „een baan".

Komen er uit zulk een omgeving, waar men het overigens nog wel eens mooi kan vinden, ook een domine in de familie te hebben, aanstaande proponenten, dan gebeurt het wel eens dat de examinandus op het proponentsexamen de vraag niet kan beantwoorden, wat er in Joh. 3: 16 staat.

Moet zulk een man nu losgelaten worden op een Gemeente? Moet hij nu Bijbelkennis aankweken? Hij moet ze zelf nog leren. Zal hij de eerbied voor Gods Woord er in prenten? Hij heeft er zelf geen flauw besef van, wat het in heeft.

Willen ouders voor hunne zonen het predikambt begeren, dan moeten er andere, geestelijke motieven zijn. Dan moest eigenlijk de liefde van Christus de ouderharten eerst bewegen.

Het heerlijk Evangelie moest in hunne harten leven.

Dan decreteren zij het ook niet, dat „zoonlief" domine wordt, maar zij leggen dat in Gods handen neer.

Dan moeten zij persoonlijk het beven kennen voor Gods Woord. Het is zo wenselijk; ja zelfs nodig, dat de aanstaande pastor dat meemake onder het ouderlijk dak.

Dat bewaart voor zo vele verkeerde dingen. Dan wordt hem niet van tevoren al een pluim op de hoed gezet, omdat hij straks op die „hoge stoel" zal staan.

Dan wordt hij niet nu al nummer één, om het straks in het openbaar te worden. Dan wordt hij niet nu al naar de ogen gekeken, zoals sommige ouders zo dwaas kunnen doen (het domine worden van hun kind is immers een stuk van hun eigen ijdelheid); maar dan wordt die jonge man van huis uit al op de weg der beving voorgegaan.

Dat kunnen dan worden zijn eerste stappen naar het ambt. En ook wordt hem geleerd, zich niets, maar dan ook niets te verbeelden. Juist dan niet, wanneer het straks blijkt, dat hij gaven van God voor het ambt heeft ontvangen.

Het wierookvat dient niet tot eigen eer!

Eens was er een bepaalde stam.
Waaruit de Heer' Zijn priesters nam.
Dit geldt niet voor den dominee;
Want zijne afkomst telt niet mee.
Al is hij uit geen rijk geslacht.
Daarom bij God toch niet veracht.
Als hij maar niet zichzelf wat maakt
En daarmee snood Gods ere raakt.

Hij zij een man van fijn gevoel;
Doordrongen van het hoogste doel;
Die bij gebed is opgevoed
En zelf ook vroeg den Heer' ontmoet.

K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's