Over „Fundamenten en perspectieven”
III
(Buiten verantwoordelijkheid der Redactie).
III.
Met onze beschouwing zijn wij nu gekomen tot art. 8. Dit ligt in dezelfde gedachtengang als het vorige, waarom wij er ook niet diep op in zullen gaan. Alleen het volgende : In de vierde alinea wordt gezegd : „Als Heer en Koning deelt Hij in de wereldheerschappij Gods". De H. Schrift echter zegt niet „Hij déélt in de wereldheerschappij", maar „De Vader heeft Hem alle dingen in Zijn hand gegeven". (Joh. 3 vers 35). En wanneer Zijn Middelaarsbediening zal ophouden, na het jongste gericht, dan zal Hij het Koninkrijk aan God en de Vader overgeven en zal de Drieënige God, Vader. Zoon en Heilige Geest, verheerlijkt worden op onmiddellijke wijze. (1 Cor. 15 vs. 24—28).
Onder de vijanden, waarover Christus de overwinning zal behalen, wil men „de wereld" niet noemen. Waarom ? Dat wordt ons verklaard in art. 13. Daar beweert men, dat de Gemeente de wereld moet liefhebben. De apostel Johannes leert ons het tegendeel in 1 Joh. 2 vs. 15—17.
Art. 9 begint met een mooi reformatorisch geluid, volgens de Schotse Geloofsbelijdenis art. 12. Deze lijn volgende, zou men denken, dat op dezelfde wijze ook over de levendmaking van de zondaar gesproken zal worden. Nog wel met een beroep op de Dordtse Leerregels III en IV, 12, zegt men heel gewoon : „het levendmakende werk des Geestes voltrekt zich in het werk van ons horen, geloven, opstaan, bekeren". Derhalve wil men zeggen, de zondaar gaat zichzelf levendmaken, want al horende, gelovende, opstaande en bekerende wordt hij levend. En wat zeggen nu de aangehaalde leerregels ? Lees dat zelf eens, lezer, en let dan op de woorden : „dewelke God zonder ons in ons werkt" en „van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf". Waarom ook terecht gezegd wordt, dat de mens door de genade, die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert".
De Heren zijn te geleerd om deze regels niet te kunnen begrijpen, dus noemen wij het opzettelijke misleiding.
In de 4e alinea vinden wij weer een uitdrukking van dr. Kohlbrugge, n.l. dat Christus in het Woord is. Wij zeggen, dat Christus door het geloof woont in de harten Zijner verlosten. (Efeze 3 vs. 17).
In art. 19, waarin gesproken wordt over „de heilsmiddelen" keert men de heilsorde om en laat men het Evangelie vóór de Wet gaan in het werk van bekering. Christus vóór Johannes de Doper. In de doop laat men eerst het heil betekenen en verzegelen en dan onze onreinheid en ondergang aanwijzen, in tegenstelling tot ons Doopsformulier. Bovendien wordt geen onderscheid gemaakt tussen het Woord en de Sacramenten. Het eerste is in de hand des Heiligen Geestes het middel tot onze levendmaking, het verwekken van het zaligmakend geloof, dat de zondaar met Christus verenigt, terwijl de Sacramenten met het Woord de middelen tot versterking van dat geloof zijn.
In art. 11 wordt dan over het geloof gehandeld, waarbij direct opvalt, dat het in alinea 1 wordt genoemd de gave des geloofs, maar de genade des geloofs, die volgens de hiervoor aangehaalde Dordtse Leerregels eerst geschonken wordt, stapt men voorbij, om dan alleen te spreken over de daden of werkingen des geloofs.
Ook als de gelovige geen geloofsdaden oefent, zoals b.v. in het geval van Petrus en de discipelen, toen hun Meester in het graf lag en hun geloof bijna bezweek, bleven zij gelovigen uit kracht van Christus' voorbede, dat hun geloof niet zou ophouden.
Uit de beschrijving van de geloofsdaden blijkt dan weer, hoever men van de leer der reformatie is afgeweken. In de 3e alinea staat: „Niet dit geloof, maar Gods genade in Christus is de grond van onze rechtvaardiging". De H. Schrift leert (Rom. 3 vers 24'—26) „en worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is, enz." Uit deze woorden blijkt dus, zoals in de hele analogie der H. Schrift en de symbolische boeken der Kerk. dat des Middelaars borggerechtigheid de enige grond van onze rechtvaardiging is. Dit wordt in de Heid. Catechismus bijna woordelijk zo uitgedrukt in vr. en antw. '67, n.l. dat „Woord en Sacramenten daarhenen gericht en verordend zijn, dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan het kruis, als op de enige grond onzer zaligheid wijzen".
In de volgende alinea wijst men ook Op Christus en Zijn werk als grond, en spreekt men dus zichzelf tegen.
In de volgende zin staat, dat wij „op Gods beloften slechts met geloof en ongeloof antwoorden kunnen, zodat wij aan de rechtvaardiging deel hebben, waar wij deze weldaad met een gelovig hart aannemen". Als bewijs hiervoor verwijst men naar antw. 60 van de Heid. Catechismus. Wij merken hierbij echter op, dat in antw. 60 een gerechtvaardigd zondaar spreekt, die antwoord geeft op de vraag, niet hóé hij gerechtvaardigd wórdt, doch hoe hij in zijn gemoed verzekerd is van die weldaad, n.l. dat hij in Christus voor God rechtvaardig is en een erfgenaam des eeuwigen levens.
Zoals dit leerboekje der Synode het beschrijft, hangt de weldaad der rechtvaardiging van ons geloof af en kan zelfs door ons worden afgewezen. Dit kan ook niet anders, als men het geloof tot rechtvaardiging beschrijft als volgt: „maar daarom en daarin is het geloof tegelijk het enige goede werk dat God behaagt en de vruchtbare oorsprong aller waarlijk goede werken, enz." Hier stelt men het geloof primair, inplaats van Christus' gerechtigheid. Hier maakt men van het geloof een goed werk dat Gode behaagt en spreekt men de H. Schrift en de belijdenisschriften vierkant tegen. Evenals de Remonstranten, stelt het leerboekje als voorwaarde tot rechtvaardiging het geloof als het enige goede werk en de oorsprong der goede werken, terwijl onze Ned. Geloofsbelijdenis in art. 22 overeenkomstig Gods Woord leert, dat het geloof niet meer is dan een instrument, waarmede wij Christus' gerechtigheid tot rechtvaardiging deelachtig worden.
De goede werken, die het geloof vergezellen en volgen, kunnen alleen de bewijzen zijn van de echtheid van ons geloof, zoals dat door de apostel Jacobus beschreven is.
In art. 12 wordt gehandeld over „geloof en werken" en in de 1ste alinea zegt men dan, dat de rechtvaardigverklaring een scheppende macht is. Evenwel is in het vorige artikel gezegd, dat men deze verklaring met ongeloof kan beantwoorden. Dan blijft de mens dus in zijn zonden, maar omgekeerd herschept hij zichzelf. Wedergeboorte als de eerste levendmakende daad Gods, vóór alle geloof dus, daar spreekt men niet over.
„Rechtvaardiging en heiliging behoren daarom tezamen", zegt men verder. Jawel, zeggen wij, deze weldaden zijn niet te scheiden, maar wel te onderscheiden. De eerste als een daad van genade (toerekening), de andere als een werking van genade ; de eerste door een gerechtigheid buiten ons, de andere door een heiligheid, gewrocht in ons.
Het beginsel der heiligmaking ligt in de wedergeboorte, vandaar dat Calvijn de wedergeboorte in een ruime zin genomen heeft en het leven der heiligmaking daaronder begrijpt.
De vruchten des geloofs heeft men te zien als voortkomende uit de geloofsvereniging
met Christus als de ware wijnstok. Die door het geloof in Hem blijft, die draagt veel vrucht, zegt Christus, daarom in Joh. 15 vs. 5, „want zonder Mij kunt gij niets doen".
In de 3e alinea staat, dat „op zulke werken Gods welbehagen rust, die uit het geloof in Zijn rechtvaardiging geboren zijn". Gods Woord daarentegen leert ons te geloven in Christus tot rechtvaardiging. Hier stelt men de genade-weldaad zelf tot voorwerp des geloofs. Dit behoort eigenlijk tot de stellingen der antinomianen.
Wat verder nog in dit artikel wordt beschreven, geeft opnieuw blijk van dubbelzinnigheid, want daarin komen reformatorische uitdrukkingen voor, die geheel in strijd zijn met hetgeen eerst over geloof en werken gesteld is.
Het ontbreekt ons aan tijd en plaatsruimte om alle volgende artikelen critisch te behandelen, waarom wij dit gaarne aan anderen overlaten.
Een uitzondering echter maken wij met artikel 17 : „Heden en toekomst van Israël". Evenals in art. 3 redeneert men hier vanuit het Rijk, onder het dubbele „theologische en soteriologische gezichtspunt". Deze Rijksgedachte ligt naar reformatorische opvatting teveel in de lijn van het Chiliasme (duizendjarig Rijk) en de vaderen achtten het niet op zijn plaats, om hun geloof aangaande de toekomst van Israël vast te leggen in een belijdenisgeschrift. De meesten van hen (uit de bloeitijd der Kerk) verklaarden zich hierover in hun preken, verhandelingen en catechisatieboekjes.
Zij hebben evenwel nooit geleerd, dat Israël het uitverkoren volk is, wetende dat de Heere Zich uit hen een volk ten eigendom verkoren heeft. Zij wisten heel goed wat geschreven staat in 1 Thess. 2 : 14—16 en wilden dit niet verdoezelen, maar zagen uit naar de vervulling der beloften Gods in de H. Schrift en van de Zaligmaker zelf in Matth. 23 : 39 : „gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: gezegend is Hij die komt in de Naam des Heeren."
Wij willen thans iemand laten spreken, die in zijn tijd eveneens geworsteld heeft met verleidende geesten. Hij eindigt zijn schone voorrede voor de „Gedenkschriften van dr. John Owen" als volgt: „Mocht God in de dagen waarin wij leven, ons mannen verwekken gelijk Owen, opdat de wetenschap die uit de Hemel is, de plaats vervange van de ledige, schoonklinkende, mensen vergodende en onvruchtbare voorstellingen van die wetenschap, welke Gods getuigenis en daardoor de Vader, de Zoon en de Heilige Geest verwerpt en de naam van het vrome voorgeslacht smaadt, om zichzelf met lauwerbladeren van Platonische of Pantheïstische wijsbegeerte te omkransen. Een krans, die verwelkt, reeds weggeworpen zal zijn, als de naam van Owen nog in zegening zal zijn op de lippen van allen die het eeuwig Evangelie geloven en de Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid". (Ds. J. W. Felix, uitg. 1857).
Deze beschouwingen over „Fundamenten en Perspectieven" willen wij beëindigen met enkele citaten uit het werk van wijlen Prof. Dr. H. Visscher, over „de Schepping", en wel eerst pag. 190: „Uit alles wat wij tot hiertoe behandeld hebben, 'moet ons wel duidelijk zijn geworden, hoe nodig het was, dat de Kerk zo angstvallig gewaakt heeft voor de reinhouding van haar religieus leven. De dogmatische strijd, die het vroegste Christendom reeds beroerde, was geen gevolg van bekrompenheid. Wie de dogmatische worstelingen zo beschouwt, miskent ze ten enenmale. De strijd over het dogma komt op onder de druk van het contact met de geestelijke stromingen, te midden waarvan de Gemeente in deze wereld noodzakelijk verkeert. De eerste gemeente had af te rekenen met de gangbare geestelijke stromingen en wereldbeschouwingen van haar tijd. En als zij in onze dagen niet zo ingezonken, hopeloos verdeeld en mat was, had zij dit nog te doen."
Bladz. 313 : „De wijsbegeerte werd een ontkerstenende macht in het leven der westerse volken. Zij is niet alleen ih haar materialistische, maar ook in haar idealistische vormen aansprakelijk te stellen voor de opkomst der grote sociale bewegingen, die principieel met de Christelijke religie hebben gebroken en de zielsbehoeften die onvervuld bleven, met surrogaten trachtten te vullen. Voor het cultuurleven betekent dit een decadentie, die onze tijd tot een evenbeeld maakt van de periode van de ondergang der classieke cultuur. Dat in onze dagen de Christelijke religie ook onder ons volk in het geding is, en daarmede heel ons volkskarakter, behoeft geen betoog. De grote geestelijke stromingen tonen, dat alles er op gericht is om Hegel's woorden over te nemen „die Religion um zu stoszen".
Bladz. 213 : „Zal er voor onze cultuur redding zijn, dan. zal de Gemeente van Christus moeten beginnen met het oude evangelie opnieuw te beleven. Haar religieus leven zal moeten winnen aan intensieve kracht, opdat zij een stad zij boven op de berg, een licht op de kandelaar. Niet in de philosophie, maar in het leven uit het Woord Gods, naar Calvijn's exempel, is een nimmer drogende bron Vcxn cultuurkracht en leven". (H. V. a. w., bladz. 215).
De Heren der Hervormde Synode en alle geestverwanten van Dr. Karl Barth mogen deze woorden van Prof. Dr. H. V. ter harte nemen en al is het dat zij niet willen horen, dan ligt het toch op de weg van iedereen die het met land en kerk wel. meent het uit te spreken, dat men niet door holle frazen en met woorden die een schijn van vroomheid hebben, bedrogen wil worden.
Augustus 1950.
H.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's