De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt

III. ROEPING.

12 minuten leestijd

III. ROEPING.

Maar nu de aanstaande pastor zelf. Want hij zal het toch wezen, die straks intrede in de Gemeente doet en het ambt bedient.

Vader en moeder kunnen hem verder niets meegeven. Zelfs geen tekst: ook geen intreetekst.

Iedereen moet van zijn geestelijke arbeid afblijven. Ook „de tere zijde" blijve hier buiten en beslisse niet voor de man mee, wanneer er straks een keuze inzake beroepen moet worden gedaan. Al kan zij zeker een middel in Gods hand zijn, om hier en daar een nuttige wenk te geven.

Er zijn er, die dit alles heel gemakkelijk menen op te lossen, door te zeggen: „de man moet van God geroepen zijn; dan komen de gaven en dan komt alles verder vanzelf."

Heel eenvoudig inderdaad; als de mensen het maar niet zo ingewikkeld maakten! Men weet toch wel, dat er met niets zo gesold wordt als met het woord „roeping".

Ik denk hier aan 'n voorval, jaren geleden. Wij (een ouderling was er bij tegenwoordig) waren op een zomermiddag op huisbezoek en betraden een groot boerenerf. De „baas" lag nog op één oor, want het was in de tijd van de hooibouw. De vrouw ging haar man dus even wekken, want het klokje had juist geslagen. In een ogenblik kwam de man des huizes van achter de bedsteedeuren te voorschijn.

Nauwelijks had hij ons herkend, of hij was ineens klaar wakker en er werd een soort geest over hem vaardig.

Het „theologische" vuur had hem direct in gloed gezet. Zozeer zelfs, dat hij geheel vergat, dat een gewone pantalon twee pijpen heeft. De ene bedekte reeds het bestemde lichaamsdeel, maar de andere pijp bengelde er nog een poosje heel singulier bij.

De vrouw zei: „Man, kleed je toch eerst eens aan!"

Een zonderlinge grijns was het antwoord, met de betuiging er bij: „Nu ja, de domine en....... mogen mij vrij zien!" Een hele permissie voorwaar!

Daar stak hij van wal: „Domine, wij hebben vanmiddag aan tafel gelezen Rom. 10, waarin deze woorden voorkwamen: vrs. 14 : „Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?"

vs. 15 : „En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden?"

Vertel u mij eens: Wat betekent dat laatste?"

En ineens, brutaal, familiaar: „Man, waar leit je roeping?" En het gezicht zei duidelijk: „neem u in acht, want gij stuurt mij niet met een kluitje in het riet".

Even heb ik gevraagd, uit welke bron die vraag bij hem voortkwam, waarna ik verder ging met te verklaren, dat ik mij althans niet geroepen gevoelde om hem uiteen te zetten, hoe ik predikant was geworden. Heb hem dus het kluitje nog misgund.

De toeleg van deze man was maar al te duidelijk. Hij wilde zo gaarne dat jonge domineetje eens dwars zitten, om hem verlegen te maken en dan op zijn manier te kunnen uitlachen.

Het was een soort inquisiteur, vooral van jonge leraren. Hij had ze alle binnen zes maanden „door" en kwam dan niet meer ter kerk. Bij mij had hij in de kerk tot heden er nog geen speld tussen kunnen krijgen, zoals hij zelf verklaarde, maar nu had hij zeker gedacht: ik zal het ook in mijn huis proberen, en dat was beter gelukt, zijns inziens. Wel jammer, dat hij mij een ogenblik boos gezien had (o, die verdachte kleurtjes, wanneer wij jong zijn !); want hij maakte daarvan ogenblikkelijk gebruik en zei uit de hoogte: „Nu heb ik bemerkt, dat het ook bij jou niks is. Het zit je een voet te hoog (wijzend naar mijn hoofd); het moest een voet lager zitten, (in het hart).

Wij af met een: „dank u, van 't zelfde!"

Al verdiende deze man geen antwoord, dat wil niet zeggen, dat de zaak, waarom het hier gaat, ontweken  mag en kan worden. Wel geloven wij, dat een zachtmoedig, verstandig christen zo iets niet spoedig vragen zal: ja, misschien nooit. Hij zal gevoelen, wat die jonge man nodig heeft, namelijk de voorbede van hen, die bidden leerden.

Zij zullen zijn jonkheid niet verachten. Zij zullen in stilte op hem letten: niet, om, zodra mogelijk, critiek te kunnen uitoefenen; maar om zich te kunnen verheugen over de prediking naar de eis van Gods Woord. Om de Heere te bidden, dat Hij de dienaar getrouw make in zijn werk.

Zeker, hij moet van God geroepen zijn. Van deze eis mag niets afgedaan. Maar aan ieder, die er mee komt, moeten wij vragen: Wat verstaat gij er onder? Want de roepingen Gods zijn gans onderscheiden; ook in de bekering tot Hem.

Zo is het ook gesteld met de ambtelijke roeping.

Anders is het met de roeping van een Mozes. Anders van een Samuel. Anders van Jesaja; Jeremia; Amos; en onder het Nieuwe Testament: van Saulus van Tarsen.

Ook is de roeping Gods zeer verschillend, wat de tijd aangaat. Tot Jeremia zegt God: „Eer dat Ik u in de moederschoot formeerde, heb Ik u gekend en eer dat gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd. Ik heb u den volke tot profeet gesteld".

Mozes wordt pas geroepen, als hij tachtig jaar is.

Zo zou ook een Evangeliedienaar in zijn later leven zijn eigenlijke roeping nog wel eens kunnen ontvangen, al wil ik daarmee niet zeggen, dat ieder het dus vrij worden kan, of dat men zich althans over zijn roeping niet zo druk behoeft te maken.

Maar wat wil men nu met het spreken over roeping? Wil men een van die roepingen van Gods profeten aangrijpen, om die de jonge pastor als eis te stellen? Dat zou niet billijk zijn. Bovendien gaat dat ook niet op, want de bovengenoemde roepingen golden toch zeer bijzondere opdrachten des Heeren in bepaalde tijden.

Of zegt men: „dat willen wij ook niet; wij willen alleen maar een man hebben, van God bekeerd?"

Juist! En dan de bekering, zoals gij u die denkt?

Maar gij weet toch ook wel: al is een mens waarlijk bekeerd, daarmee ligt de roeping tot het predikambt nog niet klaar. Want er kunnen ook bekeerde dominees zijn, die toch beter hadden gedaan, geen predikant te worden.

Bij sommigen luidt de uitspraak enigszins anders en dan klinkt het: „Wij willen alleen maar de lastbrief van de domine zien en gaarne horen, hoe hij er toe gekomen is predikant te worden".

Nu zou men hier weer vragen kunnen: „Hebt gij het recht van de inzage? Laat mij dan eerst uw aanstellingspapieren zien!" Doch doen wij dit niet, dan moet ons toch van het hart: Zal ik dus mijn lastbrief tonen als een soort pas, waarmee ik mij bij de mensen legitimeren moet, om ingang te vinden?" Als een soort bedekking, die ik altijd vóór mij kan houden en waarmee ik mij als een schild ga bekleden, zodra het nodig is? Moet ik het van tevoren aankondigen, dat ik een geroepene ben, opdat de sprake mij voorafga?

Gesteld, dat de Heere mij een geschiedenis had gegeven; dat ik werkelijk kon zeggen, hoe en wanneer ik de roeping tot het ambt heb o ntvangen en gevoeld, moet ik dat dan tot uitgangspunt van mijn optreden en van mijn arbeid maken? 

Ik geloof, dat ik dan begon, mij zelf te prediken.

De zaak is eigenlijk zo eenvoudig: als iemand waarlijk geroepen is, dan weet hij ook waarvoor? en waartoe?, en hij gaat aan de arbeid.

Zijt gij geroepen? Welnu, aan het werk en toon de waarheid er van. Want doet gij dat niet en zoudt gij de tijd verbeuzelen met wat anders, men zou aan de waarheid twijfelen moeten, die gij aangaande uzelven getuigt.

Getuig maar liever niet van uzelf, als het niet strikt nodig is! Ga toch niet dwars vóór Christus staan, zó, dat het volle licht op u valt en men Christus Zelf haast niet meer zien kan!

Het spreekt vanzelf, dat het wel nodig is dat de aanstaande pastor zich deze vraag stelt: „heb ik mij zelf of heeft een Ander mij geroepen? "

Want wij moeten voor onszelf zekerheid hebben en anderen niets op de mouw spelden. Hoeveel vergissingen zijn er in deze al gemaakt; bewuste en onbewuste! Het hoogmoedsduiveltje wil ons hier wel eens heel wat wijs maken. 

Er komen soms jonge mensen bij mij, die verklaren: „ik gevoel roeping, om predikant te worden". In dat geval is het zeer nodig, om naar de gronden te vragen.

En wat komt er dan dikwijls voor de dag?

De ene was juist zonder betrekking en...... menend, een goed studiehoofd te bezitten (iets, wat gewoonlijk zeer tegenvalt), was hem dit in de gedachten gekomen.

Een ander had wèl een betrekking, maar hij wilde liever geestelijke arbeid verrichten en dan maar beginnen met...... predikant te worden.

Een ander heeft op het ziekbed gelegen; is daar in het hart gegrepen en heeft inderdaad heel wat doorgemaakt.

Maar daar vertelt hij ineens: „ik zal niet sterven, maar leven, want God heeft wat groots voor mij weggelegd".

Zeker komt het voor, dat de Heere het wel eens iemand in het hart geeft, om predikant te worden, maar dan zal daarvan ook verantwoording geschieden. Dan openbaart zich daar ook het geloof, dat God het te Zijner tijd wel maken zal.

Overal, waar de overtuiging der roeping doorbrak, daar is ook verantwoordelijkheidsgevoel en vraagt men maar niet dadelijk om andermans hulp.

Het is nodig, dat elke aanstaande pastor zich die vraag eerlijk stelt: „Ben ik geroepen of niet?" Wij moeten voor onszelf hier tot klaarheid komen.

Voor velen gaan de dingen toch feitelijk o, zo gemakkelijk; vooral, wanneer zij van God een goed verstand ontvingen. Zij lopen het Gymnasium af. Worden student. Lopen college. Doen op tijd examen. Gaan vanzelf denken over de theologische aangelegenheden. Lezen de Bijbel in de oorspronkelijke taal. Leggen zich toe op exegese. Beginnen langzamerhand mee te praten en te debatteren. Zij schrijven hun eerste leerrede.

Vóór zij het weten, staan zij voor de eerste maal op de kansel. Daar was eigenlijk niets buitengewoons in. Het verliep alles even regelmatig.

Gij hebt zeker ouderwetse bespotters wel eens horen zeggen: „Och ja, zó komen zij regelrecht van de fabriek en wij zouden ze dan maar ontvangen als dienaren, van God gezonden?"

Van dat spottend hoog doen, behoeven wij ons waarlijk niet veel aan te trekken.

Wij zouden bovendien kunnen vragen: Wat is er tegen de regelmaat? Kan ook die niet uit God zijn! Heeft God Zelf niet de regelmaat geschapen? Stichtte Samuel ook niet de profetenscholen?

Toch moeten de aanstaande Evangeliedienaren zich hier wel ernstig iets afvragen: niet in de eerste plaats, wat zij die hoge keurmeesters antwoorden zullen. (Het is zo jammer, dat zij zich hierover vaak zo bang maken, al zouden zij dat aan niemand willen bekennen).

Want die bovengenoemde mensen vragen naar hun geschiedenis inzake de roeping en zij hebben er geen. Het is niet aangenaam voor het vlees, dan met de mond vol tanden te staan.

En wat gaat men nu vaak doen? Men denkt en vraagt zichzelf af: heb ik toch nooit eens iets in het leven meegemaakt op dit punt? Jammer genoeg gaat men er van aan het vertellen. De dingen worden juist door het vertellen al groter en gewichtiger, zonder dat men zelf dit ook nog bepaald wilde. En men is geheel verzeild op de weg der onwaarachtigheid.

Waarom zegt men niet liever ronduit: „Mensen, gij vraagt mij naar mijn roepingsgeschiedenis, maar ik heb er geen? Denk van mij, wat gij wilt, maar beoordeel mij uit mijn werk!"

(Dit zegge men dan in ootmoed en niet in hoogmoed: want als er niets te roemen valt, dan valt er toch ook niets te roemen).

Wanneer men dat durft zeggen, dan zijn twee dingen zeker:

Ten eerste: Gij hebt die mensen verloren, zolang zij op datzelfde stuk blijven staan.

Ten tweede: Gij hebt uw geweten bevrijd voor de Heere en de mensen. En de tijd zal het leren, dat dit goud waard is.

De eigenlijke vraag moet opgelost worden voor 's Heeren heilig aangezicht. Men geve er zich rekenschap van: Waar kom ik nu eigenlijk vandaan? Kom ik regelrecht van de Universiteit zonder meer, of mag ik geloven, dat God hierachter staat?

Waarom begeer ik het ambt en trekt het mij aan?

Het is inderdaad niet gemakkelijk, om dat zo maar ineens te zeggen. Want wij zijn mens en hebben onze menselijke gedachten; verwachtingen, idealen.

De hoogmoed spreekt een woordje mee aangaande de eervolle positie.

Soms is er een verlangen naar de vleespotten van Egypte aangaande het salaris, voordelige condities boven anderen....... hoemeer wij denken, hoe minder wij het weten.

Maar dan zal de jonge man, die van tevoren in alle stilte al van God geleerd was, en in wiens ziel reeds iets doorstroomde van de beekjes van Gods genade, het volgende doen: hij zal zich in ootmoed bukken voor de Heere God en Hem alles, maar dan ook alles vertellen.

Dan zal die, in de toekomst misschien geëerde ambtsdrager, als, een kind worden voor des Heeren Aangezicht en Hem smeken: „Heere, wil het mij bekend maken of het uit U is, dan wel of het uit mijzelf is. Als Gij mij geroepen hebt, spreek Heere, want Uw knecht hoort".

En God zou niet God zijn, wanneer het aan die mens dan niet werd geopenbaard, waarom hij het predikambt verkoos.

Dan zal de liefde voor dat heerlijk Evangelie, dat eigen ziel doorstroomde, doorbreken en tevens de verrukking, om dat te mogen prediken. Om uitdeler te mogen worden van Gods verborgenheden. En komt hem satan plagen, dat hij toch ook maar gaarne geëerd is en het aardse slijk niet veracht, hij zal het alles op de Heere werpen en zeggen : „Heere, Gij weet het!"

En hiermee is de questie der roeping voor hem opgelost.

Zij zal later nog wel eens weer opkomen, onder andere bij teleurstelling in het ambtelijk werk.

Maar naar het begin mag hij dan toch steeds terugkeren.

„Over roeping is al veel gesproken;
Meer hoofden dan wel harten zijn hierbij gebroken.
Als ik maar eerst de Heer'in al mijn wegen ken
Dan weet ik ook of ik van Hem geroepen ben.
Het zal dan blijken uit mijn arbeid en mijn leven.
Dat ik mij zelf het ambt niet had gegeven".
Dan leer ik wel getuigen van mijn Heere
En zal mij schamen voor het zoeken van mijn ere.

K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's