De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt

IV. „BEROEPBAAR”

6 minuten leestijd

„Hoe genoeglijk rolt het leven......”

Dit geldt van de geruste landman; maar toch zeker niet van de beroepbare Candidaat, die zich op een koude Zaterdag, midden in de winter, tussen de wielen bevindt, om de volgende dag te preken in een plaats, die weldra vacant zal worden.

Het rollend materiëel brengt hem echter niet, waar hij wezen moet. Te L. gekomen, kan de trein niet verder.

Er is een goederentrein ontspoord tussen L. en G. De vraag is: wat nu? De afstand van het doel der reis schijnt evenwel niet zo ver meer.

„Vijf kwartier!” antwoordt een optimistische voorbijganger op mijn vraag. Dan maar op de „pedes apostolorum” verder.

De worstelstrijd vangt aan. In gloednieuw ambtscostuum gestoken, het valies in de ene hand, de andere krampachtig gehouden aan de hoge hoed, vanwege de harde wind, gaat het met moeite voort op de hard bevroren dijk. Koud blaast de wind onder de hoed. Zet nu een cirkel om een vierkant; dat moet immers tochten.

Na een wandeling van drie kwartier weer eens naar de weg gevraagd en naar de duur der voetreis. Met verwonderde medelijdende blik klinkt het: „dat valt niet mee! U heeft zeker nog zeven kwartier te gaan”.

Het optimisme van de eerste wegwijzer komt voor mijn rekening. Dat is nu om wanhopig te worden: een afstand, die, hoe langer men loopt, des te groter wordt.

Inderdaad: na een wandeling van twee en een half uur (het is inmiddels donker geworden) arriveer ik doodmoe, met stukgelopen voeten aan de pastorie van 't bewuste dorp. Met vrolijke, heldere stem, treedt de pastor loci mij tegemoet.

„Ik had u al doorgedaan”, zo zegt hij: „de trein was een uur te laat, maar u zat er niet in!”

Had ik dat geweten, dat de treinstagnatie zo was meegevallen.

Thans ging het terstond aan tafel. De maaltijd had een zeer gezellig verloop. Daarna kwam de tijd voor meer vertrouwelijk gesprek. Blijkbaar viel het de gastheer tegen. Hij had verwacht, dat ik wat eerder „ontdooien” zou, want in de loop van de avond sprak hij zo terloops: „U is wel heel stil”.

Vreemde opmerking. Toch ook weer een heel gewone opmerking; want als men stil is, is men nu eenmaal niet druk.

Maar waarom moest hem dit van 't hart? Begreep hij niet, dat ook een jongmens wel eens vermoeid kan zijn van zulk een reis en dan niet bijzonder spraakzaam is?

Duidelijk bleek hieruit: ik werd bestudeerd van de beginne af aan.

Men wilde weten, wat er in mij zat en de gastheer had zich zeker een voorstelling gevormd van zijn opvolger, als een man, die even joviaal was als hij. Die even vrolijk en gul lachen kon. Die ook ongeveer zó druk was, dat hij met zijn geluid het gehele huis vervulde. Dat viel dan wel erg tegen.

Iets, wat trouwens meer voorkomt. Onbewust wil de mens van zichzelf wel eens een exempel voor anderen maken.

Vinden wij andere mensen dikwijls niet dan sympathiek, wanneer zij „in onze geest” plegen uit te vallen?

Zo brak de Zondagmorgen aan. Even werd er kennis gemaakt met de kerkeraad. Daarna werd ik door de predikant „opgebracht”. Het was in veel opzichten een goede morgen. De Heere gaf rust en kracht, om de dingen te zeggen, zoals ik ze voelde. Wat men nu ook daarna zou opmerken, zou mij niet al te zeer verontrusten.

Weer was de pastor loci de eerste, die mij na de Dienst de hand drukte en het volgende sprak: „met genoegen geluisterd, maar o, wat is u weinig dogmatisch!”

Het eerste werd heel snel gemompeld, alsof het er nu eenmaal zo bij behoorde; maar het laatste werd langzamer gezegd met enige verheffing van stem.

Hieruit viel wel het een en ander te constateren. Zo het eerste al geen beleefdheidsleugentje was, dan was het genoegen in elk geval niet onverdeeld.

Verder stond het „maar” aan het einde en niet aan het begin. Daar lag dus het zwaartepunt.

Ik heb daarop niet direct geantwoord, maar dacht zoveel te meer: „domine, wat is u snel met de mond. Niemand vroeg u toch wat. Had nu even gewacht, tot wij rustig thuis waren. Was er nu zo'n „periculum in mora?”

De broeders van de kerkeraad zeiden niet veel, maar zij lieten toch goed doorschemeren dat zij zich met de prediking hadden kunnen verenigen.

En nu is deze geschiedenis hiermee ongeveer ten einde. Na een paar dagen kwam het beroep (toezegging) en de predikant schreef het mij weer met een soort heldere blijdschap, er bij voegend, dat het beroep was uitgebracht met algemene stemmen.

Wie schetst mjjn verbazing, toen er een week daarna weer een brief volgde, waarin de predikant mij vroeg, om nog eenmaal in zijn gemeente een beurt te vervullen, want hij achtte dit noodzakelijk, opdat de gemeente toch goed zou weten, wie zij beroepen had.

Nu, het is waar; men kan, met een domine of candidaat éénmaal te horen, ook wel eens een kat in de zak kopen.

Ik heb echter gemeend, dit verzoek te moeten afslaan en even later voor het beroep naar die plaats bedankt.

TOT JONG CANDIDAATJE.

Als gij maar eerst beroepbaar zijt.
Dan is uw zieltje gans verblijd.
Dit mag dan nu het einde zijn
Ook van de Seminariepijn.
Gij trekt dan veld en wegen op
Met uw cylinder, hoog in top.
Als gij bij „domine” logeert.
Wordt gij meteen reeds bestudeerd.
Het liggen op de legerstee,
Valt in de winter vaak niet mee;
Want kamers van de pastorie
Zijn, als het vriest, wel koud voor drie.
Logeert gij bij een ouderling,
Dat is soms een belangrijk ding.
Hij denkt: „Wat is dat voor een klant?”
En voelt u gaarne aan de tand.
Hij vraagt : „Zijt gij gereformeerd?
En waarlijk ook van God bekeerd?”
Dan preekt gij; doet alweer examen
En met degeen, die vóór u kwamen
Gaat men uw woord dan vergelijken.
Wie 't wint, dat zal nog moeten blijken.
Zo leeft gij in het land der dromen
En denkt: Wat zal er nu weer komen?
Zo vecht gij ook voor uw tropheeën;
Bevaart uw candidatenzeeën.

K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's