Een domine vertelt
V. STUKJES DOMINOCRATIE.
Hiermee zijn wij als vanzelf toegekomen aan een stukje dominocratie.
Reeds naar aanleiding van het gebeurde, in het vorige hoofdstuk vermeld, heb ik mij afgevraagd : Wie beroept nu toch eigenlijk: de weggaande domine of de Gemeente?
Staan niet op vele plaatsen de Kerkeraden onder de voogdij van de predikanten? Hier openbaart zich menigmaal een bedilzieke bemoeizucht, die niet kan worden goedgepraat.
Een predikant wordt beroepen, maar beroept zelf toch niet. Het geven van leiding in dezen mag nooit ontaarden in een persoonlijk influenceren. Ik acht het een verkeerd verschijnsel, wanneer ook predikanten in hoor-commissies worden opgenomen.
Kerkeraadsleden of anderen, die uit de Gemeente daarvoor zijn aangewezen, moeten zelf in deze capabel zijn.
Men heeft de bedenking wel geopperd: Wat moet er dan van de Gemeenten terecht komen? Want ook vele ouderlingen verstaan het horen niet meer.
Wij geloven wel, dat het horen niet ieders werk is en dat er nogal eens vergissingen gemaakt worden; maar zouden deze niet meer voorkomen, wanneer de predikanten dit werk ook al overnamen en hier de toon aangaven?
Veel meer moet er alles op gezet, dat er in de Gemeente mannen gekozen worden, die de gave voor dit werk hebben ontvangen.
Er zullen zeker wel plaatsen zijn, waar de rechte mannen ontbreken, toch is het dikwijls voorgekomen, dat er hier of daar nog wel verborgen krachten lagen, wanneer zij maar werden opgezocht.
Het eenvoudige Gemeentevolk heeft vaak fijnere voelhorens, dan degenen, die uitgezonden waren om een domine te horen. En het is maar goed, dat dat volk niet alles accepteert, waarmee de hoorcommissies wel eens thuis komen.
In elk geval maakt een weggaande domine het niet goed, wanneer er Gemeenten zijn, die het horen niet verstaan, door zich in het geval te mengen.
Ook komt het nog al eens voor, dat een predikant, die afscheid preekt, in zijn bijzondere toespraken er op aandringt, dat er weer een opvolger zal worden beroepen, die „in zijn geest” voortarbeidt.
Nu weet ik maar al te goed, dat de toestanden in onze kerk deze dingen begrijpelijk maken, wanneer het werkelijk om het behoud der Waarheid gaat.
Ofschoon ik mij ook dan niet vlei, dat zo'n laatste vermaning veel zal helpen.
Heeft de bazuin een zeker geluid gegeven, dan weet de Gemeente immers al lang, hoe wij er over denken. Dat make een ieder voor zich zelf nu maar uit.
Doch zo er van het wezen der Waarheid geen sprake is, wat wil men dan met die aparte wenk? Moet er in de geest van een mens voortgearbeid?
Wat wil ik nu toch met mijn oude Gemeente als God mij werkelijk naar een andere riep? Wil ik soms de lakens nog blijven uitdelen ook na mijn heengaan ?
Door het bovengenoemde is al zoveel bedorven. Hoe dikwijls wordt er een man gezocht, die geheel past of zich aanpassen wil in het kader van de voorganger. En komt die opvolger, dan staat hij daar van meetaf in een soort gebondenheid. Dan moeten er heel wat gevoeligheidjes worden ontzien of er wordt direct ach en wee! geroepen.
Wat wordt er somtijds wonder omgesprongen met de predikbeurten, op alleszins bedenkelijke wijze. Hoe dikwijls is het al een twistpunt geweest; van wie de aangewezen beurten nu toch eigenlijk zijn: van de Kerkeraad of van de Predikant? Die strijd is in onze Kerk eigenlijk nog nooit beslist.
Ik vraag mij af: moest dit eigenlijk wel een twistpunt zijn? Het zal het dan allicht niet worden, waar men samen staat op de grondslag van Gods Woord en onze Belijdenisschriften.
De twist openbaart zich meestal bij de afwijking daarvan.
Men had het hier nog al eens over het juridische standpunt. Welnu: gaat het hier om onze rechten? Het gaat om Gods recht.
Ik vraag: kan het in overeenstemming zijn met Gods recht, wanneer ik meen, met mijn beurten te mogen doen, wat ik wil?
Het is toch een heel verschil of ik meen: de beurten zijn van mij of: de beurten zijn voor mij.
Dat zij van ons zijn, ons eigendom, dat kunnen wij nooit waar maken. Wel, dat zij voor ons zijn, dat wil zeggen: ons zijn aangewezen. Dan ligt hierin toch meteen onze beperking. Wij zijn daartoe geroepen, dat in onze Dienst het. Woord Gods verkondigd worde en niets .anders. En zonder daarbij het knechtje van Ouderlingen te willen wezen, staan wij toch in Dienstbetrekking.
Hier heeft de Kerkeraad ook wel degelijk zijn rechten en plichten.
Onze oude kerkelijke Reglementen zijn ook in dit opzicht al te voorzichtig door van de werkzaamheden van de (Bijzondere) Kerkeraad te zeggen: „Aan hen is opgedragen de zorg voor de betamelijke viering van de openbare godsdienstoefeningen in het algemeen, waarvan getal, tijd en plaats door hem geregeld worden…..”
Dat is eigenlijk alles. Van de inrichting van de Eredienst moet de Kerkeraad verder afblijven (volgens Art. 22 Regl. op de Kerkeraad). Want van de Predikanten luidt het: „Bij de leiding van de Openbare Godsdienstoefeningen gaan zij, zowel in het algemeen, als in het bijzonder, met betrekking tot het gebruik van de Heidelbergse Catechismus, de liturgische schriften enz………… naar eigen oordeel te rade met de godsdienstige behoeften hunner Gemeenten.”
Dus of er Catechismus gepreekt zal worden of niet, dat maakt de domine zelf uit. Of hij eens aan het liefhebberen wil gaan met betrekking tot het invoeren van de een of andere liturgie, wie doet hem wat? Hij heeft de Reglementen mee. Zó kan men in de Kerk kerkje spelen op eigen hand.
De dominocratie wordt door dergelijke Reglementen der Kerk zelf in de hand gewerkt.
Het niet handhaven der leer brengt dit van zelf mee. Trouwens hieruit komen alle bedenkelijke dingen voort.
Ware ook een en dezelfde Liturgie inzake de Openbare Eredienst voor de gehele Kerk niet zeer wenselijk?
K.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's