Een domine vertelt
Va. DOMINOCRATIE
Het staat de predikanten allerminst vrij, hier telkens andere proeven te nemen.
Hoe dikwijls heb ik mij in de laatste tijd min of meer een vreemdeling gevoeld in mijn eigen Kerk.
Men weet nooit van tevoren, hoe de Dienst geregeld is. Zouden er eigenlijk wel twee predikanten zijn, in de hele Kerk, die op de zelfde wijze de Dienst leiden?
Het votum van de een is heel anders dan dat van de ander. De één heft beide handen op bij het uitspreken van de zegen; de ander één hand.
De één daalt na het eindvotum terstond van de kansel; de ander blijft nog even staan in stil gebed.
In de ene Dienst wordt rhytmisch gezongen; in de andere Dienst weer niet.
De éne leest de Wet zonder de hoofdinhoud uit Matth. 22 vs. 37–40; de andere leest de hoofdinhoud er bij. Een derde leest alleen het laatste; een vierde leest in 't geheel geen Wet.
De een laat zingen na de Wet; de ander niet.
De middenzang uit de preek is meer en meer aan het verdwijnen.
De bediening van de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal heeft door bijna niemand op dezelfde wijze plaats.
De een houdt een toespraak tot de ouders na de Doop; de ander vóór de Doop. Een derde houdt in 't geheel geen toespraak.
De een laat gezangen zingen; de ander niet.
Ik heb hier alleen op het oog de rechtzinnige gemeenten.
Van rhytmisch zingen gesproken: Och neen, een principiële kwestie is het voor mij eigenlijk niet. Er is geen enkel heilsfeit in het geding; geen enkel dogmatisch stuk.
Maar als ik dan weer voel, dat in dat snelle, rhytmische zingen ook het jachterige van deze tijd weer zit, dan wens ik het voor de gemeente niet.
Sommigen zeggen: „Rhytmisch zingen is ouderwets, want de hele en halve noten staan al in onze oude Psalmboeken. (Zó wil men het den volke aannemelijk maken).
Maar hoe komt het dan, dat men toch weer tot de andere wijze van zingen overging? Was het niet, omdat het in de practijk bleek, dat het rhytmisch zingen toch eigenlijk niets is voor onze eenvoudige kerkmensen?
Waarom zal ik hen overhaasten en mag hun niet rustig de tijd worden gelaten, om de inhoud der woorden en zinnen te overdenken? Ik ijver allerminst voor een ander uiterste, waarin een mens bij het zingen adem tekort komt voor één lettergreep.
Toch blijf ik geloven, dat onze Psalmen zich voor het rhytmisch zingen niet lenen.
Nooit mag in de Eredienst dit de overhand krijgen: het haasten om klaar te komen. Hier hoede men zich voor dwaze doordrijverij. Is dit tenslotte ook niet één van de kerkelijke zonden: men springt van de hak op de tak. Men grijpt naar al wat rondom ligt en heeft de kwaal in eigen binnenste niet bezworen.
De gewone prediking des Woords is niet voldoende meer. Men bedenkt wat anders, om de Dienst zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor de nieuwelingen. Maar men mag toch om der wille van hen die nieuw binnen kwamen, de eigenlijke Gemeente niet vergeten. Zeker moet er iets gedaan ten opzichte van de wereld. De Kerk mag predikanten benoemen, wier speciale taak het wordt, te arbeiden onder hetgeen van haar vervreemd is.
De dienstdoende predikanten echter moeten ten zich nu maar blijven wijden aan hetgeen het naast op hun weg ligt.
Want vooral in de grote steden is het een hopeloos geval. Het is een rennen heen en weer; van het een naar het ander. Comité op comité; commissie op commissie.
Waar zijn toch de dominees? Thuis zijn zij niet. Zijn zij op huisbezoek? Meen niet, dat ik hen ga beschuldigen. Onder hen zijn vele getrouwen; maar voor rustig huisbezoek is er geen tijd meer.
O ja, daar worden nog wel mensen afgedraafd. Er zijn er, die beweren, dat zij 50 gezinnen in de week „doen”. (Dat is op zijn Amerikaans gezegd).
Wanneer gij dan maar inbegrepen acht hun visitekaartje, dat zij in de bus wierpen bij de helft, die niet thuis was.
Als men maar begrijpt, dat de huisgezinnen meer nodig hebben, dan om even in kaartsysteem vastgelegd te worden, in naam in aantal, en inzake: meelevend of onverschillig.
Ik zal dat papier- en kantoorwerk niet verachten, maar onderstreep tegelijk: Nu moet het eigenlijke werk nog komen.
Hier hebben de dominees niet alleen schuld. Of het moest zijn, dat zij geen spelbreker durven wezen en de moed niet hebben, om geen zitting te nemen in wat niet strict op hun weg ligt.
Een goede preek blijft toch een heel voornaam ding in een grote stad. En die de hele week verloopt, tot de Zaterdag toe, kan onmogelijk met degelijk werk op de kansel komen, ook al schudt hij van alles uit de improvisatiemouw.
Intussen is het mogelijk, dat bovengenoemde „vrijbuiterijen” door het kerkelijk gebeuren dezer dagen spoedig worden achterhaald; dat alle Reglementen, en Artikelen worden opgeheven, die daartoe aanleiding geven.
Maar evenzeer: dat daartegenover een andere Kerkordedwang zal verrijzen, die wij, om des beginsels wille nooit zouden kunnen aanvaarden. Die verandering zou dan allesbehalve een verbetering zijn.
***
Er is nog een klein terrein, waarop domine, als hij niet onder de plak van de Kerkeraad zit, menigmaal de alleenheerser is.
Dat is zijn vacantie. Hij regelt die zelf.
De bescheiden predikant neemt twee of drie Zondagen.
Er waren er ook wel, die met 7 ternauwernood tevreden waren. En dan gingen zij toch heus niet naar Palestina, maar bleven binnenslands, terwijl zij ook gezond van lijf en leden waren.
Verlangen zij dan nooit eens naar hun Gemeente terug? Als zij straks terugkeren, doen zij haast weer intree.
Een weinig kiesch gevoel zou hier, dunkt ons, ook wel te pas komen. Wij voelen de moeilijkheid van het treffen ener uniforme regeling. De arbeid van de een is afmattender dan van de ander.
Niet allen kunnen ook even gemakkelijk worden gemist.
De Kerk zelf wil ons in deze niets voorschrijven en laat dat liever over aan het eer- en plichtsgevoel der predikanten.
Maar als deze erekwestie nu hier en daar op een schandekwestie uitloopt, moet dan het voorschrift niet volgen, dat, naar wij menen, toch al wel eens ter tafel lag?
De dominocratie heerst hier en daar vrij sterk
In onze Nederlands Hervormde Kerk;
't Zij dat men nog al eens de Kerkeraad passeert
En alle geestlijk werk toch liever zelf beheert;
't Zij men de teugel viert aan vrije fantasieën;
Eenvoudig proefstoomt met zijn eigen liturgieën.
Men stelt het voor, als was men zelf de Kerk
En decreteert vaak zonder paal of perk
Wat van de Kerk niet eens afkomstig is;
Althans door haar nog niet besloten is.
Liep er van stapel zelfs een andere vertaling.
Terstond heeft iemand aan de oud're al weer maling.
Ook preekt hij in beroepingswerk wel mee
En steekt met eigen caindidaten vaak in zee.
Een dominee is wel een hele „heer”.
Toch is hij ook maar dienstknecht en niet meer.
Al zit hij ook in allerlei besturen.
De Kerk is niet gediend met zijne kippekuren.
(Wordt vervolgd).
K.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's