Bede om Genade
Een lied Hamaäloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit. Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw: alzo zijn onze ogen op de HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig zij. Zijt ons genadig, o HEERE, zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat. Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen. Psalm 123.
Luther heeft eens gezegd: „In de Psalmen leest ge Gods kinderen in het hart”. En dat is ook zo. De Heilige Geest heeft in de kostelijke Psalmbundel vooral de leidingen Gods met Zijn volk en de ervaringen van hun leven getekend. Er is geen weg, waarin de Heere met Zijn kinderen wandelt, of ge vindt die bezongen in de Psalmen. Het zuivere werk Gods, de ware ondervinding der heiligen, spreekt er zich helder in uit. Daarom zullen zij, zolang er een Kerk van Christus is op aarde, gezongen worden.
Daarbij, in de Psalmen groepeert zich toch alles weder om de Christus; wie de Messias er bij vergeet, mist de sleutel tot rechte kennis dezer geestelijke liederen. Een deel van onze Psalmbundel bestaat uit de zogenaamde „liederen Hamaäloth”. We vinden ze onder de nummers 120 tot 134. „Liederen Hamaäloth” wil zeggen: „liederen der opgangen”. Het waren Psalmen, die door de feestgangers gezongen werden bij hun opgaan naar de Tempel op de drie grote feesten te Jerusalem. Jerusalem lag op de bergen; men moest altijd omhoog, vandaar dat ge telkens leest van een opgaan naar Jerusalem.
Iemand heeft eens zo juist gezegd: „Ga opwaarts, ga opwaarts, mijn ziel!” moet het wachtwoord wezen van hem, die tot de betekenis van deze Psalmen wenst door te dringen. Ze zijn een Jacobsladder, welker voet staat op de aarde, en welker top reikt tot aan het hemels Jerusalem!”
Mogen ze dat ook voor u zijn! In het bijzonder de Psalm, die wij ter overdenking kozen.
Was Psalm 120 een treurlied in de vreemde, waarin vertolkt wordt het heimwee der vromen om uit hun goddeloze omgeving weg te komen naar Jerusalem, in Psalm 121 beluisteren we hun reislied. Psalm 122 roept ons hun beeld voor ogen, zoals ze met oog en ziel vol verrukking staan in de poorten der Heilige Stad, en Psalm 123 laat ons horen wat ze in Jerusalem komen doen: daar slaan ze het oog op naar de Almachtige en Verhevene, die in de hemelen zit, hun oog is op Hem gericht „gelijk de ogen van de dienstknechten (slaven) op de hand hunner heren, en gelijk de ogen der dienstmaagd (slavin) op de hand harer vrouw”.
Wij vinden in deze Psalm een klaagtoon tot Jehova opgezonden. Met zekerheid weten we noch de naam van de dichter door wie, noch de tijd wanneer deze is vervaardigd. Wel geven de laatste verzen ons de omstandigheden aan. Een godvrezend Israëliet zucht hier onder de smaad en spot van zijn vijanden. Hij spreekt hier echter niet alleen voor zichzelf, maar tevens uit naam van zijn verdrukte medegelovigen, uit naam van „de verdrukte Kerk”. Immers het „ik” uit het eerste vers, waarin een persoonlijke zielsuiting gehoord wordt, gaat al spoedig over in een „wij” en een „ons”, waardoor de gemeenschappelijke ervaring vertolkt wordt van het volk, waarmee de Psalmist zich één wist. Maar dan zijn de vijanden, die spotten en smaden, ook niet zijn persoonlijke, maar vijanden van zijn volk, dus niet-Israëlieten, heidenen, die hetzij veraf of in de onmiddellijke nabijheid wonen.
Sommigen denken hier aan de vijandschap der Assyriërs onder koning Hizkia's regering; anderen aan de grote ballingschap van Israël, toen het volk door de hovaardige en weelderige Babyloniërs werd veracht en bespot, vooral met het oog op de langdurige smaad, in onze Psalm beschreven, waardoor men zat werd van de verachting. Maar hoe dit zij, we kunnen met Junius boven deze Psalm schrijven: „De Kerk, zwaar verdrukt, verheft zich tot de Heere en, smeekt om genade”.
Die bede om genade openbaart zich in:
I. Een smekende blik.
II. Een vertrouwende blik.
I.
God heeft de mens zó geschapen, dat hij hetgeen hij in het diepst van zijn ziel gevoelt, ook naar buiten kan openbaren. Hij gaf de spraak en de taal, waardoor de mens wat innerlijk in de ziel leeft en omgaat, kan uiten. Het oog is de spiegel der ziel. Daar ligt een sprake ook in dat kleine oog. De Heilige Schrift spreekt immers van een eenvoudig oog, ja, er staat, dat de kaars des lichaams het oog is, en dat, als uw oog boos is, het gehele lichaam duister is. Welk een verschillende sprake kan er uitgaan van 't oog! Het menselijk oog kan ook smeken. Het vertolkt dan de smart en het verdriet dat de ziel doorwondt, het getuigt van zo nameloos lijden en kruis. Er zit echter ook richting in dat smekend oog. De dichter van onze Psalm gebruikt zijn ogen om die op te heffen naar omhoog. Schreiend en smekend vertoont hij zijn leed aan de Heere: „Ik hef mijn ogen op tot U, „die in de hemelen zit. Zie, gelijk de ogen der knechten (dat is der slaven) zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd (dat is der slavin) zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op de Heere, onze God, totdat Hij ons genadig zij!”
Dit beeld kan op verschillende wijze worden uitgelegd en toegepast. De hand van heer en vrouw bestieren alles in het huis, en de ogen van slaven en slavinnen hebben op die hand acht te geven, teneinde aan de bevelen en wenken van die hand te voldoen. De hand van heer en vrouw beschikken aan slaven en slavinnen hun nooddruft, en zij hebben op die hand te zien om daarvan de vervulling hunner behoeften te verwachten. De hand van heer en vrouw bestellen temidden van hun grote slavenstoet het recht, en de ogen van slaven en slavinnen hebben op die hand te zien om de beschikking van het recht te ontvangen. En dit alles laat zich ook zonder twijfel toepassen op God: Hij is het, Die wij hebben te gehoorzamen en aan Wie we ons hebben te onderwerpen. Hij is het, van wie we alles hebben te verwachten. Hij is het, tot Wie we hebben op te zien, smekend om ons recht. En zo hebben ook de berijmers van deze Psalm het opgevat, als daar staat:
„Ik hef tot U, die in de hemel zit,
Mijn ogen op en bid;
Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren
Om nooddruft te begeren;
En 't oog der maagd is op haar vrouw geslagen,
Om hulp of gunst te vragen;
Zo slaan wij 't oog op onze Heer', tot Hij
Ook ons genadig zij.
En zeker, wanneer gij het aldus opvat en zingt, dan is dat ook een Schriftwaarheid, en dan hebt ge wellicht een vertroosting ontvangen, als de Heere zich ontfermde op uw ootmoedig smeekgebed.
Maar toch geloven wij dat de bedoeling van de Psalmdichter nog wat verder en dieper gaat. Want als hier sprake is van het zien op de hand van heer en vrouw, dan is het in een zeer bepaalde zin bedoeld, die uit het gehele verband van de Psalm duidelijk naar voren komt. Wanneer een slaaf of slavin zien op de hand van hun heer of vrouw, kan het ook om deze reden zijn, dat die hand tegen hen is opgeheven om hen te tuchtigen. Wanneer slaaf of slavin zich hadden misgaan, dan stond het in de macht van hun meester of meesteres hen lijfstraffelijk daarvoor te doen boeten. En nu tekent ons de Psalm zulk een slaaf of slavin, neergezonken op de knieën onder de felle slagen van de hand, die de roede heeft opgeheven en waarmede ze een gevoelige tuchtiging ontvangen, de ogen smekend omhoog gericht, groot, angstig, vol tranen, al maar starend op die hand, of die ook nog weder zal neerdalen en opnieuw striemend zal slaan, of — dat wellicht aan de toorn van meester en meesteres een einde zal komen. Daar staat in die omhooggerichte ogen een bede te lezen, een smeekbede om erbarming. Aldoor blijven die slavenogen in angstige spanning, in roerende smeking op die hand gericht, tot eindelijk deernis de vertoornde meester of meesteres bevangt, en de hand aflaat van slaan: totdat zij genadig zijn.
Zo gevoelt nu ook Israël, waarmee de dichter zich één weet, de tuchtigende hand des Heeren. Ook Israël heeft zich misgaan, het heeft gezondigd en gedaan wat kwaad was in 's Heeren oog, en het moet krimpen onder de striemende slagen der Goddelijke roede. Maar nu is ook Israëls oog omhoog gericht op die hand des Heeren, totdat Hij genadig zij. Onafgebroken staart het oog smekend om genade op de hand van die God, die Zijn volk bezoekt om zijn zonde.
Die Goddelijke tuchtiging ziet Israël in de verachting en de spot, die het van zijn heidense tegenpartijders te verduren heeft. Israël komt niet met verontwaardiging tegen die verguizing op, omdat het mensen zijn, waarvan het die moet ondervinden, — o, dat zou anders zo echt menselijk zijn, — maar de dichter laat Israël ook in dat boze doen van zijn tegenpartijders erkennen de slaande hand Gods.
Dat is iets, waartoe wij niet gemakkelijk komen. Wij zijn zo geneigd aldoor maar te blijven zien op die mensen, die ons zoiets aandoen, en het valt ons zo zwaar in hen slechts instrumenten te zien, waarvan de Almachtige zich bedient. Toch moet het zo wezen, en de dichter laat zich Israël hier op het enige juiste standpunt plaatsen, als hij met het oog op de boze bejegening, die het van heidense hovaardigen ondervindt, het niet in de eerste plaats laat vragen om recht, maar laat smeken om genade. Onder die hoon van mensen laat hij Israël het oog richten op God, tot Hij genadig zij. En als hij Israël laat vragen om verlossing van die hoon, laat hij het doen in de vorm van een bede om „genade”. Want Israël draagt in die hoon zijner vijanden de Goddelijke tuchtiging om zijn eigen zonden.
Daarom kan echter wel die hoon schier ondragelijk worden. Dat horen we in de zieleklacht: „Wij zijn der verachting veel te zat, onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen”. Zoals wie verzadigd is, geen spijze meer tot zich nemen kan, zo is de verguizing die Israël heeft te verduren tot een overlopende maat geworden, er kan nu niet meer bij, het is niet langer uit te houden. O, daarom smeekt Israël zijn God zo dringend om genade, gelijk zulk een arme slaaf of slavin, neergestriemd door de slagen, het niet langer kan uithouden, en uit de grote smekende ogen de bede oprijst om genade, om sparende ontferming, opdat het niet kome tot algeheel bezwijken, zo stijgt ook uit Israëls ziel de smeekbeê om genade, o, het leed zou te veel worden: „Ach, Heere, spaar Uw volk, betoon het Uw ontferming!”
Dat elk verdrukt' Uw bijstand eens erlang',
Laat, laat Uw volk niet schaamrood wederkeren.
Maar wil van hen ellend' en nooddruft weren.
Opdat z' Uw Naam verheffen in gezang!
Geliefden, wat zou het goed en gezegend zijn, als wij ook alzo mochten zien op de hand des Heeren! Ja, in het levensleed dat ons overkomt, wat het ook zij, misschien ook wel smaad en minachting van verwaten vijanden des Evangelies, maar mede in allerhande andere bezwaren en tegenspoeden, die het leven met zich brengt, hebben wij de tuchtigende hand des Heeren te zien. Wanneer ons de tegenspoed treft en slagen op ons neerkomen, wanneer ons zelfs om des Evangelies wil de goddelozen smaden en spotters durven vragen: „Waar is God, Die gij verwacht?”, hebben wij allereerst te gedenken aan onze zonden en te gevoelen dat ons niets onbillijks overkomt. Zeker, zó is het niet altijd, en zo is het gewoonlijk niet dadelijk. Als het zo wordt, is het gemeenlijk na ernstige zieleworsteling. Onze eerste neiging is te vragen naar het „waarom?” en in dat vragen naar het „waarom?” ligt een verborgen afkeuring van het Goddelijk beleid uitgedrukt. Maar dat „waarom?” moet worden onderdrukt. We moeten het altoos weer leren belijden, dat het om onze zonden is, en dat de Heere recht is in al Zijn weg en werk.
De Almachtige doet ons geen onrecht aan, wanneer Hij ons tegenkomt, wij hebben het méér dan verdiend. O, dat ons oog toch maar waarlijk voor onze zonden moge geopend zijn, en dat wij de Heere leren erkennen in de Majesteit van Zijn recht! En dat het ook bij ons zij of worde, dat onze ogen gericht mogen zijn op de opgeheven hand des Heeren, gelijk de ogen van slaaf of slavin zijn gericht op de slaande hand van meester of meesteres, totdat Hij ons genadig zij!”
„Genade” hebben we van node, om genade moeten we leren smeken. Ja, waarlijk, geliefden, ge gevoelt het, dat gaat niet gemakkelijk. Dan moet alle eigen hoogheid verbroken worden, dan moet er bij onszelf niets goeds overblijven, dan moeten we tegenover de Heilige God niet anders dan verdoemelijke zondaars zijn. En daar willen we uit onszelf niet aan. We willen toch zozeer nog iets goeds in onszelf overhouden, we willen toch zozeer nog enig beroep doen op onszelf. Te smeken om „genade”, dat is geheel af te zien van onszelf, ons alle ellende en alle ramp ten volle waardig bekennen, en meer nog dan dat. O, dat valt zo bitter zwaar. En toch moet het daartoe komen, want wij hebben in onszelf niets goeds en alleen „genade” kan ons behouden.
Maar daartoe komt het uit onszelf niet. Als het daartoe komt, is het alleen door het wederbarende werk des Heiligen Geestes in onze zielen. Genade begeren we alleen door genade. Doch daarom heeft het zo'n grote troost, wanneer de smeking om genade uit onze ziel geboren is. Ja, dan kan het ons bang zijn, wanneer we ons gevoelen als schuldige slaven en slavinnen, tegen v/ie de Heere Zijn kastijdende hand heeft opgeheven, doch dan mogen we toch onze ogen niet alleen smekend, maar óok vertrouwend omhoog heffen, want de hand die ons in schuldgevoel nederwierp is dezelfde hand die ons genade biedt.
II.
De blik waarmede Israël op God het oog heeft gericht, is niet alleen een smekende, maar ook een vertrouwende blik. Israël weet het: die hand welke tuchtigt is ook de enige, die verademing schenken kan. En Israël vertrouwt ook: die hand is het, die gewillig is om verademing te doen komen. Die trek van vertrouwen loopt als een gouden draad door de gehele Psalm. In elk woord der smeking voelen we als ondergrond het vertrouwen, dat God horen zal. Het „Kyrie eleison”: „wees ons genadig, Heere!”, is geen wanhoopskreet, maar de roepstem der hope. En vooral de aanvang van het lied laat het vertrouwen doorschemeren: „Ik hef mijn ogen op tot U, die in de hemelen zit”. Daarin kunnen we toch moeilijk anders horen dan de belijdenis van het gelovig vertrouwen dat die hoog verheven God, Die in de hemelen gezeten is op Zijn troon en Wiens schepter zwaait over heel de wereld, de ellendige die tot Hem roept, horen en helpen zal. Het is hetzelfde als in het gebed, dat de Heere Jezus Zijn discipelen leerde: „Onze Vader, Die in de hemelen zijt!”, waarvan onze Catechismus de korte en duidelijke verklaring geeft: „Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aards zouden gedenken, en van Zijn almacht alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten. En inderdaad, voor dat vertrouwend verwachten is reden. Er kan met zo goede grond aan de Almachtige gevraagd worden: „wees genadig!”, want Hij is genadig. O, hoe menigmaal komt het in deze zondige en afschuwelijke wereld voor, dat de stem van een ellendig mens roept en krijt tot zijn medemens om deernis, om medelijden — maar daar is geen medelijden. En als God nu was gelijk de mensen, wat zou het dan baten tot Hem om genade te roepen? Maar God is genadig, en daarom kan de ziel met vrijmoedig vertrouwen om Zijn genade smeken.
Dat was ook aan de dichter en oud-Israël. de Kerk, in wier naam hij spreekt, bekend. Zij riepen tot de HEERE, Jehovah, die trouwe Verbondsgod, die zich aan Mozes geopenbaard had als: „Heere, Heere, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid”. En had dat volk het in zijn historie ook niet keer op keer ervaren, dat de Heere, ja ongetwijfeld over Zijn schuldig Israël wist te toornen, ontzaglijk wist te toornen, maar dat Hij, als het om genade riep, óok altijd weer genadig wilde zijn. Zou de Heere zich dan thans doof houden? Zou Hij thans niet genadig zijn? Zou Hij thans niet horen naar het klagend geschrei van Zijn volk? Ook Asaf stelde zichzelf deze vraag, toen hij zong:
Zou God Zijn genâ vergeten.
Nooit meer van ontferming weten,
Heeft Hij Zijn barmhartigheên
Door Zijn gramschap afgesneên?
Waarop deze angstige klager zelf het antwoord geeft:
'k Zei daarna: dit krenkt mij 't leven,
Maar God zal verand'ring geven,
d' Allerhoogste maakt het goed,
Na het zure geeft Hij 't zoet!
Hoe geplaagd zich Israël in de dagen van Psalm 123 ook mocht gevoelen, hoe ook zijn ziel moest klagen over verzadiging van spot en veraching der weelderige hovaardigen, hoe ook het leed bijna te zwaar was geworden, niet meer uit te houden schier, — toch kon de toon van vertrouwen doorklinken in de smekende klacht: de Heere zou Zijn roepend volk genadig zijn. Daaraan behoefde geen twijfel te bestaan. Maar hoe is dat mogelijk, zult ge zeggen? Om der wille van en in het Zoenoffer, in de tempel gebracht, dat hen sprak van vergeving en genade. Ja, Hij was hun tot een vergevend God, schoon z' ook om hun zonden straffen ondervonden.
Ook in deze Psalm loopt een weg naar de Christus, door Wiens zoenoffer God genadig kan zijn zonder krenking van Zijn heilig recht. De oorzaak en de zekerheid dier Goddelijke genade ligt dus in dat wondervolle kruis op Golgotha, waar de Zone Gods in ons vlees heeft geleden voor Zijn volk en de toornegloed Gods heeft geblust in Zijn bloed. Daar aan dat kruis heeft Christus verkeerd in die gestalte der slaven, tegen wie de hand van de vertoornde meester is opgeheven. Daar zijn op Hem fel en striemend de slagen neergekomen, de ontzaglijke slagen van de eeuwige en oneindige toorn Gods. En dat waren niet de slagen, die Hij verdiend had, maar dat waren de slagen voor ònze zonden, zodat reeds Jesaja onder de Oude Bedeling, door Gods Geest wonderlijk verlicht, kon uitroepen, dat Hij „geen onrecht gedaan had, noch bedrog in Zijn mond geweest is, en dat Hij nochtans van God geslagen en verdrukt was”, maar dat dit geschiedde, wijl de Heere „onzer aller ongerechtigheid op Hem deed aanlopen, en — o wonder! — door Zijn striemen is ons genezing geworden!”
En als dan de Heere Jezus Christus door die geweldige slagen van Gods opgeheven hand getroffen wordt, en als weelderige spotters en verachtende hovaardigen durven vragen: „Waar is God, Die Gij verwacht?”, dan richt Hij niet smekend de blik omhoog om genade, — dan begeert Hij niet afwending van het lijden, — o, indien Hij dat gewild had, het had Hem slechts één woord tot de Vader behoeven te kosten —, maar dan wil Hij die slagen geheel en ten volle dragen. Hij wil àl die slagen verduren, die óns hadden moeten treffen.
Daarin zien wij zo aangrijpend, dat God genadig is, dat kruis van Golgotha predikt het ons weer gedurig, en daarom mogen wij met vast vertrouwen, gebukt onder onze schuld en ellende, het oog omhoog heffen en zien op de Heere, totdat Hij ons genadig zij. Stelt daarom, geliefden, uw hoop en uw vertrouwen op die genade Gods. Aarzelt niet om u tot de Allerhoogste te wenden met uw roepen om erbarming; dat kan niet tevergeefs zijn! Zou God Zijn genâ vergeten? Neen, niet waar? dat is onmogelijk, dat is de ongerijmdheid zelf. Weest er zeker van, als ge tot God om genade roept, pleitend op het bloed van Christus, dan zult ge die verkrijgen. Uw roepen mag in vast vertrouwen geschieden. Twijfelt niet, al moet ge u van nóg zo vele en grote zonden aanklagen, al zijt ge zo verdorven als de tollenaar of als de moordenaar aan het kruis, of als een zelfvoldane eigengerechtige Parizeer, die echter zijn gerechtigheid heeft leren kennen als een wegwerpelijk kleed, wendt u dan, wie gij ook zijt, met volle vrijmoedigheid en vast vertrouwen tot God om genade, gij zult die zeker vinden in Jezus Christus, onze Heere!
„Totdat Hij ons genadig zij!”
Ja, zegt ge wellicht, 'k liet niet af mijn hart en oog op te heffen naar omhoog, maar de Heere antwoordde niet; dan roepen wij u toe: houd nochtans vol; de Heere komt op Zijn tijd. Let eens op de herhaling van die bede in onze Psalm: „Zijt ons genadig! o Heere”, „Zijt ons genadig!” Het echt geloof geeft het niet op en de hope is standvastig. Immers het is niet een ogenblik zien op de Heere, niet een gebed der wanhoop, maar der hope. Al is de uitkomst niet terstond merkbaar, er is geen loslaten. Er spreekt hier iets uit van Jacobs worsteling: „Ik laat U niet los, voordat Gij mij gezegend hebt!” Of van de Kananese vrouw, die niet opgeeft voordat de Heere zich ontfermd heeft over haar en haar dochterke.
Hoe gans onderscheiden is de angstkreet der wanhoop van het angstgeroep in onze Psalm. Hier een vastklemmen aan de Heere, hun God, een gestadig houden van de blik op Jehova, een roepen, waarin de kracht des geloofs, de troost der hope en de liefde tot Jehova zich uitspreekt.
En wanneer eenmaal al de Zijnen voor goed zullen bevrijd zijn van alle leed, zal God spotten als de vreze komt dergenen, die hier Hem en Zijn Gezalfde en Zijn volk hebben verworpen; dan zal Hij lachen, als hun verderf komt! Dan zal alle hoogmoedige en weelderige een stoppel zijn, maar voor wie des Heeren Naam vreesde, gaat de Zon der gerechtigheid op, en al het leed, ook door spot en verachting, zal dan vergeten zijn voor eeuwig! Dan gaat in vervulling:
„Gij zult Uw volk een schuilplaats wezen;
Gij bergt hen in het licht Van 't godd'lijk aangezicht,
Daar zij geen leed van trotsen vrezen;
Een hut, waarin zij 't woelen
De twist der tong niet voelen”.
Amen.
Jaarsveld.
J. ENKELAAR.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's