De gevaren van de orthodoxie
De Orthodoxie brengt zijn eigen gevaren met zich mee. Uit de aard der zaak zijn het andere dan die van het modernisme, maar dat neemt niet weg, dat het gevaren zijn. Een daarvan is de onderstelling dat het Christendom slechts bestaat uit een verstandelijk aanvaarden van zekere objectieve feiten en leerstukken. Doch een louter verstandelijk geloof is niet veel beter dan helemaal geen geloof. „De duivelen geloven ook, en zij sidderen”. We moeten voortdurend waken tegen een verstandelijk beamen, waar het hart en de wil niet bij betrokken zijn. Het nazeggen van de geloofsbelijdenissen maakt niemand een Christen. Het opzeggen van de juiste woorden maakt niemand een Christen. Onze Heidelbergse Catechismus helpt ons terecht dit te begrijpen, door te verklaren: „Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houde dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn harte werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil”. Wat wij nodig hebben is niet slechts dat wij tot in het uiterste trouw zijn aan het onveranderlijke Evangelie, maar ook dat wij ons bewust zijn van het persoonlijke en proefondervindelijke van dat Evangelie.
Missen we misschien morele moed, geestelijke vreugde en een overwinnend leven, omdat we niet ten volle zijn ingegaan in de persoonlijke ervaring van een reddend geloof?
De orthodoxie loopt ook voortdurend gevaar zelfvoldaan, tevreden met zichzelf te worden. Het modernisme is dikwijls ijveriger en strijdlustiger geweest, en heeft zodoende evangelische instellingen buitgemaakt, terwijl de evangelische Christenen sliepen. Wij zijn er tevreden mee geweest, de waarheid van ons eigen kleine hokje te koesteren, inplaats dat wij die waarheid vrijmoedig verkondigden in het aangezicht van een ongelovige wereld. Wij hebben ons laten overbluffen, en hebben ons verschrikt stilgehouden over de grootse, kenmerkende waarheden van het geloof, omdat ze in de vuurlinie lagen. Wij hebben gefaald de strijd voort te zetten tot in het legerkamp van de vijand, omdat we de vrede liever hebben gehad dan de waarheid. Maar zoals dr. D. R. Davies zegt in: „Naar de Orthodoxie”: „Er kan tussen de kerk en de wereld nooit vrede zijn”. Er kan soms een onbehaaglijke, tijdelijke opheffing der vijandelijkheden zijn — —, maar vrede kan er nooit zijn. Ze zijn in een voortdurend conflict gewikkeld, een nimmer eindigende spanning en wederzijdse tegenstand. De kerk kan slechts vrede sluiten met de wereld door zich zelf te verloochenen, want de wereld zal nooit worden wat de kerk zou willen dat ze wordt. Overal waar de kerk met de wereld samenwerkt, is de wereld er in veel sterkere mate in geslaagd de kerk te verwereldlijken, dan dat de kerk de wereld geestelijk beïnvloed heeft. Vijandschap tegen de kerk is de onvermijdelijke en noodzakelijke houding van de wereld”. Evangelische Christenen zijn in slaap gesust door de valse leuze, dat de Waarheid niet verdedigd behoeft te worden, dat die zichzelf verdedigen zou. Evangelische Christenen dienen strijdlustiger te worden, anders zullen zij op het ene slagveld na het andere verslagen worden, terwijl goddeloosheid en ongeloof in de wereld hand over hand toenemen. Indien wij het geloof hebben, en het ook werkelijk geloven, en liefhebben, laten, we dan zijn wat we moeten zijn: een strijdende kerk. Het Nieuwe Testament roept ons op tot de „verdediging en bevestiging van het Evangelie”, tegen alle zonde en ongeloof, waar we die ook ontmoeten.
En soms mist de Orthodoxie die passie en innerlijke ontferming van Christus. Zij spreekt de waarheid, maar niet in de liefde Gods. Soms is zij net zo droog van ogen, net zo koud van hart en zonder ontferming als het modernisme. De ware liefde Gods in onze harten zal een vurige ijver voor onze broeders in het geloof opwekken, en een brandende hartstocht voor hen, die buiten Christus zijn, opdat zij ook gered zullen worden. De zuiverheid van onze geloofsbelijdenis wordt soms waardeloos, omdat wij niet zo ernstig, zo ijverig en volhardend zijn als we zijn moesten en omdat we er niet genoeg van doordrongen zijn hoe verloren de mens is zonder God, en hoe groot Zijn liefde voor zondaars is. Kunnen wij met Paulus zeggen: „Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed dat ik tot God doe, is tot hun zaligheid”?
Richard Baxter, de grote prediker van de 17de eeuw, schrijft in: „Der Heiligen Eeuwige Rust”, deze roerende woorden aan Christenen: „Laat uw vermaning voortspruiten uit innerlijke ontferming en liefde. Het is niet waarschijnlijk, dat schimp en spot de mensen zou veranderen, of ze tot God bekeren. Ga met tranen in uw ogen naar arme zondaars, opdat ze zien mogen dat gij gelooft dat ze rampzalig zijn, en dat gij oprecht medelijden met hen hebt. Treedt ze ernstig en nederig smekend tegemoet. Laat ze zien, dat het de begeerte van uw hart is hen goed te doen, dat gij niets anders beoogt dan hun eeuwig geluk; en dat gij u gedrongen voelt tot hen te spreken, omdat ge u bewust bent in welk gevaar zij zich bevinden, en gij hun zielen liefhebt; en dat, alles omdat gij „de schrik des Heeren weet”, en vreest hen in de eeuwige pijn te zien”.
En Orthodoxie, 't geen betekent „rechtzinnigheid in de leer”, moet voortdurend doortrokken zijn van een diepe, geestelijke ervaring van Gods genade. De woorden van de Bijbel te kennen en ze te ervaren, zijn twee volkomen verschillende zaken. De vervulling met de Heilige Geest, volledige overgave, een geheiligd, toegewijd leven, een overwinnend leven, volmaakte liefde, bezitten wij die werkelijk? Er is orthodoxie die voor het oog goed en zuiver schijnt, maar het zijn woorden zonder muziek, wetten zonder zang. Er is orthodoxie, die gevaarlijk veel lijkt op tweede-hands godsdienstigheid, in plaats van ervaring uit de eerste hand, levende ervaring. Het vuur is te kunstmatig, de ijver schijnt gedwongen, de put is ondiep. Er zijn diepten In de kennis van en de gemeenschap met God, die niemand onzer ooit gepeild heeft. En er zijn misschien gebieden in ons hart, die we niet aan Hem overgegeven hebben. Is er een punt, waarop we Zijn heilige Wil weerstaan? Geven wij in enig opzicht de voorkeur aan onze eigen plannen, boven die van onze Heer? Hongeren en dorsten we werkelijk naar geestelijke dingen? Zijn wij goede getuigen, niet alleen van de verlossende, maar ook van de heiligmakende kracht van het Evangelie? Zuiverheid in de leer is hoogst belangrijk, maar het is nooit voldoende. Kennen wij de Heere? Hebben wij Hem lief met ons gehele hart en verstand en kracht? En zijn wij geheel van Hem?
THE CHURCH HERALD.
(Overgenomen uit „Getrouw”, Oct. '50).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's