De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt

VI. „MET GENOEGEN GELUISTERD

4 minuten leestijd

Een groot dichter heeft gezegd: om iemand te prijzen moet men boven hem staan of tenminste met hem gelijk.

Daar is veel waars in dit woord. Intussen bekoort toch maar al te vaak ook de lof der mindere goden, wanneer men de meerdere niet op zijn hand heeft.

„Met genoegen geluisterd!” Wat zijn er dan voor een jong predikant veel mensen die boven hem staan. Die niet uit diepte luisteren, maar eigenlijk boven het klankbord uit met hem meespreken.

Die mensen bezorgen hem de meeste last. Soms maken zij een preek op eigen houtje en toetsen daaraan die van de prediker of zij wel aan hun schema voldoet.

Of ook: zij hebben bepaalde lievelingsideeën of leven in een bepaalde stemming. Komt de voorganger dan juist in hun lijn of gedachtengang, dan is het in orde. Tot beloning ontvangt hij dan het bewuste prijsje.

Zij lopen gaarne een eindje met hem mee, om het hem apart te zeggen. Want over het algemeen zijn dat de gewichtige personen in de Gemeente; althans de gewichtig doende.

„Met genoegen geluisterd!” Ik heb mij dikwijls afgevraagd, waar die betuiging toch eigenlijk vandaan kwam. Of zij oprecht was of gehuicheld.

Immers, dat woord „genoegen” kan wel eens heel vreemd aandoen. Waarin had men genoegen, wanneer de prediking scherp, terechtwijzend was? Vond men het aangenaam, dat men op zijn eigen Farizeïsme gewezen werd of was het omdat anderen er zo van langs kregen? Want het kan er zo voldaan uitkomen: „domine heeft het weer eens terdege gezegd”.

Voor één ding moet de leraar bijzonder oppassen, dat hij namelijk na de preek vooral geen betuigingen daarover uitlokke. Zal ons eigen geweten ons voor Gods Aangezicht niet zeggen, of de preek goed was of niet? Dat blijft het voornaamste.

Ik heb predikanten wel eens horen klagen, dat hun ouderlingen zo zeggerig waren. Zij moesten ook alles maar aanhoren. Nu eens was het over het een of ander punt van de leer en dan weer botweg: „domine, vanmorgen was het wat dor, niet?” Of: „de vorige week was u zo dor!” En meteen, als zij op de kansel zouden treden, klonk het uit de mond van de ouderling: „Sterkte, domine!” Zoiets als: „ik wens u beterschap”.

Wat vraagt een Evangeliedienaar na de preek, zij het vaak onder bedekte termen, toch altijd weer naar des anderen genoegen? Want door dit te doen heeft hij zelf de deur open gezet, waardoor men een zeker recht meent te verkrijgen voor allerlei opmerkingen. Ik bedoel dat niet dominocratisch, wanneer ik opmerk: zó raakt men er onder. Men mag zich niet afhankelijk voelen van de uitingen zijner hoorders, maar men sta daarboven in de goede zin.

Men moet ook zó durven preken, dat die medepraters nu juist allesbehalve genoegen hebben, dat is: zonder aanzien des persoons. Al mogen wij nooit verheven zijn boven welbedoelde, somtijds rake opmerkingen van eenvoudige mensen, omdat wij vaak lering daaruit kunnen putten.

Om de pluimen der vleiers mogen wij nooit verlegen zijn. In het openbaar niet en in het verborgene ook niet. Want wij zouden Gode de ere onthouden en ontroven.

En ook hier geldt: Al wie naar complimentjes vist, verdient het tegendeel.

Voor de hoorders zou het beter zijn, zo zij konden zeggen: „Ik heb met zegen geluisterd.” Want daarom gaat het toch eigenlijk.

Intussen is de stille instemming des harten met het gepredikte Woord toch meestal het best betrouwbaar.

„Ik heb geluisterd met genoegen!”
Zo heeft mij menigeen gezegd;
Maar of zij 't Woord ook echt verdroegen.
Dat hun in ernst werd voorgelegd?

Zal 't mij direct genoegen baren.
Wanneer mijn harte wordt geraakt?
Wil ik niet gaarn' op and'ren staren.
Opdat de pijl mij niet genaakt?

Ook gij moet u dus niet vergissen.
Die, als uw woord weerklonken heeft.
Naar complimentjes nog wilt vissen:
Of iemand u een prijsje geeft.

Zou God Zijn vonnis wat verzachten.
Als gij iets van Zijn ere rooft?
Wie kaatst, moet toch de bal verwachten;
Critiek u wel een kooltje stooft.

K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's