De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Waar het om gaat

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Waar het om gaat

18 minuten leestijd

Uit een gesprek met iemand, die stellig moet worden gerekend tot degenen, die begeren te leven uit de reformatorische Schriften levensbeschouwing, bleek mij duidelijk, dat er bij een bepaalde groep van gereformeerde belijders ontegenzeggelijk de vrees bestaat voor de consequenties van een — zij het vermoedelijk geringe — mogelijkheid van verwerping der Kerkorde in de vergadering van de verdubbelde Synode. Ik meen er goed aan te doen, deze zaak in dit blad eens nader te bezien, omdat de op handen zijnde dingen toch elk lid der Kerk aangaan.

Het centrale punt, de spil, waarom eigenlijk het gehele ontwerp draait, is artikel X; de andere bezwaren zijn ook wel belangrijk, o.a. dat tegen de ouderling-kerkvoogd, maar art. X is het „hart” van de voorgestelde K.O. Het voornaamste bezwaar van de Studiecommissie van de Gereformeerde Bond tegen dit artikel X is, dat er staat „in gemeenschap met de belijdenis der vaderen”, inplaats van „in overeenstemming met haar belijdenis”. Dit bezwaar wordt door velen, die overigens buiten de Gereformeerde Bond staan, gedeeld, zoals mij o.a. bleek uit de binnengekomen stukken der Classes.

In de Generale Synode, zoals die op het ogenblik is samengesteld, is stellig geen meerderheid te vinden, welke bereid is deze wijziging aan te brengen, en naar mijn mening vermoedelijk al evenmin in de a.s. verdubbelde Synode.

De enige mogelijkheid, dat de Kerkorde — indien art. X zo ongeveer zal blijven zoals het thans is — zou kunnen worden verworpen, ligt naar mijn gevoelen hierin, dat de tegenstemmers van vrijzinnige zijde, die de binding aan de belijdenis in de voorgestelde redactie reeds onaanvaardbaar sterk achten, met de tegenstemmers uit de groep van hen, die de voorgestelde redactie veel te weinig bindend achten, bij elkaar het aantal van 31 stemmen of meer halen. Wil de K.O. doorgang vinden, dan moeten immers, zoals bekend, ten minste 6O van de 90 stemmen er vóór uitgebracht worden.

Het voorafgaande is de lezer, die in dit blad en andere de gang van zaken rondom de voorgestelde K.O. heeft gevolgd, genoegzaam bekend. De reden, waarom ik dit artikel schrijf, is dan ook niet om dit bij wijze van bladvulling nog eens te herhalen, doch ligt in een geheel ander vlak.

Uit het gesprek met de in de aanhef bedoelde man bleek me, dat er tweeërlei vrees leeft in het hart van degenen, die denken zoals hij, en dat er ook verschil van inzicht is omtrent de functie van de belijdenis.

De eerste vrees is deze, dat — indien de redactie „in overeenstemming met” zou worden aanvaard — een ganse reeks justitiële leertuchtprocessen zowel tegen vrijzinnige predikanten, als tegen predikanten van uiterst rechts, daarvan het gevolg zou kunnen zijn. „Zie naar de gereformeerde kerken”, sprak mijn zegsman, „daar is officiëel binding aan de belijdenis en wat zijn de gevolgen daarvan geweest? Alleen maar narigheid! Laat de onverkwikkelijke gang van zaken aldaar voor ons een waarschuwend voorbeeld zijn!”

De tweede vrees is dat er bij eventuële verwerping van de K. O. een vacuum, een luchtledig zou ontstaan, hetwelk een dusdanige bedreiging voor het kerkelijk leven zou inhouden, dat de door de verwerping aangerichte schade veel groter zou blijken te zijn dan de risico's bij aanneming van een K.O., waarin de binding aan de belijdenis door de „soepelere” omschrijving „in gemeenschap met” formeel en juridisch minder sterk is dan door het veel scherper belijnde „in overeenstemming met”.

Mijns zegsman zeide: „We kunnen toch de verantwoordelijkheid niet dragen voor de vernietiging van al het werk, dat tot nu toe verricht is en de gevolgen, welke een verwerping met zich mee zou brengen, alléén maar om het zuiver juridisch verschil tussen de uitdrukkingen „in gemeenschap met” en „in overeenstemming met”. En dat vooral niet, omdat die verwerping alleen kan gebeuren door samengaan met vrijzinnigen, die echter zouden tegenstemmen uit overwegingen, welke lijnrecht tegenover die van de gereformeerden staan”.

Dit gesprek vond schrijver dezes daarom zo belangrijk, omdat hijzelf betrokken is bij de behandeling van de K.O. op de a.s. vergadering van de Gen. Synode, en de reden, waarom hij er thans over schrijft is, dat hij zichzelf en anderen rekenschap wil afvragen van de motieven van de houding, welke moet worden aangenomen en zich open wil stellen voor correcties, indien zijn eigen visie de toets van de Heilige Schrift niet kan doorstaan.

Allereerst dit: een Synodelid, dat bij de eindstemming meent te moeten tegenstemmen, kàn en màg dit niet anders doen dan in het volle bewustzijn dat hij de 31ste tegenstemmer kan zijn en dat hij voor zich persoonlijk dus bereid is de volle verantwoordelijkheid te dragen tegenover God en de gehele Kerk voor de gevolgen van de verwerping, die door zijn stem alléén is geschied. Eén stem boven de 30 is immers voldoende voor verwerping en ieder van de eventuëel 31 tegenstemmers moet het immers zo zien, dat hij die 31ste man is. Een man, die deze verantwoordelijkheid niet durft dragen, mag zich eigenlijk niet beschikbaar stellen als afgevaardigde, omdat hij door gebrek aan geloofsvertrouwen de geloofskracht niet kan opbrengen, die van een afgevaardigde mag worden verwacht.

Zie eens, als je van tevoren duidelijk ziet aankomen, dat de finale lezing van de K.O. gemakkelijk meer dan 60 voorstemmers haalt, dan is het niet zo heel erg moeilijk om tegen te stemmen, als je tenminste nog voldoende courage hebt om als tegenstemmer bekend te worden. De tegenstemmers lopen dan immers niet de minste risico uit hun tegenstem en kunnen, in de kring der hunnen teruggekeerd, met veel bravour op de borst slaan en zeggen: „Maar ik ben er tegen geweest, hoor, maar ja, we waren met te weinigen om tegen de stroom op te roeien”, en er dan heimelijk bij denken: „ik ben er gelukkig voordelig af gekomen en behoef de verantwoordelijkheid van een verwerping niet te dragen”. Zie, deze geestesgesteldheid is verwerpelijk, omdat zij onwaarachtig is.

Want de man, die meent te moeten tegenstemmen, mag dit alleen doen, als hij bereid is de volle verantwoordelijkheid te dragen van de 31ste tegenstemmer.

Vervolgens moet iemand, die meent te moeten tegen stemmen, voor zichzelf ook vaststellen, of de beide hierboven weergegeven uitingen van vrees al dan niet gegrond zijn.

Daartoe dient te worden overwogen, wat de motieven zullen moeten zijn van iemand, die tegenstemt op grond van de overweging, dat art. X, zoals het nú luidt, onaanvaardbaar is, omdat het geen binding aan de belijdenisgeschriften garandeert.

Vooropgesteld dient te worden, dat een K.O. — hoezeer ook een zaak des geloofs in verschillend opzicht — anderzijds toch ook een soort grondwet is van het instituut Kerk in de mensenwereld. Zoals bij alle regelingen in de mensenmaatschappij, dient daarbij naar mijn gevoelen te worden uitgegaan van een basis, welke men gemeenschappelijk aanvaardt.

Het opmerkelijke in de situatie van de Hervormde Kerk is, dat deze basis er is, maar dat men het in onze Kerk ten eerste niet meer eens is over de inhoud van deze basis, en ten tweede het ook niet eens is over de binding aan deze basis. Daarbij dient te worden opgemerkt, dat het tweede logischerwijze uit het eerste volgt.

De grondoorzaak is dus deze: men is het niet meer eens over de inhoud van de basis. Tòch wil men een soort accoord bereiken, en men heeft nu geprobeerd een formulering te vinden, waardoor getracht wordt het oneens-zijn over, het niet meer unaniem aanvaarden van de basis te ondervangen door de binding aan deze basis niet stringent te maken, doch te devalueren tot het onderhouden van een naar believen grotere of kleinere relatie met deze basis. Zó is toch de situatie, nuchter gezien.

De basis zijn de belijdenisgeschriften. Mijn zegsman zei: „Deze dateren van 300 jaar geleden, de tijden zijn inmiddels veranderd, en moet je je nu vastleggen op een antieke basis, hetgeen het gevaar in zich bergt, dat je a.h.w. een levend organisme als de Kerk gaat koppelen aan een versteend bezit?”

Vervolgens zei hij: „Worden hierbij de belijdenisgeschriften niet verre boven hun betekenis uit geheven, wordt daaraan dan niet het gezag toegekend, dat alleen toekomt aan de Heilige Schrift?

Hoe liggen deze dingen?

Om met het laatste te beginnen: in onze Kerk, in deze Generale Synode, heerst heus geen eenstemmigheid als het gaat om de „gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift”. Zelfs onder de vrijzinnigen lopen de meningen hierover sterk uiteen, zoals mij bleek uit artikelen van ds. D. Bakker in „Kerk en Wereld” en van dr. J. P. Cannegieter in „Zwingli”.

Allereerst zou dus duidelijk moeten worden vastgesteld, wat men „gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift bedoeld wordt”.

Als dit wordt opgevat als: enige bron en maatstaf der prediking en als enige regel des geloofs...... in overeenstemming met de belijdenis, dan is het wel duidelijk, hóé het bedoeld wordt. Komt dit er niet bij, dan wordt het aan een ieders persoonlijk inzicht overgelaten, hoever hij bereid is te gaan op dit stuk der gehoorzaamheid.

Dit wat betreft de opvattingen omtrent het Schriftgezag in onze Kerk. Als het daarmee nu zó al is gesteld, dan is het geen wonder, dat er nog meer verschil van opvatting bestaat omtrent het „gezag” van of de „binding” aan de belijdenisgeschriften. Want deze belijdenisgeschriften — daarover zijn we het allen eens — zijn mensenwerk, en dus van secondaire oorsprong, vergeleken met de Heilige Schrift. Het verschil van waardering er van ligt allereerst in verschil van erkenning, òf en in hoeverre zij tot stand zijn gekomen onder de leiding des Heiligen Geestes. Erkent men dit niet of slechts ten dele, dan wordt er òf helemaal geen òf slechts betrekkelijk waarde — en dan nog in allerlei graden — toegekend aan het gezag der belijdenis. (Met „belijdenis” wordt nu en in het vervolg bedoeld: de belijdenisgeschriften).

De vraag is nu: heeft onze belijdenis zichzelf overleefd? Is zij als een grijsaard, wiens hart, ja, nog wel klopt, die nog wel lichamelijk leeft, maar toch niet meer aan „het leven” deelneemt, doch maar zo'n beetje voortvegeteert in afwachting van zijn dood? Wie als vrijzinnig mens er zó over denkt, kan inderdaad niet anders dan tegenstemmen, omdat zelfs de huidige voorgestelde „soepele” binding aan dit z.g.n. antieke stuk, dat evenmin als een tuitlamp uit de vorige eeuw nog practische betekenis heeft, hoogstens vanuit kerkhistorisch oogpunt, dan volslagen onverantwoord zou zijn.

Welke is echter de hoedanigheid van onze belijdenis?

Omtrent aard en karakter der belijdenis kan gezegd worden, dat in de practijk voornamelijk twee opvattingen voorkomen. De eerste is, dat zij statisch van aard is, d.w.z. een eenmaal vastbepaald, feitelijk onveranderbaar standpunt inneemt. De tweede is, dat zij dynamisch van aard geacht wordt, d.w.z. opgevat moet worden als krachtbron, die bovendien zélf de energie nu eens hier, dan weer daar sterker doet uitstromen.

Ontegenzeggelijk moet worden vastgesteld dat er bij verschillende gereformeerden de opvatting, resp. de neiging overheerst, om de belijdenis toch wel hoofdzakelijk statisch van aard te zien. Dit bergt niet alleen het gevaar van verzwakking en vervlakking in zich, maar het nog veel grotere en ernstigere, dat inderdaad — zij het dan niet met zoveel woorden — aan de belijdenis een gezag wordt toegekend, dat wezenlijk alleen aan de Heilige Schrift toekomt. Dit gevoelen komt in de practijk naar mijn mening meer voor, dan menigeen voor zichzelf zou willen erkennen.

Naar mijn mening is de opvatting, dat de belijdenis statisch van aard zou zijn, principieel verkeerd.

Immers, hoe is de belijdenis ontstaan?

De kerkgeschiedenis leert, dat de belijdenis in de loop der eeuwen is ontstaan als verweer tegen de telkens opkomende dwalingen. Het is telkens weer gebleken, dat het nodig was, dat de Kerk duidelijk uitsprak hoe haar gevoelen was tegenover allerlei dwaalleer, welke de Kerk binnensloop. In diepste wezen is de belijdenis tegenover de dwalingen en apologie (verweer) en tegenover de leden der Kerk een richtsnoer voor juist, bijbels denken.

Deze zienswijze betekent, dat naar mijn gevoelen de belijdenis een dynamisch karaktes heeft, en ten tweede, dat we voorzichtig moeten zijn met te zeggen, dat dit of dat deel er van verouderd is. Zo herinner ik mij, dat er een tijd is geweest, waarin men de Catechismuspreek over de Paapse Mis — Zondag 30 — toch „uit de tijd vond”; dat was nodig in de tijd van de strijd tussen Rome en de Reformatie, „nu” niet meer — zo sprak men toen. De practijk heeft ons echter geleerd, dat het Roomse gevaar in onze tijd weer zeer acuut is geworden en het afkondigen van het dogma van Maria's ten hemel opneming op 1 November van dit jaar spreekt in dit verband boekdelen. De apologie tegen Rome in onze belijdenis is opnieuw zeer actuëel; men zij dus op grond van de ervaring voorzichtig met het oordeel „uit de tijd”.

De belijdenis is dus gegroeid tot haar huidige vorm, en niet op een bepaald tijdstip bloot formalistisch en intellectualistisch vastgelegd als eindproduct van theologisch en dogmatisch denken.

En nu beweer ik dit: wanneer in het instituut Kerk, waarvan de Heere Jezus Christus als eniggeboren Zoon van God het Hoofd is, omdat Hij haar zich ten eigendom maakte door Zijn verzoenend sterven en Zijn verlossende opstanding en hemelvaart, doch dat overigens uit mensen bestaat, die open staan voor allerlei dwalingen, stelling genomen moet worden tegen dwalingen en duidelijk gezegd moet worden, hoe men, kennende de variatie der meningen, onder inroeping van de leiding des Heiligen Geestes naar het gevoelen der Kerk bijbels moet denken over de begrippen, die in de Heilige Schrift aangegeven worden, dan moet deze belijdenis zijn een stuk, dat ten eerste met de Heilige Schrift in overeenstemming is en ten tweede de algemene opvatting van en in de Kerk over deze Schriftbegrippen weergeeft.

En àls dan in de Kerk een groep is ontstaan, die de algemene opvatting niet meer onderschrijft, deze zelfs bestrijdt, dan mag uit vrees voor de gevolgen van een eventuele breuk de binding aan die belijdenis niet worden vervaagd, doch dan dient de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift zó uitgeleefd te worden, dat de binding aan de belijdenis de voorrang krijgt, moet krijgen, boven het menselijk zeer begrijpbare, tot op zekere hoogte zelfs wel waardeerbare streven om binnen de Kerk te bewaren wat maar kan worden vastgehouden.

Bovendien, de Studiecommissie van de Geref. Bond heeft het naar mijn mening heel juist gezien, als zij voorstelt de woorden „de belijdenis der Vaderen” te vervangen door de uitdrukking: „haar belijdenis”. De belijdenis is niet belangrijk, omdat zij van „de Vaderen” is, (de Kerk mag niet meedoen aan „voorouderverering”), maar zij is belangrijk, omdat zij de belijdenis van de Kerk is. Het woord „Vaderen” koppelt de gedachten teveel aan mensen, het woord Kerk richt de gedachten meer op de Heilige Schrift, en is dus beter.

Dat betekent dan ook, dat bezwaren tegen de belijdenis niet gericht mogen zijn tegen de opvattingen, welke onze Vaderen hadden, maar tegen de opvattingen, welke de Kèrk heeft; zij kunnen dus alleen maar worden ingediend met beroep op Gods Woord, en moeten worden erkend, als men moet toegeven, dat de Kèrk dwaalt en dus haar belijdenis op grond van Gods Woord moet herzien.

Welnu: indièn dan de Kèrk op dit ogenblik haar belijdenis nog hééft, dan moet de Kèrk dit erkennen door in haar Kerkórde haar voorgangers en leden te binden aan die belijdenis, niet vagelijk, door te spreken van „in gemeenschap met”, doch glashelder, door te spreken van „in overeenstemming met”, daarmee erkennende, dat die belijdenis ten volle nóg haar belijdenis is, en niet alleen die „der Vaderen” was.

Wenst de meerderheid in onze Kerk dit niet, dan moet nuchter worden vastgesteld, dat de Kerk haar belijdenis, die zij in theorie nog wel had, in de praktijk niet meer (ten volle) wenst te aanvaarden. Dan moet men eerlijk durven zeggen, dat men op déze basis niet meer wenst samen te spreken en op déze basis geen Kerkorde wenst op te bouwen.

Want, zoals reeds gezegd: deze belijdenis zie ik als basis van het kerkelijk leven en het kerkelijk handelen. Wanneer wij mensen met elkaar gaan spreken en handelen, dan moeten wij dit altijd doen vanuit een bepaalde basis. Daaraan ontkomt ook de Kerk als saamvergadering van mensen niet. Als men zegt: de basis moet Gods Woord zijn, dan blijkt het me, dat over het begrip „Gods Woord” heel wat verschil van mening in omloop is. De één zegt: Gods Woord = de Bijbel, de ander zegt: Gods Woord is in de Bijbel, terwijl een derde weer wat anders zegt. Hiermee wordt alweer bewezen, hoe noodzakelijk het is, dat de Kerk in haar belijdenis uitspreekt, hoe zij onder gebed om de leiding des Heiligen Geestes heeft gedacht en tot nader order denkt over de begrippen, welke in de Heilige Schrift worden geopenbaard, en hoe zij zich verweert en tot nader order blijft veroveren tegen haars inziens anti-schriftuurlijke opvattingen.

Als de definitieve Kerkorde zou blijven spreken van „in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen”, dan is daarmee aangeduid, dat ieder kan bepalen in hoeverre hij die gemeenschap wenst te volgen, maar gebonden aan die belijdenis is hij niet meer, hoogstens zo'n beetje in de geest.

Het gaat er dus om: waaraan kent men nu meer waarde toe? Aan duidelijke binding aan de bestaande belijdenis, of wil men liever deze binding niet al te sterk maken, teneinde — afgeschrikt door de conflicten in de gereformeerde kerken — aldus het aantal leertuchtprocessen a priori zoveel mogelijk te beperken en de justitiële tucht als het maar enigszins kan te voorkomen? De afgevaardigden zullen hierover met zichzelf tot klaarheid moeten komen.

De tweede vraag was: durft men de consequentie wel aan van het na een eventuele verwerping van de K. O. komende „vacuum”? Ik vraag me in gemoede af: komt dat vacuum dan persé? Ik zie dat niet in. Het enige is, dat de toestand in onze Kerk dan voorlopig nog zou blijven, zoals die nu is. Doch dat zal m.i. op het stuk van het belijden bij invoering van dit art. X zoals het nù is òòk zo zijn, en dan feitelijk nog in sterker mate dan het nu het geval is, omdat de officiële Kerkorde er de volle ruimte toe geeft. 't Kon zelfs wel eens zó worden, dat er om het nieuwe dienstboek heen allerlei conflicten zullen gaan ontstaan tussen ker keraden en predikanten. Daarom, mijn vrees voor dat mogelijke „vacuum” is niet zo groot, integendeel, ik geloof, dat het wel eens tot diepere bezinning zou kunnen leiden over de vraag: wat belijdt de Kerk van vandaag eigenlijk nog? En dan ware de zegen van het „vacuum” misschien nog wel eens groter dan de thans gevreesde gevolgen!

Tenslotte nog enkele opmerkingen van praktische aard:

ik geloof, dat de afgevaardigden ter Synode bij het uitbrengen van hun stem ook rekening zullen moeten houden met de gevoelens, welke ten aanzien van het ontwerp- Kerkorde in de vergaderingen van de hen afvaardigende Classis heersten. De Generale Synode is stellig geen Parlement, waar de leden van de verschillende fracties doorgaans een vooraf bepaalde stem uitbrengen, doch een morele binding aan de afvaardigende grondvergadering is er stellig wèl.

Men kan nu wel zeggen, gelijk mijn zegsman deed: „Je moet je volledig openstellen voor de inwerking van de Heilige Geest op de Synodevergadering en het kon toch wel eens zijn, dat je dan, gehoord de besprekingen dààr, tot een ander gezichtspunt komt dan je kreeg ter Classicale Vergadering”, en ik ben bereid, de waarheid, die hierin kan schuilen, te erkennen, doch ik meen anderzijds toch óók, dat — als het goed is geweest — diezelfde Heilige Geest Zijn invloed toch ook zal hebben uitgestrekt tot de grondvergadering, de Classicale Vergadering der Kerk.

In deze gedachtengang is het zelfs denkbaar, dat er een situatie zou kunnen ontstaan voor deze of gene afgevaardigde, dat hij zou moeten zeggen: „hier durf ik op eigen verantwoording alleen niet te beslissen, hierover zou ik eerst mijn classis moeten raadplegen”.

Deze onzekerheid is overigens naar mijn mening te voorkomen.

Ware de volgende procedure niet veel beter:

a. de komende dubbele Synode heeft alle bezwaren en amendementen van de Classes ontvangen en gaat aan de hand daarvan een derde lezing van de K.O. vaststellen;

b. deze derde lezing is de definitieve, waarop door de Classes geen amendementen meer kunnen worden ingediend;

c. de Classes stemmen over dit definitieve voorstel, voor of tegen.

Het bezwaar van deze methode is ontegenzeggelijk, dat dan ongetwijfeld mensen meestemmen, die de zaak niet volledig of voldoende beheersen, en die zich veelal zullen laten leiden door hun predikanten.

De voordelen zijn m.i. echter groter:

1. de verantwoordelijkheid wordt niet persoonlijk door slechts twee afgevaardigden per Classis gedragen;

2. doordat het aantal stemmen veel en veel groter wordt, wordt de juistheid van de verhoudingen vóór of tegen in de Kerk zèlf door dit grotere getal veel zuiverder benaderd dan door negentig stemmen ter Synode;

3. de Kerk als geheel wordt mede tengevolge van het onder 2. genoemde door zo'n stemming veel beter in de gelegenheid gesteld zich uit te spreken, dan in een aantal van slechts negentig stemmen, vooral waar het hier om zulk een uiterst belangrijke zaak gaat.

Na de grote Synode van Dordrecht van 1618/1619 is er niet meer een kerkvergadering in onze Hervormde Kerk van zoveel belang en gewicht geweest als de D.v. op 20 November a.s. aanvangende zitting van de Generale Synode.

Hij, die voor stemt èn hij die tegen stemt, draagt een verantwoordelijkheid, welke geen ambtsdrager in de Hervormde Kerk gedragen heeft sedert ruim driehonderd jaar.

In dàt diep gevoeld besef is dit artikel geschreven door één, die geroepen is, deze verantwoordelijkheid mede te dragen.

Ridderker.
D. BROEREN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Waar het om gaat

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's