De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

1517 - 31 OCTOBER - 1950

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

1517 - 31 OCTOBER - 1950

Overpeinzingen bij de kerkhervorming

6 minuten leestijd

Er is in die 433 jaar wel 't een en ander in de wereld veranderd, in het bijzonder als we letten op de verhouding van de mens tot God.

Toen Tetzel in 1517 kwijtschelding van de boetestraffen aanbood voor geld, stroomde de markt vol.

Tegenwoordig zou Tetzel niet zoveel belangstelling meer hebben op de Dam in Amsterdam. De mens voelt heden ten dage zijn zonde niet als een last, de moderne mens weet nauwelijks wat zonde is.

Is de mens veranderd?

Of zou dit de diepste nood van de mens zijn, dat hij zijn eigen zondennood niet meer kent en dat hij de uitroep van Luther: Hoe krijg ik een genadig God? niet meer verstaat?

Is dit niet de oorzaak van zijn gemis aan bevrijdende vreugde, dat hij de schuldvergiffenis niet kent, omdat hij tot de schuldbelijdenis niet kan komen?

Is dit niet zijn nood, dat hij zijn eigen nood tegenover God niet kent?

Men zou aangaande de mens van 1517 kunnen antwoorden: De mens toen, was door de geestelijkheid der Kerk, die toentertijd een veel machtiger invloed had dan nu, bang gemaakt voor hel en vagevuur. Op verschillende Middeleeuwse schilderijen staan de gruwelen en de smarten van hel en vagevuur op plastische wijze getekend. En in deze angstpsychose liepen de Middeleeuwers gretig naar Tetzel, de aflaatkramer, om kwijtschelding van de boetestraffen te ontvangen.

Ongetwijfeld zit daar iets in: het eenvoudige volk kon men toentertijd gemakkelijk iets wijs maken.

Toch is dit niet hèt antwoord.

Toentertijd ging men allerwege uit van het bestaan van God, God Zelf werd niet problematisch gesteld. Alleen was de grote vraag: Hoe kom ik tot de gemeenschap van die God?

De Roomse Kerk gaf haar antwoord van het leven, dat langs trappen en graden van het natuurlijke kan opstijgen naar het bovennatuurlijke, o.m. langs de trappen: goede werken, mis, klooster, hemel. Een verlossing, opstijgende van beneden naar boven, deels door de natuur en de mens zelf verwerkelijkt.

Luther gaf het eenvoudige Schriftuurlijke antwoord: het geloof in de gerechtigheid van Jezus Christus. De lijn van boven naar beneden.

Heden ten dage komt men niet toe aan de vraag: Hoe kom ik tot de gemeenschap Gods? Het bestaan Gods wordt discutabel geacht: Bestaat God en bemoeit Hij Zich met deze wereld? In de arbeid van de Kerk naar buiten gaat het — wat de motto's betreft — altijd over die vraag.

De probleemstelling is derhalve verschoven, zó verschoven, dat we door deze nieuwe probleemstelling verder van de God des Evangelies af zijn dan in de z.g.n. duistere Middeleeuwen.

Zo triumfeert de duivel heden ten dage. 't Kan hem niet schelen, als we in ernstige discussies over God redeneren, hij schaterlacht als God tot een probleem wordt gemaakt: het oude spelletje van het paradijs: „Is het ook?"

Hij vindt dit alles prachtig, als de mens, ook de 20-eeuwse mens, maar niet valt als zondaar aan de voeten van de Heiland, Jezus Christus, als hij maar niet met Luther uitschreeuwt: Hoe krijg ik een genadige God?, als hij maar niet met Paulus getuigt: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus.

De verschoven probleemstelling tekent het geestelijk verval dezer eeuw.

In de Bijbel wordt degene, die zegt: Er is geen God, een dwaas genoemd; nu neemt men hem serieus.

De ontwikkeling der natuurwetenschap en der philosophie van de vorige eeuw en nu, is aan deze probleemverschuiving niet onschuldig, ook niet de roep van de ongeloofsprofeten van eind vorige eeuw. Het illusionisme van Feuerbach, dat de godsdienst een droom der mensheid noemt, niet God schiep de mens, maar de mens schiep en schept God, het vitalisme van Nietzsche, om enkele stromingen maar te noemen. Volgens de laatste was de bleke Galileër te vroeg gestorven, was hij zestig jaar geworden, dan had hij al zijn vroegere uitspraken herroepen, omdat hij het leven anders zou hebben gezien.

Toch hebben deze heren het verlossende woord voor de mensheid in nood niet gesproken en hoewel zij velen verleid hebben, hebben zij de religie niet uitgeroeid.

Waarom niet?

Omdat één stem zo moeilijk tot zwijgen te brengen is, dat is de stem van het geweten, dat is de stem van het algemeen religieus Godsbesef. De algemene Godsopenbaring klopt aan de deur des harten van ieder mens. En daarom blijft de godsdienst een werkelijkheid, een probleem, dat niet met enkele grote woorden afgedaan kan worden. Bij alle technisering en verrationalisering van het leven, schreeuwt de moderne mens uit de diepte van zijn religieus besef naar God. En deze schreeuw doen Nietzsche en Feuerbach niet verstommen.

In bepaalde kringen wordt de stem der algemene openbaring genegeerd; wij willen daaraan de waarde toekennen, welke Paulus er aan toekent (Rom. 2 vers 14, 15) en daaruit concluderen, dat in de grond van de zaak het Godsbestaan geen probleem is, ook niet voor de moderne mens, maar een werkelijkheid, waarvan men intuïtief heeft uit te gaan. De pastorale zorg onder buitenkerkelijken bewijst zulks: „Ik geloof wel in God, al ga ik niet naar de kerk en al lees ik niet in de Bijbel". De eerste vraag, die gesteld kan worden, is: Wie is de God der Openbaring en hoe komen wij in Zijn gemeenschap?

Daarom zal ook in deze moderne cultuur onze taak zijn als reformatorische Christenen, de mens van nu terug te leiden tot het zoeken van Luther: Hoe vind ik een genadige God in de hemel?

Pas na dit station kunnen wij handelen over de vragen aangaande de Godsregering.

Eerst kniele men voor de Gekruisigde neer, voordat men God als de Vader van het heelal gelove in Zijn leiding door de eeuwen heen.

De Catechismus zegt (Zondag 9, vr. 26) dat het Voorzienig bestel alleen gelovig wordt doorzien als de eeuwige Vader onzes Heeren Jezus Christus „om Zijns Zoons Christus wille mijn God en mijn Vader is".

Het apostolisch vermaan: „Laat u met God verzoenen", klinke ook nu tot de twintigste-eeuwse mens met dezelfde kracht als in de Middeleeuwen en Apostolische tijd.

Gaan wij deze weg niet op, slaan wij dit eerste station over, dan wordt het Evangelie een beschouwing, een theorie, een klank, waardoor het hart des mensen niet wordt geraakt.

Niet in de verhouding van de mens tot deze chaotische wereld is de eerste en de diepste nood, maar deze is de verhouding van de mens tot God.

Amsterdam.
H. JONKER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

1517 - 31 OCTOBER - 1950

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's