Quo Vadis?
Een medewerker van „Koningin en Vaderland" heeft een drietal artikelen geschreven over het onderwerp: „Begraven of verbranden".
Voor zover daarin een zakelijke uiteenzetting werd gegeven van fata en data, was deze samenvattend en onderwijzend, maar zo spoedig de schrijver overging tot het beoordelen, ontmoette hij bij mij ernstige bezwaren. Ik kan niet nalaten daaraan uiting te geven.
De schrijver begint te zeggen, dat in het algemeen het verzet tegen de lijkverbranding berust op de Bijbel. Nu geeft hij een waarschuwing tegen het gebruik van de Bijbel als een wapenarsenaal om eigen stellingen te verdedigen en die van anderen aan te vallen. „De 8-uren-dag, het verbod van de bakkersnachtarbeid, de werkstaking, vrouwenkiesrecht, de vrouw en het kerkelijk ambt……. men kan de lijst eindeloos aanvullen. Voor alle vragen was wel een Bijbeltekst pro of contra te vinden, al naar gelang men nodig achtte. We kunnen niet genoeg tegen deze methode waarschuwen".
Hier wil ik beginnen een punt te plaatsen en een vraagteken.
Ik geef toe, dat Bijbelteksten onjuist gebruikt kunnen worden, maar als ik dit lijstje overzie, vraag ik me af: welke betekenis heeft de Bijbel nog in de ogen van deze medewerker?
De vrouw en het kerkelijk ambt. De Synode der Ned. Hervormde Kerk heeft een commissie benoemd tot bestudering dezer zaak. Deze commissie heeft een rapport uitgebracht, dat in de Synode besproken is. De argumenten der tegenstanders, op Bijbelteksten gegrond, wogen nog zó zwaar, dat zelfs deze Synode nog de moed miste om zich er van af te maken en het rapport de kerk inzond, zonder voorshands een beslissing te nemen. Niet alzo echter de schrijver: met een breed gebaar worden de tegenstanders bij de misbruikers van Bijbelteksten geschoven. Als ik dit zo lees, rijst er bij mij ernstige twijfel in hoeverre de schrijver de Schrift nog wel van betekenis acht voor het kerkelijke en het staatkundige leven.
Let nu voorts op de argumentatie in het vervolg: „Al te gemakkelijk heeft men lijkverbranding bestempeld als een heidense gewoonte, die door de Bijbel werd afgewezen". „Het staat te bezien, of de begrafenis bij uitstek Joods-Christelijk en de verbranding per sé heidens is". Dit tracht hij te betogen door te zeggen, dat ook andere volken de begrafenis kenden.
We zien hier een merkwaardige begripsverwarring. In de wiskunde tracht men de beoefenaars duidelijk te maken, dat een stelling zonder nader bewijs nimmer mag omgekeerd worden. Laat ik een eenvoudig voorbeeld trachten te geven. Ik kan beweren: Christenen behoren de waarheid te spreken. Het bewijs is voor de lezers van dit blad wel overbodig. Het omgekeerde van deze bewering luidt: Ieder die waarheid spreekt, is een Christen. Dit laatste is zeer zeker niet juist, wat voor ons ook wel geen nader bewijs behoeft.
De schrijver geeft zelf toe: „Vast staat, dat in ieder geval bij de Joden en bij de oude Christelijke Kerk de begrafenis werd gekend en niet de crematie". Deze stelling wordt nu in het geheel niet aangetast als de omgekeerde stelling: de begrafenis komt uitsluitend bij Joden en Christenen voor, niet opgaat. Dat ook heidenen de begrafenis kenden, doet dus niets af aan de stelling, dat de begrafenis bij uitstek Joods-Christelijk is en de verbranding heidens is.
Trouwens, de Bijbel staat m.i. hiertegenover niet zo neutraal, als de schrijver ons belieft te doen geloven. Al is het waar, dat de Bijbel nergens een nadrukkelijk gebod tot begraven geeft, toch kent de Bijbel alleen de begrafenis en onderstelt de Bijbel deze voortdurend. Het verbranden, het door het vuur doen gaan, het mensenoffer, wordt veroordeeld. Al de afgodendienst der heidenen en al wat daarmede samenhangt wordt doorlopend veroordeeld.
Het moet de schrijver toch wel iets zeggen, dat de begrafenis een Christelijke traditie is: dit is toch zeker geen loutere toevalligheid?
De schrijver geeft toe dat begraven een Christelijke traditie is, maar geen eis van ons geloof. Dit laatste wens ik nog niet te beamen. Omdat de Bijbel het begraven onderstelt en alleen de begrafenis kent, meen ik, dat allen dienovereenkomstig te handelen hebben.
Maar ja, als we tot richtsnoer moeten nemen „ieder zij in zijn gemoed ten volle verzekerd", waar gaan wij dan heen?
Daarom heb ik ook als titel gekozen: Quo Vadis? Waarheen gaat gij?
Ik neem aan, dat de schrijver veelszins niet doorziet, op welke weg hij zich bevindt, ja, dat hij deze weg misschien wel niet wenst te bewandelen. Maar zijn beschouwingen voeren m.i. tot een verliberalisering onzer gedachtenwereld. Hij noemt b.v. het vrouwenkiesrecht; ik acht dit nog steeds onbijbels. Al is de verwereldlijking zover voortgeschreden, dat er beslissingen zijn genomen in het staatkundig leven, in strijd met onze overtuigingen, daarom zijn toch zeker onze overtuigingen nog niet onjuist geworden?
Niet alzo de schrijver; deze wekt de indruk, dat hij toejuicht al wat is geschied en hij weet klaarblijkelijk van generlei verwereldlijking af. Geen enkel woord van critiek uit hij op hetgeen voorbij is. Wel heeft hij scherpe afkeuring voor hen, die op grond van de Schrift met het vrouwenkiesrecht enz. niet medegaan. Hij is blijkbaar bang het te moeten verliezen in de wereld van het staatkundig leven. Nu, daar is maar één oplossing voor: trachten zo progressief mogelijk te zijn en de Bijbel het zwijgen op te leggen. Dat laatste kan op velerlei wijze geschieden. Men kan zich beroepen op het feit, dat deze verschillend wordt uitgelegd, en deze met rust latende, overgaan tot de orde van de dag. Men kan dan nog wel enige diepere beginselen als vlag voeren, maar daar heeft men dan in het leven van elke dag en in het staatkundige niet veel last van.
Ook kan men zich van de eisen van de Schrift afmaken door een beroep te doen op de wereld der theologen. Voor welhaast iedere eis der Schrift is wel een uitleg te vinden en door theologen gegeven, om zich beleefdelijk daarvan te ontdoen.
Wie echter inderdaad Bijbelse politiek wil voeren, zal de moed moeten hebben neen te zeggen en ook het onderspit te delven. Hij zal immer critisch blijven staan ook tegenover datgene, wat voorbij is en beslist is. Hij zal dan vanwege de „hardigheid des harten" wel eens mee moeten gaan met iets wat hij onjuist vindt, en zo kan hij alleen maar „mokkend" medegaan (indien hij al medegaat) met voorstellen, die verassing tolereren.
Wie Bijbelse politiek wil voeren, zal een open oog moeten hebben voor de voortgaande verwereldlijking van ons moderne leven. Maar waar wordt dit gevonden, als zelfs de kerk verwereldlijkt en men vaak geen onderscheid tussen kerk en wereld meer kan zien?
Ik geloof, dat het nuttig zou zijn, indien men hierover eens zou nadenken.
Capelle (N.Br.)
D. SCH.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's