MISVERSTAND?
De studentenpredikanten vanwege de Ned. Hervormde Kerk, die aan de Universiteiten en Hogescholen werkzaam zijn, hebben gemeenschappelijk een geschrift van voorlichting uitgegeven onder de titel „Student, Evangelie, Kerk". Daarin wordt ook gesproken over de verenigingen der studenten o.a. over S.S.R. (Vereniging van gereformeerde studenten).
Ondanks de bewering, dat zij persé geen principiële tegenstanders van deze vereniging zijn, zeggen zij zeer onvriendelijke dingen aan haar adres: Deze onvriendelijkheden wekken toch de indruk, dat de Heren Studentenpredikanten eigenlijk wel principiële bezwaren tegen S.S.R. hebben. In ieder geval hebben zij een opvatting van „reformatorisch", welke „met een bepaalde geschiedkundige interpretatie der belijdenisgeschriften", zoals zij zich uitdrukken (blz. 11), op gespannen voet staat.
Zo beweren zij ook, dat zij niet voor „een bepaalde theologie" opkomen, (blz. 17) „maar intussen tonen zij zich zeer gegriefd, dat S.S.R. positie kiest tegen de dialectische theologie, (blz. 16, 17). „Onze grote theologen en kerkelijke leiders spannen zich ten uiterste in, omdat het niet altijd geheel eenvoudig en duidelijk is, wat de dialectische theologie bedoelt. Maar S.S.R. verklaart openlijk, dat zij het al lang weet en dat haar leden haar daarin hebben te volgen". Zo verklaren deze dominé's. (blz. 17).
De heren studentenpredikanten kunnen 't iemand dus niet kwalijk nemen, als hij zou menen dat ook zij niet altijd weten, wat de dialectische theologie bedoelt, en tot de conclusie zou komen, dat zij het voor „reformatorisch" houden een voor hen onklare theologie te huldigen en het aan anderen euvel te duiden dat zij hen daarin niet volgen.
Zij wekken althans de indruk, dat een „reformatorische" levenshouding vóór alles zou worden bepaald door zulk een Barthiaanse sympathie, terwijl een „bepaalde geschiedkundige interpretatie der belijdenisgeschriften" daarmede in onverzoenlijke strijd is. (Vgl. blz. 11).
't Is mogelijk, dat een bepaalde geschiedkundige interpretatie der belijdenisgeschriften niet reformatorisch is. Het is echter niet waarschijnlijk, dat het reformatorisch is één voor de grote theologen niet altijd duidelijke theologie aan te hangen, welke in voorname stukken een andere leer verkondigt.
Het is trouwens ook niet duidelijk, wat de heren studentenpredikanten bedoelen met „die bepaalde geschiedkundige interpretatie der belijdenisgeschriften". Bedoelen zij een „Kuyperiaanse" of een „Schilderiaanse" interpretatie? (Vgl. blz. 15). Indien ja, dan heeft hun afwijzing van deze interpretaties volstrekt geen meerdere grond dan de afwijzing van een Barthiaanse interpretatie van de andere kant.
Het is echter ook mogelijk, dat met de „bepaalde geschiedkundige interpretatie" de z.g. traditionele of zestiende-eeuwse wordt bedoeld. Indien dat het geval zou zijn, zou in dit geschrift een bedenkelijk misverstand omtrent de betekenis der reformatorische belijdenis aan de dag treden.
Historisch is toch de interpretatie der belijdenisgeschriften altijd, in zoverre het dogma in historische tegenstellingen aangaande het Christelijk geloof en de geloofspractijk zijn aanleiding vindt. En zolang deze tegenstellingen actuëel zijn en blijven en telkens weer, als zij in de historie actuëel worden, zal de belijdenis naar haar inhoud evenzeer actueel blijven. Als, zodanig blijft ook de historische interpretatie van kracht.
Dit nu geldt wel heel bijzonder van onze reformatorische belijdenis. Immers de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Catechismus zijn een doorlopende bestrijding van de Roomse dwaalleer: Het Schriftgezag tegenover het kerkelijk (pauselijk) gezag, de leer der rechtvaardigmaking door het geloof alleen en der uitverkiezende genade tegenover de Roomse leer van de medewerking van de mens en de werkheiligheid, de leer der sacramenten, etc. Het is heus niet alleen Vraag 80 van de Catechismus, waarin die actualiteit wordt bewaard. Gelet op de leerontwikkeling in de Roomse Kerk, zijn al deze tegenstellingen nog steeds actueel en de genoemde belijdenisgeschriften kunnen slechts door misverstand voor „verouderd" worden gehouden. Het jongste Maria-dogma heeft ons daarbij nog weer extra bepaald.
Wij kunnen dan ook niet aannemen, dat de studentenpredikanten dit blijvend actuëel karakter der belijdenis zouden ontkennen. Nochtans behoeft dit critiek of verschil van interpretatie niet uit te sluiten. Maar dan is niet Kuyper, niet Schilder, ook niet Barth, doch de Heilige Schrift criterium, en dan welverstaan in de zin van art. 2–7 der Geloofsbelijdenis.
In deze belijdenis omtrent de Heilige Schrift is toch het eigenlijk karakter der Reformatie uitgedrukt. Het is daarom denkbaar, dat de reformatoren zich zouden vergist hebben in de Schriftverklaring omtrent enig geloofsstuk en dat een later geslacht daarover meer licht zou ontvangen. Dit doet echter van het Schriftgeloof der reformatoren niets af.
Het merkwaardige nu is, dat de dialectische theologie dat Schriftgeloof der reformatoren niet deelt, maar aangaande de Heilige Schrift en haar gezag opvattingen heeft, welke zij ongetwijfeld zouden hebben afgewezen. De grondslag van het reformatorisch geloof is dus in het geding.
Er moet derhalve wel misverstand in het spel zijn omtrent het begrip reformatorisch, want deze voorlichting zou een „reformatorische" sfeer in S.S.R. wensen en zij beklaagt zich tegelijk over het feit, dat S.S.R. niet gediend is van een theologie, welke het eigenlijke kenmerk van het reformatorisch geloof weigert te erkennen.
Men had een vriendelijker waardering mogen verwachten, want het behoeft geen betoog, dat hij, die het Schriftgeloof der reformatoren loslaat, ook de kracht van verweer tegen de Roomse dwalingen inboet. Of is het deze dominé's ontgaan, dat het herderlijk schrijven der Synode tegen deze dwalingen en de kanselboodschap naar aanleiding van het nieuwe Maria-dogma met name door het beroep op de Heilige Schrift een positief geluid deden horen, hetwelk men in andere stukken vaak mist?
Een en ander bewijst, dat men nog geen recht heeft „Hervormd" te maken tot een richting, die het gereformeerd Schriftgeloof heeft prijs gegeven.
Overigens achten wij het nog geen verlies, als Hervormde studenten en met name die van Hervormd-gereformeerde huize, verkeren onder Kuyperianen en Schilderianen en deelnemen aan de discussie. Zij kunnen elkander over en weer wat leren en het kan wellicht bevorderlijk zijn aan de hereniging der gereformeerde gezindheid in de toekomst, als de studenten van thans in de kerkelijke vergaderingen hun plaats als predikanten en ouderlingen innemen zullen.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's