De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt

IX.

6 minuten leestijd

1. INTREEDAGEN.

Het is niet gemakkelijk, alle indrukken weer te geven, waaraan men gedurende de dagen van intree onderhevig is. Er zijn er immers zovele en men kan niet zeggen, welke indruk nu eigenlijk de overwegende is.

Het is alles zo nieuw, zo ongewoon.

Toch zijn er wel enkele bijzonderheden, die in de herinnering blijven voortleven; zo onder anderen: de aankomst in de eerste Gemeente.

Aan het station Nieuwersluis werden wij afgehaald per Utrechts wagentje. Twee Broeders uit de Gemeente hadden hun beste paard daarvoor beschikbaar gesteld en menden zelf.

De paarden waren werkelijk prachtexemplaren. Zij stonden te stampen van ongeduld, om de tocht naar huis aan te vangen. Nadat allen dan ook vrij vlug waren ingestapt, ging de tocht voorwaarts.

Vooral gedurende de reis langs de Keulse Vaart was het voor de voerman opletten en uitkijken. Aan de ene kant het diepe water; aan de andere kant de spoorlijn, die druk bereden werd.

Wanneer paarden pas van stal komen of niet veel gebruikt worden, plegen zij nog al eens schichtig te zijn en een voorbijsnellende trein deed hen nog harder voortrennen.

Maar alles ging goed.

Na het eerste dorp gepasseerd te zijn, werd de weg aanmerkelijk smaller. Aan beide zijden brede, diepe sloten.

Alleen rechts van de weg gaf het dichte elzenhakhout tenminste enig gevoel van beschutting.

Want het is een feit, dat mensen, die uit Gelderlands Oosthoek komen, nu eenmaal geen waterhelden zijn. Onze zeehelden stammen dan ook niet uit de Achterhoek.

Hier en daar moesten wij even blijven wachten op een „uithaal" (een korte verbreding van de weg) wanneer er een voertuig van de andere zijde kwam. De wegen waren te smal, om elkander te passeren. Dan stonden wij vlak aan de rand van het diepe, donkere water.

Eindelijk zagen wij in de verte een torenspits. Onze rijdende Broeder keerde zich even naar mij om, wees er met de zweep naar en zeide: „dat is de toren van …… wij zijn er zo!"

Doch meteen wees hij naar iets anders en wel naar de doos, waarin de hoge hoed geborgen was en vroeg, met een tikje afkeuring in de stem: „Moet dat er zo naar toe?"

„Die zat!" zou men heden ten dage zeggen.

Ik ben toen heel gehoorzaam geweest. De paarden glansden zo mooi; waarom zou ik niet glanzen met mijn „hoge zijden ? "

In stilte had ik zelf er al over gedacht, „in gala" uit te stappen. Wij waren in alles kinderen van die tijd.

De Gemeenten kleedden hunne dominees gaarne aan naar hun eigen model;

„O, hoge cylinder, gij hebt de ambtsdragers al wat moeiten en kosten bezorgd! Op begrafenistochten tegen de wind in of bij hevige regenbuien!

Uw stamboom schijnt afkomstig uit Amerika, het land der onbegrensde wonderen en mogelijkheden.

Zoals een Encyclopaedie mij vertelt, zijt gij in het laatst der achttiende eeuw in ons land geïmporteerd.

Daarvóór was het de tijd der steken en van de korte broek met kuitkousen.

Dus eigenlijk waart gij ook zelf een vreemde indringer, niet bepaald bestemd als hoofddeksel voor predikanten, maar meer voor officiële gelegenheden."

Verschillende soorten werden sindsdien ontworpen. De hoed voor Roomse Geestelijken. De hoge hoed voor de predikanten.

In Engeland werd hij, ook in het grijs, al spoedig inheems. Voor beursbezoekers. Bezoekers van paardenrennen. Voor studenten van de een of andere Universiteit. Voor leerlingen van een bepaalde school.

„Hoe taai is uw bestaan! Ook gij zijt, als medeslachtoffer, menigmaal gedeformeerd. Nu eens wat hoger, dan weer een verdieping lager; variërend zelfs van het kachelpijpenmodel tot in het pyramidale.

Doch, hoe dan ook, gij hebt u in uw bestaan, althans gedeeltelijk nog gehandhaafd. Gij retireert, maar slechts voet voor voet. Dat gij in een grote stad de hilariteit opwekt, ligt niet aan u, maar aan de kinderen dezes tijds, die met de Kerk hebben gebroken en dominees een merkwaardigheid vinden".

In ernst: Was het inderdaad zo belachelijk, dat men de „geestelijke" gaarne in de verte kon zien aankomen en ook in de kleren „de man" kon herkennen, weer of geen weer?, storm of geen storm?

Ik weet wel, dat de mensen hier dikwijls, haast onbewust, een bijoogmerk hadden. Zij wilden namelijk gaarne nog even tijd hebben, om zich te kunnen richten en zich „op zijn Zondags" te kunnen voordoen.

Hieraan kleeft ook wel dit bezwaar, dat juist een predikant het meest gevaar loopt, zijn gemeenteleden niet in het ware licht, dat is: in het gewone leven te kunnen gadeslaan.

Daardoor vormt hij zich menigmalen een gans verkeerd denkbeeld van het geestelijk peil der Gemeente.

Dat „aankleden" van dominees heeft altijd veel tegen gehad. Hoe dikwijls wilde men de man niet alleen bekleden met zwarte jas en hoge hoed, maar ook met wat anders en bij meer dan één zagen wij tot onze spijt, dat hij zijn eigen persoonlijkheid hoe langer hoe meer inboette. De natuurlijkheid was weg.

Intussen kleden de heren predikanten zich nu wat gemakkelijker. Zij lopen en reizen thans voor het merendeel „incognito".

Wie zou in die heer met grijze hoed, of blootshoofds, fantasiepak met blauw over­ hemd en dito boord, de ambtsdrager herkennen, die nu ook al staat te preken met gekleurde das. Dat is nu weer een ander uiterste, dat allesbehalve aanbeveling verdient.

Misschien lachen zij om de „zwartrokken", die zich door de Gemeenten lieten „aankleden" en niet zichzelf durfden zijn.

Maar hebben zij zich feitelijk door de wereld niet laten „uitkleden", om toch vooral niet de naam te krijgen, dat zij stijve dominees waren? Deden zij dus eigenlijk geen kleine of grote concessie aan de wereld en de wereldgelijkvormigheid?

Of wilt gij over de klerenquestie niet getwist hebben en merkt gij op, dat er thans gewichtiger dingen aan de orde zijn?

Ik heb er vrede mee, als met het afwerpen van de oude klederdracht, het oude ambtsgewaad, tenminste niet meer dingen zijn weggeworpen en naar de papiermand verhuisd zijn.

Als maar geen stukken der Belijdenis meteen overboord gingen, ja, zelfs hier en daar onze belijdenis zelf, al is er dan nog een vriendelijk gebaar van „gemeenschapsverklaring met het oude" aan toegevoegd. Dit is wel wat anders dan een formele questie.

Zo iets mij bijgebleven is, dan is het wel de aangename ontvangst in de pastorie door de Kerkeraad en de Kerkvoogdij met hun vrouwen.

Men had met een gedeelte van de meubels, die aangekomen waren, twee kamers reeds een gezellig aanzien gegeven. De tafel was keurig gedekt. Het was alles, om door een ringetje te halen.

K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's