De Puritein van de Hertenpolder
76
— 't Gaot weer haarstweer worre, meent Janus.
Stevig stapt hij door. De vaarstok voor zijn buik.
— 's Jonge nog toe, prevelt hij, wat is de wereld veer van God of. Wat kan de mins ur van maoke! En toch eist God de wereld op. De aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid.
Maar ook hem is niets menselijks vreemd. Hij kent iets van de diepte van het menselijk hart. God heeft zijn ogen geopend voor de afgrond van zijn eigen bederf.
De laatste bladeren waaien over de grintweg. Kaal steken de populieren, langs de sloten, hun armen in de lucht, alsof ze een ondragelijk wee uitklagen. Ze hebben in weelde hun bladertooi gedragen. Ze hebben geschitterd in het zonlicht, wanneer de regenbuien over hen waren heengegaan en het stil geworden was.
De Herfst is in het land. Nog wijder wordt de polder. Nog verder reikt de blik.
Het vee is nu in de stallen. De hooizolders zijn welgevuld. De kuilen zijn vol smoutig gras. De boeren hebben gewerkt met heel de inzet van hun bestaan.
De Zomer ging heen. De Zomer, vol van spanning; de Zomer, vol van vrede en mildheid.
Elk jaargetijde heeft zijn aantrekkelijke zijde.
Janus hield altijd van de Herfst. Wat dat heeft ingehouden, weet hij niet recht te beduiden. De winden waren voor hem vol van stemmen, die samen accoorden vormden voor een schoon, hoewel verbijsterend lied: De mens gaat naar zijn eeuwig huis!
De vergankelijkheid van het schone groen, van de veelkleurige bloemen, van de millioenen bladeren in de bomen, van de bossen, vertelde het. Die najaarstijd predikte dat in duidelijke taal. Ook nu, maar hier minder rijk als op de Veluwe. Zo vindt het Janus Veldstroo.
XVI. EEN KLEINE KETTER.
Nadat Janus het land van Gieson van de Jonker gehuurd heeft, zijn al spoedig de werkzaamheden uitgegroeid. Toen de Lente in het land kwam, bleek de behoefte aan een knecht al meer te bestaan. Hij overlegde met de vrouwen maar een kleine annonce in „De Laatste Post" te laten opnemen en daarop te wachten.
Zelf was hij al enkele maanden bezig geweest de sloot langs het Vlietveld uit te baggeren. Daar had hij de koemest met de schouw naar toe gebracht. Nu was er werk in overvloed.
Het gemis van een paard deed zich nu dagelijks gevoelen. En ook het paard kwam. Middels buur Altena, die veel verstand van paarden had, kwam er een luxe, zwarte ruin. Driehonderd en vijftig gulden kostte hem dit edele trekbeest.
Een oude driewielige kar stond er in een hoek van de oude schuur, sinds jaren her.
't Kon wel twintig jaar geleden zijn, meende Moeder Wiedeling, dat vader zelf een paard gebruikt had.
Nu, de tijden veranderen, en wij met hen. En als 't getij verloopt, worden de bakens verzet. Nu mocht Janus de oude palen wel weer terug zetten, die de vaderen gemaakt hadden. 't Betrof hier geen verachtering, maar een weinig vooruitgang. Dat is altijd naar de zin van mensen.
Mia is naar het dorp. Zij heeft enkele boodschappen en zal ook nog even langs Slos rijden.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's