Een domine vertelt
IXa.
De koffie met broodjes stond klaar. Het was om zich ineens thuis te gevoelen.
Wij schaarden ons spoedig rondom de welvoorziene dis en maakten zo op de aangenaamste wijze met elkander kennis. Overal niets dan tegemoetkomendheid en vriendelijke hulpvaardigheid.
Bij iedere uiting van bewondering en erkentelijkheid was steeds het antwoord : „Zó zijn wij dat hier gewoon!"
Daar kunnen wel andere gemeenten een lesje aan nemen. Of dominees komen of niet, men laat hen nogal eens tobben. Het enige, wat zij soms gaarne doen, dat is: u bespieden door de ruitjes. Verder redt gij u wel.
Nu kunnen ook zulke gemeenten later wel eens zeer meevallen, toch is het veel waard, wanneer de eerste indruk er een mag wezen van aangename aard. Want het doet het ijs der terughoudendheid meteen smelten.
De Zondag was, zoals men zich dat denken kan buitengewoon druk. Van heinde en ver waren de mensen opgekomen, waaronder vele vreemdelingen. Een intrede brengt dat eenmaal zo mee, evenals het gewone bericht in de bladen: „de kerk kon de grote schare niet of ter nauwernood bevatten".
Spotters, die soms zitten, waar wij ze niet zouden vermoeden, hebben voor deze dingen slechts een meewarige glimlach of spreken hier van „christelijke kermis".
Nu is het waar, dat wij die kerk vol mensen niet te hoog moeten taxeren. Al die mensen komen niet uit belangstelling. Intussen is het toch een verblijdend verschijnsel, wanneer de gemeenteleden er zich voor interesseren, dat er een nieuwe predikant komt. Want dit is een bewijs, dat het Woord Gods en de prediking er van toch min of meer in het teken der belangstelling staat.
2. BEVESTIGING.
Wanneer de jonge Evangeliedienaar voor de eerste maal bevestigd wordt, dan is dat voor hem de grote gebeurtenis in zijn leven. Aanstonds zal hij antwoord geven op de vragen van het Bevestigingsformulier, hem door zijn bevestiger gesteld.
Daarop zal hij knielen en terwijl de gemeente hem de zegen Gods toezingt, leggen de aanwezige dienaren des Woords hem de hand op.
Doodstil is het in de volle kerk, wanneer het daar klinkt uit zijn mond: „Ja ik, van ganser harte!" Het is alsof de ganse gemeente daarop gewacht heeft.
Later heb ik meer dan eens gedacht: wat is hij spoedig uitgesproken, die eed van trouw voor het Aangezicht des Heeren, ten aanhore Zijner gemeente.
Door dat antwoord en tevens door de daarop volgende Bevestiging met handoplegging, zijn wij nu levenslang aan des Heeren Dienst verbonden. Nu zijn wij voortaan ambtsdragers geworden, die hun ambt van God ontvingen.
Dat blijven wij dus. Wij kunnen dat in ons latere leven niet maar even afschudden; zelfs niet, wanneer wij emeriti worden. Natuurlijk ook niet, wanneer wij met vacantie gaan. Men is voor enige weken in het jaar wel eens gaarne „dominee af" en dat kan werkelijk wel goed doen, vooral dan, wanneer het „plaatselijk" juk wat knellend was; als men maar niet vergeet, dat „domine af!" dan niet mag en kan betekenen: „ambtsdrager af !"
Gevoelen wij ons waarlijk van Godswege geroepen, dan zal ons dat besef ook levenslang bij moeten blijven, dat wij ambtsdragers zijn. Het verschil tussen ambt en vak zal ons dan ook steeds duidelijk voor ogen moeten staan.
Ik heb daarom dan ook nooit lid kunnen worden van de „Bond van predikanten", omdat ik hierin min of meer een soort vakvereniging zag.
(Al wil ik hiermee nu allerminst zeggen, dat alle vakorganisaties uit den boze zijn).
De predikant is echter ambtsdrager, dienaar der Kerk en van hem geldt: „Niemand, die in de krijg dient, wordt ingewikkeld in de handelingen des leeftochts." Dat moet voor de dienaren des Evangelies nu een erekwestie blijven, al behoeft dit niet in te sluiten, dat m& n rechtmatige grieven zou moeten verzwijgen.
Met deze dingen te zeggen, bedoel ik allerminst polemiek of ondankbaarheid, want anders zou men mij kunnen tegenvoeren: „Gij hebt intussen van het werk en van de bemoeiingen van de Bond even goed als anderen geprofiteerd!"
Daarop zou ik dan immers met evenveel recht hebben kunnen antwoorden: Ik heb de Bond van predikanten daar nooit om gevraagd, om de salariskwestie ook voor mij in orde te maken.
Het was toch geen zonde, dat ik dat salaris van de Kerk accepteerde, al kwam er ook onder pressie van de Bond hierin verbetering tot stand.
Intussen zij herhaald, dat ik hier alleen maar heb willen zeggen, hoe ik over de dingen denk; meer niet.
Een moeilijk en teer punt in de aardse Kerk blijft ook de kwestie van het heengaan met emeritaat van predikanten, die de 65jarige leeftijd hebben bereikt.
Ik zeg, dat dit punt blijft, ofschoon het besluit in deze door de Synode, een paar jaar geleden, reeds genomen werd.
De vraag is hier gewettigd: Vergrijpt de Kerk zich hier niet min of meer aan het ambt? Wordt hier het onderscheid tussen ambt en vak niet uit het oog verloren?
Men heeft aldus geredeneerd: Wanneer iemand 65 jaar geworden is, dan is hij niet volkomen geschikt meer voor zijn arbeid. De bezwaren van de ouderdom treden meer en meer naar voren en in de Wijngaard des Heeren blijft hoe langer hoe meer werk liggen, wat noodzakelijk moet worden verricht.
De vitaliteit is aan het verdwijnen. Er is weinig interesse meer voor de dingen, die aan de orde zijn op en buiten het kerkelijk erf. Het is beter, dat zulk een dienaar heengaat, om plaats te maken voor jongeren, die gereed staan.
Wie zal ontkennen, dat hierin op zich zelf iets waars schuilt? Men kon, door te lang aan te blijven, inderdaad misbruik maken van een levenslange Dienst. Maar bleven dat tenslotte toch geen uitzonderingen?
Het Synodaal besluit kan hiermee toch moeilijk verdedigd worden. Ik geloof niet, dat het; doorhakken van knopen doorgaans de gewenste methode is. Vooral hier niet. Om der wille van het misbruik, dat sommige predikanten hebben gemaakt, door aan te blijven, terwijl zij niet meer konden', moet men geen ambtsdragers uit Gemeenten wegrukken, waarop zij nog volop in actie zijn, terwijl hun gezondheid nog niet te wensen overlaat.
Maar vooral: het is met het ambt van herder en leraar nu eenmaal anders dan met een vak. Er is niet alleen principieel verschil, maar ook in de practijk van het leven. Een timmerman van 30 jaar werkt beter dan een van 65. Maar bij de dominees is het, wat preken aangaat, toch wel omgekeerd. De Gemeente heeft meer aan een stuk practijk, dan aan een goed in elkaar zittend stuk theorie.
Alleen wanneer er hard gelopen moet worden, trappen op en af, of wanneer er gedraafd moet worden! van het een naar het ander, daar legt de ouderdom het af. Wij gaan echter niet voort, ambt en vak te vergelijken, want de vakgedachte moet niet toegepast worden op het ambt. Ik blijf geloven, dat men dit te veel heeft gedaan. En dat die gedachte ook in de nieuwe Kerkorde de Hoogeerwaarde Heren bedenkelijke parten speelt.
Welk een plechtig ogenblik bij de Bevestiging is ook dat der Handoplegging. Deze heeft maar éénmaal plaats, dus bij de Bevestiging van een Candidaat.
K.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1950
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1950
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's