De Puritein van de Hertenpolder
79
— Feitelijk hai-jie d'r buuten blieve motte, gekke kwast! Altiet doen of ik ut op je leve gemunt het.
Met een vlucht schiet hij naar de andere hoek van het hok. Hij blijft die man wantrouwen, die hem nooit een teek uittrok. Het is de bokkennatuur, die vreemd blijft aan de herder. Hij is stug en niet afhankelijk. Hij heeft een trotse nek. Hij onderscheidt zich veel van de schapen. Daarom blijft hij een bok.
Janus mag hem daarom niet. Als hij op de lange duur zich door Janus in de nek laat krabben, is hij onwillig en plotseling schiet hij opeens weer tussen de ooien.
Hij is de halve kudde. Anders ging hij er vierkant uit. Zonder hem waren de mollige dikzakken van lammertjes niet bij hun moeders. Hij is goed voor zijn vak, maar zeer onprettig en onhandelbaar.
— Dag baas, zegt opeens iemand achter Janus.
— Azo, jongeman, je komt zeker op de advertentie?
— Krek geraden, baas!
Janus gaat op het schot van het varkenshok zitten. Rustig, want de kleine knecht is gekomen om zijn diensten aan te bieden.
— En wat kun je allemaol, vent? Hoe heet je?
— O ja, ik heet Piet van Wezel; mijn ouders wonen in Langedaal. Ik kan melken, mesten en slootbaggeren.
— Bi-je meer bie boeren geweest?
— Ik heb er al drie versleten — zegt het jochie leukweg.
— Wie was je leste baos?
— Polvest, in de Waterweg, tussen Ashoven en Ringelberge.
— Hoe was die boer?
— Goed en slecht! — antwoordt Piet onmiddellijk.
— Hoe bedoel je dat, Piet?
— Hij was goed voor z'n eigen, maar slecht voor de knecht. Hij was zo gierig als de haaien. Ik had 's middags een apart sauspannetje op de tafel. Hij kocht een kistje slecht vet voor een heel jaar tegelijk en dat voor mij alleen. 't Stonk, eerlijk gezegd, de pan uit! En toen er eens een stukje vlees op tafel kwam, ik kreeg er geen sprietje van. En wèrken? Ik ben er niet te lui voor! 's Morgens vóór 4 uur was ik altijd in het land. Ik hoorde de toren in Langedaal altijd slaan.
Janus gelooft de jongen, die klein van stuk is en 17 jaar oud.
— En de boer, die je daorveur had? Hoe was die?
— Beste kerel. Ik was er helemaal huisgenoot. Geen drijver of zo. En niet gierig!
— Waorum gong je ur vandaon?
— Zijn eigen jongen werd 16 jaar.
— En die eerste boer, daor je geweest bin? Hoe was die?
— Ook goed, baas! Ja hoor, ook goed!
Piet van Wezel voelt 'm. Hij zal geen woord meer ten nadele van zijn gewezen bazen moeten zeggen. Hij zou best nog enkele grieven tegen de eerste boer willen ophalen, maar hij bedenkt zich bijtijds. Alsof hij een waarschuwing van achteren kreeg.
— Noe, dan gaowe effe naor de vrouwen.
Piet van Wezel volgt de jonge boer naar de keuken.
Het zal nog wel wat worden, denkt hij.
— Mia, zegt Janus, hei-je de helper al gezien?
— Ja. Janus, ik heb al een paar woorden met hem gewisseld.
— Ik het al een boom mit 'm opgezet over z'n veurige baozen.
— En?
— Noe, ze kwamme d'r nogal genaodig of, antwoordt Janus.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's