Een domine vertelt
IXb.
3. INTREDE.
Nog weer anders, dan de bevestigingsindrukken zijn, die, waaraan men bij de intrede onderhevig is. Dan staat men voor de eerste maal op de kansel als ambtsdrager, om het Woord te bedienen. Deze eerste predikatie is toch heel wat anders, dan het Voorstel. Het laatste droeg meer het karakter van een examen, al werd het dan ook in een kerk gehouden.
Hier zat de Gemeente niet neer, om het Woord Gods te beluisteren, maar de hoogleraar met de paranymphen, familieleden en kennissen, waaronder wat critisch-ondeugende studenten, die het „geval" nogal grappig vonden, omdat zij zelf zover nog niet waren.
Thans is het de Gemeente die daar neerzit en dat wel: de Gemeente, niet in haar beste vorm. Er wordt nog geen band gevoeld. De meesten nemen nog een afwachtende houding aan. Bovendien zitten vele nieuwsgierige vreemdelingen er onder door.
(Hoe dikwijls heb ik later de Gemeenten voor dat koele afwachtingsysteem gewaarschuwd).
Er zijn dan ook wel mensen, die er een soort principe van maken, (vooral in een stad) om bij een intree niet aanwezig te zijn. Die een domine niet beoordelen willen naar zijn eerste preek, omdat dit toch eigenlijk een gelegenheidspreek is.
Dit is zeer zeker prijzenswaardig en heel wat sympathieker, dan de houding van die mensen, die na de eerste preek al klaar zijn en zeggen: „Wij weten het al; die man heeft voor ons al afscheid gepreekt".
Dit neemt niet weg, dat een gemeentelid toch ook bij de intree van zijn belangstelling wel mag doen blijken.
Het is goed, dat de predikant vooral nuchter blijve en niet teveel onder de indruk kome van de grote schare. Later zal hij wel vernemen, dat de kerk niet alleen bij hem, maar ook bij anderen vol was.
Gewoonlijk wijdt de jonge domine in zijn preek ook een gedeelte aan de nieuwsgierige mensen. (Jonge overmoed valt overal op aan). Hij wil ze toch wel gaarne een lesje geven en hun aandacht trekken.
Nu, waarom niet? Als het maar niet uitloopt op een al te vroegtijdig verwijt. Staat ook domine zelf niet enigszins aan de kwaal der nieuwsgierigheid schuldig?
Later breekt misschien de tijd wel eens aan, b.v. midden in de hooibouw in plattelandsgemeenten, dat hij wel eens zal denken: ik heb toch nog liever te doen met nieuwsgierige, dan met slapende mensen.
Want o wee! als straks de nieuwsgierigheid er af is, dan komt bij velen de slaapperiode.
Welk een aangename verruiming, wanneer tenslotte ook de intreemiddag zonder wanklank verliep. Wanneer de Heere de band waarlijk gelegd heeft tussen Gemeente en leraar en slechts Zijn Woord weerklonk.
Het zijn dagen, die men zich blijft herinneren, ook in het latere leven. Vooral de herinnering aan die Maandag na de allereerste intree-Zondag is mij tot heden bijgebleven.
De vorige dag had ik intree gedaan met de tekst: Psalm 39 : 8: „En nu wat verwacht ik o Heere? mijne hope, die is op U!"
Over de keuze van die tekst had ik geen berouw, al opperde een vriend er enig bezwaar tegen. Hij vond het gewenster, bij de intree een tekst te kiezen, waarin meer uitkwam, wat men als dienaar des Woords nu dacht te verkondigen, namelijk het volle Evangelie, opdat de bazuin toch vooral een zeker geluid zou geven.
Ik kon in hun bezwaar goed inkomen. Overigens geloof ik toch ook, dat ieder geleid wordt in de keuze van zijn tekst.
Voor mij was het overheersende op die dag: „Mijne hope, die is op U !"
Maar nu de Maandag! Waar was de moed en de hope van Zondag? Of had ik Zondag mijne verantwoordelijkheid niet voldoende beseft? Hoe het zij, nu kwam dat gevoel mij plotseling overvallen en neerdrukken. Ik voelde nu, een ander leven te zijn ingetreden en stond meteen voor een zware last.
De gewone arbeid in de wijngaard des Heeren lag daar nu heel rustig klaar. Het nieuwe, het sensatieachtige was voorbij en ik had maar te beginnen.
Toch zag ik nu tegen alles op als tegen een berg. Ik voelde mij jong en onbekwaam en miste alle zelfvertrouwen.
Zeg nu niet: het is ook nodig, dat een mens alle zelfvertrouwen verliest, want zó bedoel ik het niet.
Ik weet ook wel, dat het beter is, op de Heere te vertrouwen dan op zichzelven. Maar wij hebben hier dat zelfvertrouwen niet op te vatten als tegenstelling van het Godsbetrouwen, maar als uitvloeisel er van. Het is als een rustig constateren van hetgeen wij ontvangen hebben van de Heere.
Die van de Heere 5 talenten ontving of 2 of 1, die mag zich niet laten beangstigen met de gedachte, dat hij niets ontving.
Wij moeten het ook aandurven met hetgeen de Heere schonk.
Dus geen overschatting, maar ook geen onderschatting van zichzelf. Want, die zichzelf onderschat, is niet in staat, om te werken.
In die moedeloze onderschatting zat ik op die Maandag gevangen en daarmee ontbrak op dat ogenblik tevens alle lust, om tot de arbeid in te gaan.
Gelukkig nam de Heere dit middellijker wijze spoedig weg. Langzaam aan ging de zon weer op en mocht ik weer aanschouwen de schoonheid van de taak, mij toevertrouwd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's