Artikel X in de Synode
De beslissing is gevallen.
Met 76 tegen 14 stemmen nam de Synode het ontwerp Kerkorde aan; het voornaamste bezwaar der Gereformeerde tegenstanders betrof artikel 10, dat volgens hen geen waarborgen bood voor de goede functionnering van de belijdenis in het kerkelijk leven.
Volgens het verslag heeft de Synode enige uren gehandeld over de draagwijdte van de formule „in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen" en het door de Geref. Bond voorgestelde amendement „in overeenstemming met de belijdenis der Kerk".
Het is van belang na te gaan, hoe in de Synode over deze kwestie, het scharnier, waar alles in het kerkelijk leven om draait, is gedacht, en daar niet iedere lezer het Weekblad van de Ned. Hervormde Kerk toegestuurd krijgt, lijkt het ons maar 't beste het verslag van de discussie in extenso hier over te nemen.
Artikel X.
Enige uren wordt gehandeld over de draagwijdte van de formule: „in gemeenschap met de belijdenis der vaderen". De Synode — aldus een der leden — moet goed weten, wat ze daarmee bedoelt. Laat b.v. de interpretatie in de brochure van het synodelid ds. Bakker voldoende recht wedervaren aan de enigheid des Geestes? Het mag toch niet alles vrijblijvend zijn. Gezocht moet worden — aldus een tweede spreker — naar een formulering, die tot de diepste achtergronden doorstoot. Ds. Bakker zelf antwoordt, dat hij slechts wilde onderstrepen, dat de belijdenis niet wettisch moet opgevat worden. Het gaat niet om instemming met de letter der belijdenis, maar om gemeenschap met de belijdenis der vaderen, en dat is géén vrijblijvendheid. De eerste spreker wil ook geen wettische binding. De belijdenis mag niet op zichzelf genomen worden, maar zij wil ons voor het Woord Gods plaatsen. Wij moeten echter erkennen, dat de Kerk op grond van haar luisteren naar het Woord tot bepaalde beslissingen is gekomen, die wij ernstig hebben te nemen.
Een volgende spreker zegt, dat het reformatorische belijden altijd iets heeft van het voorlopige, het revisibele. Belijden is een proces, zoals ook in de term „de weg van het belijden" uitkomt. Een ander zegt, dat gemeenschap veronderstelt, dat men in verscheidenheid van tijd en situatie tot een verschillende beslissing komt, hoewel die in hetzelfde belijden verankerd is. Een volgende spreker wijst er op, dat de enigheid des Geestes blijkens het leven der Kerk in deze jaren reeds in werking is en dat het daarom blijk van ongeloof zou zijn, wanneer men aan de term „in gemeenschap met" iets zou toevoegen. Intussen mag men niet goochelen met de woorden relatief en absoluut, want relatief kan in een bepaalde situatie absoluut en dus bindend zijn.
Een andere spreker pleit voor de toevoeging „in overeenstemming met". Deze spr. huivert voor de interpretatie van ds. Bakker; hij acht die vrij en ongebonden, wel in overeenstemming met de natuur van de mens, maar niet gebonden aan het Woord van God. Binding aan de belijdenis is 'nodig. Wij hebben — aldus spr. — de opdracht gekregen om te strijden voor het geloof, dat uit de Reformatie is te voorschijn gekomen. Een volgende spreker vraagt, of de belijdenis der vaderen alleen historische waarde heeft, dan wel nog onze belijdenis is. Weer een ander is dankbaar voor de eerlijkheid van de discussies, maar tevens bedroefd, omdat zijns inziens de belijdenis van haar kerkrechtelijke functie wordt beroofd.
Een der leden stelt de mogelijkheid, dat de gemeenschap zó rekbaar wordt gemaakt, dat de grondslagen van de waarheid worden aangetast. Hij vraagt, dat de Synode duidelijk uitspreke, dat het haar ernst is met de gemeenschap. Een ander zegt, dat het zal moeten blijken, of de Kerk op de weg van het belijden is, of zij de moed heeft om met vrijmoedigheid beslissingen te nemen, wat ze nu eigenlijk met artikel X bedoelt.
Een der sprekers komt er nog eens voor op, dat ieder dogma tijdelijk is bepaald en dat men moet waken voor terugval in het confessionalisme. Maar hij komt er tevens met kracht tegen op, dat hij een vrijheid zou willen, die ongebonden zou zijn en dat hij vrijblijvend zou willen spreken. Hij wil juist vanuit de Heilige Schrift critiek op de belijdenis der vaderen geven. Er ligt een diepe Hoof tussen de tijd van het ontstaan der belijdenisgeschriften en de tegenwoordige tijd; daarom moet de band niet te strak worden aangehaald, maar met de ernst over de gemeenschap worden gesproken. De boeken van vrijzinnige zijde over de Nederlandse Geloofsbelijdenis en over Fundamenten en Perspectieven, zochten juist die gemeenschap.
Een nieuwe spreker meent dat de Synode, staande voor een grote beslissing, zich niet door de angst, maar door het geloof moet laten leiden inzake haar verhouding tot de vrijzinnigen. Laat men dankbaar en blij zijn, dat er iets van het nieuwe belijden aan de gang is en laat de belijdenis geen wettisch statuut worden, waaraan men zich moet houden. Men belaste het woord „gemeenschap" niet met een juk, dat sommigen niet kunnen en ook niet behoeven te dragen. Hierbij aansluitend zegt de volgende, dat de belijdenis der vaderen een schat der Kerk is, die onvervreemdbaar is en waarmee de gemeenschap onverbreekbaar is. Is het dan denkbaar, dat, wanneer de Heilige Geest ook thans aangordt tot belijden, men tot een ander belijden zou komen? Wanneer de belijdenis werkelijk in actie komt, wanneer de belijdenisgeschriften werkelijk gaan bewegen in ons hart en in ons spreken, dan gaan Woord en Geest óók meespreken en dat maakt nu net, dat het belijden niet meer letterlijk is, maar geestelijk. Geen vrees, maar met de waarheid van God in het open veld! Voortgaande de discussie, wordt onderscheiden tussen actualistische opvatting van de belijdenis en een, die haar ziet als herhaling van de Schrift (repetitio scripturæ). De tweede opvatting heeft het in de geschiedenis van de Kerk gewonnen. Volgens artikel X moeten nu ook de belijdenisgeschriften op tafel komen. Dit artikel geeft de volle kans, ook aan de mannen van de Gereformeerde Bond, om in de grondvergaderingen der Kerk de waarheid te verbreiden. En het is toch niet teveel gevraagd van de vrijzinnigen, als men vraagt of zij de belijdenis der vaderen erkennen als de belijdenis der Kerk, ook al zou iemand niet alles persoonlijk voor zijn rekening kunnen nemen? Hoe zou het in de Kerk der eeuwen mogelijk zijn, dat de belijdenis der vaderen niet zou bedoelen de belijdenis der Kerk van heden? Maar ook Calvijn handelde met de belijdenisgeschriften naar de omstandigheden; daarom wilde hij in het ene geval het Niceum niet ondertekenen en deed dit in een ander geval met de Augustana wel.
Verschillende sprekers gaven uiting aan hun grote dankbaarheid voor het gesprek van deze middag. Wij verwachten het niet van garanties der formules, maar van de gemeenschap met Christus zelf.
Gaande de verdere discussie wordt, na een woord uit de Classis Emmen, met nadruk gezegd, dat vanuit het centrum der Kerk in de Generale Synode geen bedoeling voorzit om degenen, die geestelijk in de Zwinglibond leven, na aanneming van de kerkorde kwijt te raken. Maar allen samen, ook uiterst-rechts, ook van de „centrumpartij", worden wij geconfronteerd met de Waarheid, d.i. met Jezus Christus. Dit leidt tot beslissingen, òf van eenheid òf van scheiding, uiteraard ook bij de leden van de genoemde bond. Moge een verkeerd en ongegrond wantrouwen uit de harten verdwijnen.
Is de belijdenis der vaderen ook nog onze belijdenis, de belijdenis van onze Kerk? Ja, ongetwijfeld! Zou het niet goed zijn, dit nog opzettelijk geformuleerd in te voegen, zoals een amendement dit wil? Neen, want het staat al argeloos en duidelijk in lid 2 en 3 van artikel X.
Met 7 stemmen vóór wordt het amendement verworpen.
We tekenen daarbij het volgende aan.
Blijkens het verslag heeft de Synode geen duidelijke uitspraak gedaan over haar opvatting aangaande de formule „in gemeenschap met". Men behoeft geen profeet te zijn om te voorspellen, dat dit fnuikend is voor de toekomst. Ieder kan deze formule interpreteren naar eigen opvatting. Een Noord-Hollandse classis zal artikel X anders uitleggen dan een Zuid-Hollandse classis, dit geldt ook voor de kerkeraden en de andere meerdere vergaderingen. Beroep op de Synode is niet mogelijk, daar de Synode geen uitspraak heeft gedaan en alles in de mist heeft gelaten.
Wat we wèl hebben, dat zijn de particuliere uitspraken van de Synodeleden, die als zodanig geen kerkelijke sanctie dragen. Practisch hebben wij er ook weinig aan, daar ook de ene voorstander er anders over denkt dan de andere. Dr. Schroten, die aarzelend voorstemde, zal toch aangaande de interpretatie van artikel X in mening verschillen van ds. Bakker, die de functie der belijdenis ziet als een „in-geest-en-hoofdzaak" functie. Het beroep op de uitspraken van de Synodeleden heeft derhalve ook geen zin.
Blijkens het verslag kwam in de Synode het verschil in houding tegenover de belijdenis van onderscheidene afgevaardigden duidelijk uit. Wensen Gereformeerde afgevaardigden de binding aan de belijdenis (zie het door ons gecursiveerde gedeelte in het verslag), anderen waren van mening, dat de belijdenis niet letterlijk opgevat mag worden en niet gezien mag worden als een wettisch statuut, dat ze geldt voor bepaalde tijden, terwijl haar functie bovenal is heenwijzing naar het Woord, dat in de Kerk critiek op de belijdenis toegestaan is en een strakke band vermeden moet worden, ook behoeft men niet alles van de belijdenis voor zijn rekening te nemen.
Uit dit résumé blijkt terdege, dat een distantie tegenover de belijdenis wordt aangenomen.
Hoever die distantie mag gaan, daarover deed de Synode geen uitspraak.
Als men verschillende uitspraken legt naast die der Remonstranten van 1618 – 1619 (zie Dr. A. D. R. Polman „Onze Nederl. Geloofsbelijdenis" hoofdst. I Wezen en Waarde van de belijdenisgeschriften) dan valt hun overeenkomst op. Ook zij zagen het belijdenisgeschrift als een heenwijzing, als „een fakkel in een duistere nacht, als vuurbakens", ook zij vreesden een „wettische" toepassing en waren beducht voor het „constante".
Uiteindelijk kan men onderscheiden, zoals ook ter Synode bleek, tussen een actualistische opvatting en een die haar ziet als herhaling van de Schrift (repetitio scripturae).
Onze Gereformeerde vaderen kozen het laatste en zagen de belijdenis als vertolking van de Waarheid Gods.
De Synode sprak zich niet uit en liet ook deze kwestie in het midden.
Maar de distantie kwam openbaar, ook daar, waar men het opnam voor „de religie" der belijdenis en niet voor „de letter" der belijdenis.
Voor onze vaderen was de religie der belijdenis de belijdenis der religie.
Wij zien de toekomst der Herv. Kerk met zorg tegemoet, te meer ook daar nu het recht om van de „letterlijke" belijdenis in bepaalde punten af te wijken met de door de Synode aanvaarde formulering kan worden gestaafd.
A.
H. J.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's