„Mijn Zoon”
UIT EGYPTE HEB IK MIJN ZOON GEROEPEN". Mattheüs 2 vers 15.
,, Heeft God een zoon ? " was eens de verwonderde uitroep van een Joodse jongen, die door de Geest geleid, in de Heilige Schrift onderwezen werd tot bekering. Ja, God heeft een zoon, geloofd zij zijn heilige Naam. Want nu God een zoon heeft, heeft Hij meer zonen, gelijk ons bij Schriftonderzoek blijkt, zijn mensen als u en ik kinderen Gods.
,, Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen", de jonge Jezus, die met Maria en Jozef naar Egypte had moeten gaan. In de stal gezoogd, in de kribbe gewiegd, heeft Hij na het bezoek van de wijzen uit het oosten en na de voorstelling in de tempel nog geen rust gehad ; Hij moest vluchten voor de moordenaarshand van Herodes de Grote, die het koningskind vreesde. Al spoedig moest Hij weg, want Herodes heeft niet lang meer geleefd ; de leeftijdsgrens van twee jaar voor zijn kindermoord zal wel heel ruim zijn genomen. Maar zo heeft de Heere ook niet lang in Egypte behoeven te blijven, al kon Hij niet naar Bethlehem terug ; de engel des Heeren roept Jozef in de droom na Herodes' dood op, terug te keren met Jezus en Maria in het land Israels, Matth. 2 vs. 19, 20.
Mattheüs vertelt deze geschiedenis met aanhaling van een woord uit de Schriften, uit het Oude Testament. En hij voegt er hier voor 't eerst aan toe, zoals hij verder telkens weer doet, dat wat er geschied is, geschiedde „opdat de Schrift zou vervuld worden", omdat deze geschiedenissen dieper zin hebben dan zo voor de hand ligt. Het gaat niet maar om het verhaal en om de gebeurtenissen met Jezus vanaf zijn jeugd ; het gaat om het werk van de Zaligmaker, ja, het gaat om u en om mij !
,, Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen", want God heeft een zoon ! En die zoon van God moest naar Egypte gaan, om vandaar weer geroepen te worden, omdat Hij meer dan de zoon van God was, omdat Hij ook zoon des mensen was, ,, geworden uit een vrouw opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden". Gal. 4 vs. 4, 5, namelijk aanneming tot kinderen Gods.
In het geslachtsregister van Jezus bij Lukas (4 VS. 38) wordt niet Jezus, maar Adam de Zoon van God genoemd. Adam had immers geen menselijke ouders en is toch niet zo-maar te voorschijn gekomen : de Schepper van hemel en aarde heeft hem gemaakt uit het stof der aarde en uit zijn eigen Levensadem (Gen. 2 vs. 7, Zach. 12 vs. 1). en noemt hem in zijn nederbuigende goedheid zijn zoon : de zoon van God. En nu moesten de kinderen van deze Adam niet alleen mensen-kinderen zijn uit hun menselijke ouders Adam en Eva ; ze moesten tegelijkertijd kinderen Gods zijn uit hun oorsprong, die God zelf is.
Maar dat voorrecht is in de zondeval verloren gegaan ; we zijn door onze natuurlijke geboorte Gods kinderen niet meer. Daarom moest nu de Heere Jezus mens worden uit een vrouw, ,, opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden", om te worden hetgeen waartoe God ons geschapen had, kinderen Gods, mensen-kinderen die wij zijn.
Daarom is de zoon van God, zoon des mensen geworden, wat Hij niet was. En wij, die, in onderscheid van Adam, wel kinderen der mensen zijn, maar niet meer kinderen van God, worden door geloof in onze Heere Jezus om zijnentwil kinderen Gods genoemd, zoals wij al vinden in Genesis 6 VS. 2, dat „Gods zonen, de dochteren der mensen aanzagen", dat Gods volk zich met de ongelovige wereld vermengde ; dat Gods zonen in Egypte verkeerden !
,, Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen": Hij kon niet uit Egypte geroepen worden, als Hij er niet was. Maar de Heere Jezus is niet voor zichzelf in Egypte geweest ; alles wat Hij hier op aarde gedaan en geleden heeft, was in de plaats en ten bate van zijn volk. Zo is dan zijn volk ook in Egypte geweest en uit Egypte geroepen. En daarnaar is het, dat Mattheüs verwijst ; en dat is ook het diepere doel, waarom de Schrift deze gebeurtenis vermeldt.
Hetzelfde tekstwoord vinden wij namelijk bij Hozea, 11 vs. 1. Daar, bij Hozea, is deze zoon van God niet allereerst de Messias, die komen zou ; de eigen zoon van God, maar het is Israël, het volk van God. ,, Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb mijn zoon uit Egypte geroepen". De profeet vergelijkt zijn volk hier met een kind, en wel met een kind van God. Zoals een vader zijn kind lopen leert, „leerde (God) Efraïm gaan" en ,, nam ze op zijn armen", vers 3. Dat kind nu dat Israël was, is uit Egypte geroepen ; daar verkeerde het en vandaar haalde Hij het door zijn roepstem weg, door de dienst van Mozes. Want Gods zoon moest in Egypte niet blijven, daar was het van de HEERE vervreemd, daar diende het de vreemden en leefde het in zonden ; het was het Egypte der zonde, het diensthuis, waaruit God zijn volk bevrijdde, opdat het niet langer de vreemden, noch zichzelf, maar Hem zou dienen. Wiens kinderen zij waren, omdat Hij hen immers lot zijn kinderen, tot zijn volk had aangenomen.
Aangenomen kinderen waren het, niet Gods eigen kinderen. ,, Uit alle geslachten der aarde heb Ik u alleen gekend", zoals wij ook Ex. 2 VS. 25 lezen : „En God zag de kinderen Israels aan, en God kende (hen)". In de plaats van Adam, de zoon van God, die met het gehele mensen-geslacht van het kindschap van God afgevallen was, heeft God zijn eigen zoon gezonden om. tot een nieuw hoofd van een nieuwe mensheid te worden, om in Hem tot kinderen aan te nemen allen, die Hij dat recht geeft, allen, die Hij er toe roept. Hand. 2 vs. 39.
Tot volvoering van dit werk heeft God het genade-verbond met Abraham gemaakt, maar heeft Hij Abraham's nageslacht uit Izak en Jakob eerst naar Egypte gezonden, opdat zou blijken en zij zouden leren, dat zij niet uit zichzelf kinderen Gods waren, evenmin als hun voorouders het waren geweest. God heeft zijn heilsplan niet in Egypte aangevangen, evenmin als de Heere Jezus in Egypte is geboren ; maar Hij heeft zijn heilswerk wel door Egypte heen volvoerd, bij zijn eigen Zoon, Jezus Christus, en bij zijn zoon Israël; ,, uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen", door Mozes — door de engel des Heeren.
Uit het Egypte der zonde. Daar moest Gods zoon heen, omdat Gods volk er verkeerde. Maar daar moest Gods zoon uit terug-geroepen worden, opdat Hij er Gods volk uit kon verlossen. Scheen Egypte niet het graf voor het geslacht van vader Jakob, voor hen, die de zegen van Abraham hadden ? Daar leefden de Israëliéten als slaven en stierven als slaven ; daar werden hun mannelijke kinderen vermoord en scheen hun einde nabij. En scheen niet! veel meer nog Egypte het graf der zonde, waar de laatste sporen van de God van Abraham, Izak en Jakob in de dienst der vreemden en hun goden uitgewist werden en het volk van God tot de heidense afgodendienst uit de tijd van vóór Abraham teruggekeerd was ?
„Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen", mijn zoon Israël, toen zij door hun gedrag mijn kinderen niet meer waren en om hun lot mijn kinderen niet meer schenen. Alleen, om het verbond dat de Heere gemaakt had, om het genade-verbond dat Hij met Adam, eens de zoon van God, gesloten had ; om het zaad van Abraham en Izak dat uit hen geboren moest worden; alleen omdat dat zaad, dat de Heere Jezus was, ook in Egypte gevoerd en uit Egypte geroepen was, heeft God zijn volk niet verstoten doch gekend, heeft Hij het als het ware toen tot zijn volk gemaakt en zo gezegd : ,, Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen". Hem en die Ik sinds de verlossing uit Egypte mijn zoon noem !
,, Mijn zoon", niet alleen de eigen zoon van God, en niet alleen Israël, het Joodse volk. Maar „mijn zoon", allen, die Ik daartoe verkoren heb en met mijn drieënige Naam gemerkt heb, Israël zoon, zelfs nu. hoewel zij de zoon van God gekruisigd hebben en nog verwerpen. Ook wij, die tot de nieuw-testamentische gemeente behoren en in Gods naam gedoopt zijn. Maar ,, zij zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn" en alle kerkmensen geloven niet echt in Hem. ,, Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven, kinderen Gods te worden, (namelijk) die in zijn Naam geloven ; welke niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn", Joh. 1 vs. 11 — 13.
Wat is dan het kenmerk van hen, die waarlijk kinderen Gods zijn, die zich van Godswege tot hun troost en sterkte ,, mijn zoon" horen noemen ? Immers dit ,, uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen"! Uit het Egypte der zonde, waar Hij en zij om der zonde wil verkeerd hebben, Hij om hun zonde, zij in eigen zonde. Maar waar zij niet gebleven zijn : Hij niet om hun tot verlossing te kunnen zijn, zij niet omdat Ik er hen uit geroepen heb en iij het er niet uit kunnen houden: ,, Op hun noodgeschrei, deed Ik grote wonderen", Hij heeft Egypte verlaten als het hoofd van zijn gemeente, en heeft zo zijn gehele gemeente mee uitgevoerd uit Egypte, ten blijke waarvan zij gedoopt zijn en waardoor zij gerechtigd zijn, zich kinderen Gods te noemen (doops-formulier) ; maar Hij neemt mee in het beloofde land Kanaan, in het hemels vaderland, alleen degenen, die Hem volgen in zijn uitgang uit Egypte en door de woestijn van deze wereld ,, tot in de dood des kruises", om zo andermaal uit het zondegraf opgestaan, voor eeuwig verheerlijkt en met Hem te zijn, die als eigen zoon van God, onze oudste broeder is, om Wiens wil en door Wiens Woord en Geest alleen wij ware kinderen Gods zijn.
Lezer, wat doet gij ? Blijft gij nog in het Egypte der zonde, hoewel de zoon van God de zijnen heeft uitgevoerd; hoewel God zegt: „Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen "? Als dat niet veranderd is bij uw dood, zult gij niet bij God kunnen komen, daar gij dan het kenmerk van zijn zoon mist ! En daar gij niet weet, wanneer gij sterft, moet gij geen ogenblik uitstellen, door genade de roepstem ,, uit Egypte !" te gehoorzamen. Vreemd volk ging mmee uit Egypte, met Mozes en de Israëlieten, hoewel niet geroepen,
Ex. 12 VS. 38) ; en zult gij geroepen zijn en niet uitgaan ?
Wat doet gij, die terugkeert naar het Egypte der zonde, anders dan met de onheilige Ezau uw eerstgeboorterecht verkopen ? O, vrees, dat er geen slachtoffer meer overblijft voor de zonde, Hebr. 12. Of wat doet gij, die met de zonde heult, anders dan met de murmurerende Israëlieten in de woestijn terug verlangen naar de slaafse genietingen van Egypte ? Maar ,, in het merendeel van hen heeft God geen behagen gehad" en gij loopt groot gevaar, dat gij de roepstem om uit Egypte uit te gaan, versmoort.
Wat doet gij, lezer ? Uitgaan en steeds weer uitgaan uit het Egypte der dienstbaarheid, om te staan in de „vrijheid, waarmee Christus u heeft vrijgemaakt ? " Hebt gij de genietingen van Egypte prijs gegeven en geeft gij ze gedurig weer prijs, om in overgave aan de zoon van God, zelf zoon van God te zijn en broeder van Hem, Die ,, zich niet schaamt hen broeders te noemen " Hebr. 2 vs. 11? Dan zult gij even zeker delen in zijn heerlijkheid als Hij thans in heerlijkheid gezeten is aan de rechterhand zijns Vaders, Die dan ook waarlijk uw Vader in de hemelen is ! ,, Door U, door U alleen om 't eeuwig welbehagen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's