Een domine vertelt
XI. ZIEKENBEZOEK.
2. Berichtgeving noodzakelijk.
Wat is ziekenbezoek overigens een sympathiek werk. Het geniet zelfs in christelijke kringen een zekere populariteit. En dat terecht.
Er zijn nog heel wat dienende Martha's, die gaarne hun versnaperingen gereed maken en rondbrengen bij hen, die het nodig hebben. De zieken genieten er van.
Er zijn er gelukkig maar weinigen, wie 't gaat als die vrouw, die ik jaren geleden eens bezocht. Zij was meer dan 30 jaar ziek geweest. Juist, toen ik binnen kwam, trad een bezoekster naar buiten, die elke dag op dezelfde tijd terug kwam en haar van het nodige voorzag.
Op mijn vraag : ,, Komt zij al lang u bezoeken ? " gaf de zieke met een meewarige glimlach ten antwoord : ,, Och ja, al heel lang ! dat mens denkt met haar goede werken de hemel te verdienen".
,, Wel zo", was mijn wederwoord : " Maar gij hebt toch al die jaren van haar goede werken genoten, nietwaar ? "
Er zijn ook wel gewone gemeenteleden, die zich gedrongen gevoelen de een of andere kranke eens aan te spreken over de eeuwige dingen.
,, Het is zo heerlijk ", zegt men wel eens, ,, om troost te kunnen brengen".
Nu, daar zal niemand iets afdoen. Maar om troost te kunnen brengen, moeten twee dingen vaststaan.
Ten eerste moet men zelf ook de troost uit Gods hand hebben ontvangen, zodat Zondag 1 van de Heid. Catechismus leeft in onze ziel.
Is dat niet het geval, dan is het maar een mager beetje, wat ik aan een zieke heb te brengen, ook al zou ik hem de hele preek van j.l. Zondag kunnen vertellen. Het hart moet er namelijk in zitten.
Want ga ik alleen naar een zieke, om eens wat nieuwsgierig te neuzen, hoe het met zijn toestand voor de eeuwigheid gesteld is, dan had ik beter thuis kunnen blijven.
Willen wij ziekenbezoek doen, dan moeten wij ook door de liefde gedreven worden, en ik vrees, dat velen zich op dit punt weinig onderzocht hebben.
Ten tweede moet die kranke ook aan de enige troost toe zijn. Hoe kan ik toch troost brengen aan mensen, die niet bedroefd zijn?
Het gaat hier dus maar niet om een stichtelijk woordje, zonder meer. Men wordt er wel wat wee van, zo wijs als sommige mensen zijn met hun „stichtelijke woordjes", die ze hier of daar mochten spreken en hoe zij er over uit zijn, dat „hun gebedswoorden zo gemakkelijk vloeiden".
Zij waren er zelf verrukt over. Kregen er de tranen van in de ogen. Och ja, zulke mensen vinden ziekenbezoek een mooi werk. Is het dat dan niet ? O, zeer zeker ! alleen, men verlieze toch vooral de werkelijkheid niet uit het oog. Zó vlot en gemakkelijk gaat dat nu niet, zoals velen zich voorstellen.
Voor de ambtsdrager liggen naast het schone in deze arbeid ook tal van bezwaren.
Om maar te beginnen bij de Berichtgeving. Het is toch niet minder dan behoorlijk, dat de gemeenteleden er bericht van geven, wanneer een der zieke huisgenoten bezoek verlangt.
Dit wordt nogal eens nagelaten. Hoort men het dan eindelijk uit de mond van anderen en komt men bij de zieke binnenstappen, dan is het gewone verwijt, waarmee men begroet wordt : ,, Zo, komt u daar eindelijk eens aan ? U wist toch, dat ik ziek was ? "
Dan moet deze questie eerst afgehandeld worden.
„Neen, ik wist dat toch werkelijk niet", zegt de ambtsdrager.
„Niet ? " antwoordt de zieke dan wel eens met twijfelende blik : ,, Maar u heeft mij toch zeker wel in de kerk gemist ? "
Men voelt zich min of meer beledigd, dat dit aan domine is ontgaan.
Of de kerk groot of klein is, dat doet er voor hen niets toe. De domine moet het Woord Gods prediken. Hij moet in het gebed zoveel gedenken. Hij moet opgaan in het Woord, dat verkondigd wordt; ja, zeg het maar : zijn ziel er in leggen. En tegelijk moet hij de schare overzien en zijn getrouwen missen.
Hij moet precies weten in welke bank of op welke stoel zij gewoonlijk zitten. En zijn ze er niet, dan moet hij verwonderd denken: ,, hé, waar zou die of die wezen ? " Met andere woorden : zij willen persoonlijk in zijn gedachtenleven opgenomen wezen.
O, gij, die zulke gedachten koestert, gij hebt ook zelfs geen flauw begrip van het ambtelijk werk van de prediker. Gij vergeet ook, dat hij mens is en dat de Heere hem op dit ogenblik maar één werk op het harte bond.
Moet hij Gods kranken gedenken, de Héere zal het in zijn gedachtenis brengen en houden, anders zou hij ook dat vergeten. Maar hoe minder die dienaar nu maar denkt : ,, 0, dat is die of die !" hoe beter het is.
Want gewoonlijk slepen wij al veel te veel mee de preekstoel op, wat wij beter kwijt konden wezen. Zovele ,, questies", die even tevoren nog werden te berde gebracht. Wat de ene broeder niet weet, weet de andere.
Zovele afkondigingen dragen wij vaak in de hand, waarvan er geen enkele mag worden vergeten.
Het zijn ook niet de beste ogenblikken voor de leraar, wanneer hij in de kerk van alles en nog wat opmerkt. Het leidt maar af.
intussen wat anders : Elk gemeentelid dient te begrijpen, dat het toch nog wel een boodschap waard is, wanneer men ziekenbezoek begeert. Dat brengt ook de orde zo mee.
Helaas, hier hapert nog meer. Daar zijn ook vele zieken, die er geen prijs op stellen dat domine hen bezoekt. Somtijds uit verlegenheid, omdat zij niet weten, wat houding zij aannemen zullen, daar zij weinig of nooit meer kerkten ; soms ook uit onverschilligheid.
Dan komen er wel eens buren, die het u mededelen en zeggen : ,, Het zou goed zijn, als domine daar eens heen ging, want ook die heeft toch een ziel te verliezen". ,, Maar" zo voegt men er dan bij — : „Vertelt u vooral toch niet, dat ik het u gezegd heb". Sommigen menen nu te kunnen zeggen : Neen, ik ga alleen, wanneer de zieke er zelf om vraagt.
Goed, dat zou de orde zijn. Maar als die mensen nu dan toch nog met een broos draadje aan de kerk verbonden waren, zou men vrij uitgaan, met weg te blijven ?
Neen, want de weg moge niet geëffend zijn, hij kon toch op die wijze weer eens geëffend worden. Alles ligt in Gods hand.
Toch is zulk ziekenbezoek eerst niet het aangenaamste. Althans niet het gemakkelijkste.
Wie kranken heeft, maar gans vergeet De pastor te berichten,
Moet dus, als deze het niet weet. Hem daarom niet betichten.
De kranke was niet in Gods huis ; Maar dat ik hem zou missen.
Daarin zijt gij allicht abuis, Wil u dus niet vergissen.
Moet ik mij snel en onvervaard Naar mijne kranken spoeden ;
Is 't u dan geen berichtje waard.
Om erger te verhoeden ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's