De Puritein van de Hertenpolder
FEUILLETON
82
— Zó is 't. Moeder, zegt Janus met nadruk, en dan denk ik an de kleine ketter. Mag ik da gedicht us veurlezen ?
— Dat weet je. Janus, antwoordt Mia, die daar een liefhebster van is.
Soms leest Janus ook letterkundige gedichten van Willem de Mérode voor, uit diens „Langs de Heirweg". Hij kan dit op een schone wijze en legt leven in.de woorden, wat 't begrijpen van 't geheel bevordert.
"Hij vat een oud, verlegen schoonschrift uit de courantenhanger en slaat het open. Dan luidt de titel : ,,De kleine Ketter".
Het waren bange dagen.
De Spanjaard woedde in 't land.
En Alva met z'n beulen
Dreigde elk met moord en brand.
Wie 's Heeren Woord wou eren,
Wie 't hart aan Jezus gaf.
Hij kreeg van Rome's priester
De pijnbank tot z'n straf.
Wie voor geen beeld wou knielen.
Omdat hij bad tot God,
Bracht Spanje's Inquisitie
Op houtmijt en schavot.
En duizenden bezweken
Of zwierven hulploos rond,
Beroofd van huis en have,
Verjaagd van eigen grond.
Doch hoe de priesters woedden,
De ketters stonden pal.
En 't bloed der Martelaren
Bracht Rome's kerk ten val.
Een jongske, zwak en teder,
Zwierf ook alleen door 't land,
Zijn Vader was gehangen.
Zijn Moeder was verbrand.
Men had hem in een klooster
Bij nonnetjes gebracht.
Die zouden hem bekeren,
Maar hij ontvlucht bij nacht.
Nu liep hij vele dagen
Door bos en velden rond,
Tot eind'lijk op een avond,
Een jonge boer hem vond.
Verkleumd door natte en koude.
De knaap liep zonder buis,
Nam hij met medelijden
De zwerver mee naar huis. —
Vrouw, sprak hij binnentredend,
(Zijn vader woonde ook daar),
Maak voor deez' arme jongen
Een bed en spijze klaar.
Ik vond hem half bezweken,
't Hart brak van deernis mij,
't Is wis een kleine ketter.
Maar óok een mens, als wij.
Verbaasd, verschrikt en huiv'rend
Ziet zij de jongen aan.
Zo klein, en al een ketter !
De wereld moet vergaan ! —
Een ketter ! roept ze rillend
En slaat een dubbel kruis.
Men sluit de boze buiten.
Geen ketter in ons huis.
Wis droeg ons veld geen vrucht meer.
Geen rund bleef in de stal.
Elke ketter brengt zijn vloek mee.
Die volgt hen overal. —
Zacht, zacht, sprak thans de vader.
Vol ijver voor de kerk;
Een ketter te bekeren is een verdienstelijk werk.
Dat brengt driedubbele zegen
In huis en stal en veld
En loon ook in de hemel.
Dat dient niet licht geteld. —
Zeg, jongen — dus begon hij
Als gij uw ketterij En duivelsdienst laat varen
En leven wilt als wij.
Dan moogt ge bij ons blijven
En lijdt geen honger meer
En hoeft niet meer te zwerven.
Maar vindt een huis hier weer.
Gij gaat dan hier ter kerke
Bij Heeroom, die is goed.
En blijft bij 't oud gelove
En schuwt 't Ketterbroed.
Gij maakt dan trouw uw kruisen
En bidt als ieder doet.
Driemaal een Vader-onsje
En tienmaal : Weest gegroet.
Gij bidt ook tot St. Jozef, Sint Lukas en Sint Jan,
En tal van andere heiligen.
Meer dan ik noemen kan.
Wel jongen, wil nu kiezen.
Gij hebt genoeg gehoord,
Geloof wat wij geloven
En anders : pak je voort !
Wat koos de kleine ketter ?
— Boer •— sprak hij — ik zal gaan !
'k Bid wel het Onze Vader,
Maar 'k bid geen beelden aan.
'k Wil God en Christus eren.
Dat is geen ketterij.
Voor mij zal Jezus zorgen,
Schoon ik ook honger lij ! —
Weg, rekel ! riep de vader. —
Voort, ketter ! riep de vrouw.
En joeg de knaap naar buiten, In storm en bitt're kou.
En 's morgens in de weide,
Nabij de rand der sloot.
Vond men de arme jongen.
De kleine ketter dood.
Zijn lichaam was bezweken.
Zijn ziel bij God, de Heer' ;
Daar kent hij nu geen lijden.
Geen kou en honger meer.
Dan is het stil.
De historie van de kleine ketter is opgehaald uit het verleden en zet de harten van allen in vlam, die een zelfde dierbaar geloof belijden. Wat is al het licht in deze wereld, als 't straks eeuwig donker zal zijn ? En wat is het donker van deze wereld, als het straks eeuwig licht zal zijn ?
De kleine ketter mocht Christus verkiezen en ook de verdrukking. Zalige keus, doch in de kracht Gods.
Piet van Wezel lacht onwezenlijk achter z'n handen. Iets van de haat dier mensen, die de kleine ketter wreed verjoegen, gloeit er ook in zijn hart.
Hij gelooft in Sint Lukas en Sint Jan en in de waardigheid van de pastoor, die staat in de plaats van God.
Stil brandt de lamp boven de ronde tafel.
XVII.
DE MACHT VAN HET WOORD.
Op een avond krijgt Janus opeens lust eens naar de oude vrouw Aartse te gaan. Het is een vrome, doorgeleide vrouw. Een beetje kittig.
—- Mia, zegt hij, hoe vin je 't, ik wou effe naor vrouw Aortse.
•— Hoe zo ineens. Janus ?
— Noe jao ; ik blief nie zo lang weg.
•— Negen uur weer thuis, Janus ?
~ Ik zal 't proberen, Mia.
Als Janus zich verkleed heeft, gaat hij op weg.
Vrouw Aartse woont aan de rand van het dorp, in één der kleine huisjes aan de Vliet.
Zij wordt door de Diaconie onderhouden. Maar de diaken Van Korteweg heeft gezegd, dat zij de eerste en de laatste arme bij uitnemendheid is, want meestentijds krijgt hij geen kans de vijf gulden aan haar kwijt te worden.
— Man, zegt ze, geeft ze 't die van Steventje van 't Riet er maar bij. Daor zijn veul kijnder!
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's