Een stem uit de Kerk
De heer Stokmans verzocht ons onderstaand artikel in De Waarheidsvriend op te willen nemen. Hieruit moge blijken, dat ook bij anderen dezelfde bezwaren leven als in onze kringen.
Wij beweren niet, dat wij het gehele artikel, zoals het daar ligt, voor onze rekening nemen, maar daar worden toch dingen gezegd, waarmede wij hartelijk instemmen.
Eén opmerking : Het is de schrijver wellicht ontgaan, dat de Chr. Gereformeerde Kerk in haar laatste Synode heeft besloten bij de I.C.C.C, aan te sluiten. Hier volgt dan het artikel :
Somber perspectief.
Het zal de lezers van dit blad wel bekend zijn, dat van 10-—23 Aug. j.l. te Geneve het tweede congres van de International Council of Christian Churches (I.C.C.C.) gehouden is. Minder bekend, is wellicht, dat bij deze Internationale Raad van Christelijke Kerken (dus niet te verwarren met de Wereldraad van Kerken) tot nu toe geen enkele Nederlandse Kerk is aangesloten. Wel hadden de Gereformeerde Kerken te onzent een officiële ,,waarnemer" gezonden en waren verschillende predikanten van de Chr. Gejef. Kerken als semi-officiële waarnemers aanwezig ; waarnemers van de Ned. Hervormde Kerk waren er echter te Geneve niet. Op grond van enkele publicaties van Hervormde zijde, die ik sinds Augustus 1948 —- maand en jaar van oprichting van de I.C.C.C. — las, mag ik aannemen, dat er in de leiding gevende kringen van onze hedendaagse Ned. Hervormde Kerk voor déze eenheidsbeweging van Christelijke Kerken weinig sympathie bestaat. Ik laat de oorzaken, die tot deze afwijzende houding geleid hebben, hier rusten. Het zou echter — hoe wij ook over de I.C.C.C. mogen denken — niet voor onze oecumenische gezindheid pleiten, wanneer wij, Hervormden, niet de tijd namen om ons rustig te bezinnen op wat de voorzitter van genoemd congres in zijn openingsrede opmerkte over de z.g. inclusivistische beweging in vele Protestantse Kerken van deze tijd. Onder deze inclusivistische beweging nu verstond dr. Carl Mac Intire het hedendaagse streven, dat geneigd is geen enkel „evangelie" uit te sluiten, maar al wat zich als evangelie aandient, ook als zodanig te aanvaarden. Terwijl er toch volgens de Bijbel maar één Evangelie is, welk éne Evangelie de Kerk onverkort en ondubbelzinnig heeft te prediken. Een pleidooi dus voor de onaantastbaarheid van het Evangelie.
Dit inclusivisme is in de geschiedenis der Christelijke Kerk geen onbekend verschijnsel. Reeds het Nieuwe Testament gewaagt er van: „Want indien de eerste de beste een andere Jezus predikt, die wij niet heboen gepredikt, of gij een andere geest ontvangt, die gij niet hebt ontvangen, of een ander evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel". Zo moest reeds Paulus eertijds de gemeente te Corinthe (II Cor. 11 VS. 4) vermanen, tegenover welke hij even tevoren zijn vrees had uitgesproken dat, zoals eens de slang met haar sluwheid Eva bedroog, de gedachten der gemeente afgetrokken zouden worden van de eenvoud die in Christus is. (vs. 3).
Ik meen dat wij, Hervormden van vandaag, deze apostolische vermaning niet ernstig genoeg ter harte kunnen nemen. Ook, dat wij de in deze Schrift en in Gal. 1 gefundeerde waarschuwing van dr. Intire niet zonder meer naast ons kunnen neerleggen. Integendeel, het staat voor mij vast, dat de aanvaarding van Intire's correctief op het zoeven genoemde inclusivisme, in het bijzonder op het getuigenis van onze Ned. Hervormde Kerk naar binnen en naar buiten, zeer heilzaam zou kunnen werken.
Men kome nu niet direct met de tegenwoordig veel gehoorde bewering, dat mèt de tijden ook de mensen veranderen, en dat de prediking van het Evangelie nü zich heeft te richten tot de mens van déze tijd met zijn eigen moeilijkheden en zijn eigen noden. Alsof deze alle niet voortkwamen uit DE nood van alle tijden : het zónder Christus, d.w.z. het zonder-hoop en zónder-God zijn in deze wereld. (Efeze. 2 vs. 12)
Alsof het heil, de redding door en in Christus, ons naderbij gebracht zou kunnen worden door de prediking van een ander evangelie, dat geen Evangelie is. Zou in de bewuste of onbewuste miskenning van het een zowel als van het ander niet éen der oorzaken liggen, dat vandaag de dag in onze Ned. Hervormde Kerk het volle Evangelie wel heel spaarzaam tot de gemeente komt ? Dat er allerwegen, en niet in 't minst bij de jeugd, een vervlakking, een vertroebeling van de Waarheid Gods door onervarenheid in kennis te bespeuren valt, die, indien God de Heere het, niet verhoedt, onze kerk als Kerk der Reformatie op den duur noodlottig zal worden ?
Het is mijn vaste overtuiging, dat, hoe hoog men ook opgeeft van het vele dat door „Nieuwe Koers" en „Gemeente-opbouw" in onze kerk is tot stand gekomen, deze zelfde bewegingen in de werkelijkheid van ons Hervormd kerkelijk leven het hierboven gewraakte inclusivisme in sterke mate in de hand hebben gewerkt. De door prof. Kraemer en de zijnen met de beste bedoelingen voorgestane methode tot overwinning van de richtingstegenstellingen in het begin der veertiger jaren door velen met enthousiasme begroet en gevolgd — heeft er toe geleid, dat er tegenwoordig tal van rechtzinnige predikanten en gemeenteleden zijn, die samenwerking met de meer behoudende groepen van onze kerk met kracht verwerpen, maar tot samenwerking met „links", kerkelijk en maatschappelijk, elk uur van de dag vol vreugde bereid zijn. De resultante van dit alles is een machtige middengroep in onze kerk, die niet vrij van totalitaire strevingen, haar visie op het „samen-Kerk-zijn" tracht te verwezenlijken en aan anderen op te leggen. Gedachtig aan het „de aanhouder wint", wordt bij elke gelegenheid die zich voordoet, de nieuwe eenheid gepropageerd, en het eenvoudige kerkvolk gesuggereerd, dat mèt de aanvaarding of verwerping van de verworvenheden der laatste tien jaren, onze Ned. Hervormde Kerk staat of valt. Al te lichtvaardig worden daarbij tegenstanders van het nieuwe streven als ,,traditionalisten" gedoodverfd, en op kerkeraden die in geloofsgehoorzaamheid aan het éne Evangelie van de éne Heere Jezus Christus deze moderne opbouw van de gemeenten, waarvoor zij verantwoordelijk zijn, niet kunnen dragen, het odium der bekrompenheid gelegd. Zo staan de zaken meermalen in de werkelijkheid.
Het antwoord op Jezus' vraag : „Wat dunkt u van de Christus ? Wiens Zoon is Hij ? " (Matth. 22 vs. 42) zal in onze kerk ondubbelzinnig gegeven, de enige Naam onder de hemel de mensen tot redding geschonken, zonder reserve in dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift verkondigd worden.
De godsdienst van de moderne mens is in het licht van de Bijbel ijdelheid; zij berooft -alle schone schijn ten spijt — het getuigenis van de Heilige Schrift van zijn kracht, en mensenzielen van „de enige troost, beide in leven en in sterven". Tenzij men de geloofsgehoorzaamheid aan de ene Heere Jezus Christus, „die is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardiging" (Rom. 4 VS. 25) in onze kerk als een eenzijdige mening van bepaalde theologische richtingen zou laten gelden. Welke gehoorzaamheid dan met evenveel recht niet beleden kan worden, omdat kruis en opstanding van Jezus Christus in de grond van de zaak geen heilsbetekenis zou hebben. En de evangelische Boodschap dus zonder bezwaar van de heilsfeiten kan worden losgemaakt.
Met deze nivellering van het éne Evangelie tot het een of andere pseudo-evangélie zouden echter kerk noch wereld gebaat zijn. De z.g. „ontdekking van het apostolaat" zou in dit geval de verwording van onze Reformatorische kerk tot een kleurloze algemeen Protestantse gemeenschap betekenen, en in de wereld tot steeds verder gaande ontkerstening leiden. De gemeenten zelf zouden onnoemelijke schade lijden, losgewoeld als zij werden van hun eeuwige grond.
Pleit ik nu voor restauratie van „oude waarheden", voor een vlucht uit het heden naar het verleden ? Neem ik, ontsteld door de machteloosheid van kerk en gemeente in onze tijd, mijn toevlucht tot het ideaal van een volkskerk naar het model van de Nederlandse Reformatietijd ? *)
Neen, en nogmaals neen ! Met duizenden leden van onze aloude vaderlandse kerk pleit ik nu, in 1951, voor de volstrekte heerschappij van Jezus Christus in onze kerk, voor een ondubbelzinnig belijden van de Naam, die is boven alle naam. Het is geen probleem, of daartoe behoort het apostolische getuigenis, dat Jezus Christus is „de waarachtige God en het eeuwige leven", (1 Joh. 5 vs. 20).
Zodra onze kerk naast de belijdenis van dit alles beslissende mysterie Gods aan menselijke gedachtenconstructies enigerlei waarde zou toekennen, zou zij ophouden christelijke kerk en licht der wereld te zijn. Elke verflauwing der grenzen is hier uit den boze ; elke poging tot bijenhouden van wat zich niet met elkaar verdraagt, moet worden afgewezen. Wil men niettemin deze weg op, dan vreest men het uiteenvallen van onze kerk méér, dan men Christus' heerschappij begeert. En kiest men tegen beter weten in voor een valse eenheid.
Kerkelijke eenheid is eenheid in geloof en prediking. Allen die Jezus Christus niet geloven en prediken, zijn volgens de tweede brief van Johannes tegen de kerk verdeeld.
En wat het verleden betreft, men kan niet ongestraft de ontwikkeling van vorige eeuwen veroordelen, de band met de kerk der 16e en 17e eeuw doorsnijden en de belijdenis der vaderen door een nieuwe vervangen. Wij zijn vandaag de dag immers niet in staat er iets beter voor in de plaats te geven. Want ook voor de nieuwe wegen en methodes, die men tegenwoordig in onze kerk aanprijst, geldt dat het nieuwe niet goed, en het goede, dat soms verrassend doorbreekt, niet nieuw is.
Inderdaad, het beeld van onze Ned. Hervormde Kerk, dat zich na tien jaren „vernieuwing" aftekent, is vol somber perspectief.
Zeist.
*) Men leze, wat over de behoefte aan restauratie gezegd wordt in het Gemeente-Opbouw-nummer van „Wending", blz. 329.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's