De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„Fundamenten en Perspectieven”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Fundamenten en Perspectieven”

6 minuten leestijd

Artikel 1. GOD, ONZE KONING. (Vervolg).

„Hij is en Hij doet alles om Zijns Zelfs wil, opdat Hij door zijn schepselen geprezen en gediend worde."
   Hoewel wij volkomen onderschrijven, hetgeen de toelichting zegt: n.l., dat God in alles de Eerste is, is er toch iets in de bovenaangehaalde zinsnede uit Art. 1, dat bedenking wekt n.l. dat woordje opdat God schiep, opdat Hij , door Zijn schepselen geprezen en gediend worde. Het staat er, alsof dit grond en beweegreden voor God is geweest om te scheppen.
   Het zou dus welhaast een behoefte voor God zijn geweest geprezen en gediend te worden .door het schepsel. Op die wijze wordt de algenoegzaamheid Gods miskend.
   Wij zijn dan ook van oordeel, dat het artikel hierin mank gaat. Het is in strijd met de algenoegzaamheid, dat God een drang van buiten af, of uit een innerlijke ledigheid zou nodig hebben gehad om de schepping in het aanzijn te roepen.
   „Om Zijns Zelfs wil" kan alleen op de volstrekte algenoegzaamheid Gods zien, die in Zijn souverein Welbehagen heeft voorgenomen om de wereld en de mens te scheppen en Zich aan hem te openbaren.
   De Vrijzinnige Hervormde Studiecommissie ad hoc, wier Rapport onlangs werd gepubliceerd, heeft dit bezwaar ook gevoeld : „De gedachte van het om Zijns Zelfs wil dient om de aseïtas deï uit te drukken, niet om het motief aan te geven, dat God tot Zijn scheppingsbesluit en scheppingsdaad heeft geleid." (blz. 16).
   Ook wijst deze commissie op de ,,gekunstelde constructie" om Calvijn's ,,Soli Deo Gloria" met Luthers : „Hoe krijg ik een genadige God" te verbinden, zoals de toelichting op blz. 41 doet. Dit is ook inderdaad een vreemde wijze van doen. Wij hebben daarop reeds de aandacht gevestigd in het referaat op de Bondsdag van het vorige jaar. Zie inmiddels het verschenen referaat, blz. 14 en 15).
   Men wil hierin een theologisch en een soteriologisch gezichtspunt verenigen volgens de toelichting. Dit streven lag ook in de reeds besproken zinsnede (zie vorig no.), waar de wereld betrokken wordt op God, de Vader van Jezus Christus, die haar Schepper, haar Redder en haar Onderhouder is. Niet zonder bedoeling wordt de Redder en Onderhouder in één adem met de Schepper genoemd, alsof het feit, dat God onze Schepper en daarom onze Koning is, op zichzelf geen genoegzame grond ware voor alles, wat adem heeft, om Hem te eren en te dienen. En —, zo het die dienst en ere niet brengen wil — schuldig te stellen voor God.

Artikel 1 van F. en P. spreekt alleen over „het leven en het heil der schepselen", dat gelegen is in deze lofprijzing en deze dienst. „In de verheerlijking Gods vinden wij, naar de bedoeling Zijner eeuwige liefde, onze bestemming en onze zaligheid". „God die alles doet om Zijns Zelfs wil, doet juist daarom en daarin alles terwille zijner schepselen".
Het geloof zal gaarne onderschrijven, dat het leven en het heil in lofprijzing en dienst des Heeren gelegen zijn. ,,Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten".
   Wij weerspreken ook niet, dat onze bestemming en zaligheid in de verheerlijking Gods gevonden wordt.
Het geloof belijdt dat en beleeft dat door Gods genade ook. Hoe zou het anders kunnen belijden ?
Doch juist omdat het geloof zulk een belijden en beleven als vrucht van Gods genadewerking kent en erkent, verstaat het, hoezeer de mens in gebreke blijft Gode de ére te brengen, die Hem toekomt, en hoezeer hij schuldig staat tegenover Zijn Schepper, enkel en alleen, omdat Hij onze Schepper en Koning is.
Dit wordt o.i. teweinig nadrukkelijk naar voren gebracht in art. 1 van F. en P. Het gewaagt van motieven en bedoehngen Gods ten aanzien van schepping en schepsel, maar de eis der gehoorzaamheid blijft op de achtergrond.
Het feit, dat God de Schepper en de mens Zijn schepsel is, bepaalt immers de plaats van de mens en zijn verhouding tot God, zijn Schepper, als een verhouding van gehoorzame dienstbaarheid. Deze verhouding draagt een religieus-zedelijk karakter, zodat de mens ook kon weigeren die gehoorzaamheid te brengen en op die wijze in conflict kwam met de wil Gods en met zijn bestemming.
De feitelijke verhouding, waarin de mens jegens zijn Schepper verkeert, is een verhouding van ongehoorzaamheid.
Daarom kan men over God als Koning niet belijdend spreken zonder des mensen ongehoorzaamheid te noemen.

De voorstelling, alsof Hij alles om Zijns Zelfs wil doet, opdat Hij door Zijn schepselen geprezen en gediend worde, werpt nu een eigenaardig licht op dat Koningschap. Dit schijnt toch moeilijk anders te verstaan dan dat de schepping, althans wat de mens aangaat, een mislukking is geworden.
   Immers de mens brengt die gehoorzaamheid niet, hoewel zijn leven in Gods hand is en geen muske ter aarde valt zonder Zijn wil.
  
God is Koning ! God is onze Koning ! Ook al weerstaan wij Zijn wil. Daarom kan de mens niet straffeloos weigeren Hem de gehoorzaamheid te brengen, welke hij schuldig is.
   Nochtans houdt Hij de wereld in stand. Daarin is ieta wonders. Vandaar dan ook dat het artikel van God als Redder en Onderhouder gewaagt. De toelichting zegt het wel iets duidelijker dan het artikel: „Hij onderhoudt haar tot vandaag toe, ook in haar gevallen staat, omdat Hij haar redden wil". Maar de structuur van het artikel blijft vreemd.
   Overigens had men wel wat nader mogen stilstaan bij de belijdenis van de schepping en de betekenis daarvan.
Wij leven in een tijd van overheersend naturalisme. Vele jonge mensen hebben wellicht van schepping niet gehoord. Zij kunnen zich ook geen rekenschap geven van de betekenis daarvan voor het leven, terwijl zij van niets anders weten dan de schoolse leringen over het ontstaan der wereld.
De dogmenhistorie leert, dat de belijdenis ider kerk meer is dan een persoonlijk geloofsgetuigenis. Zij vindt haar aanleiding gewoonlijk in de bestrijding van valse leringen en ketterijen.
   Zo is onze belijdenis der Drie Formulieren een voortdurende bestrijding van Roomse, Doperse en Remonstrantse leringen, juist daarom nog altijd actueel, omdat die bestreden leringen nog altoos haar verderfelijke werking uitoefenen.
   Artikel 1 van F. en P. had wel wat beter stelling mogen nemen tegen de negentiendeeeuwse geest en wat meer oog mogen hebben voor de werkelijkheid van ons menselijk bestaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„Fundamenten en Perspectieven”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's