Een domine vertelt
Ziekenbezoek
XI. ZIEKENBEZOEK.
Tenslotte is er ook nog wel eens het vrij zonderlinge geval van de conditionele toelating, d.w.z. men laat u wel toe, maar één der familieleden acht zich verplicht u vooraf te vragen of gij de zieke toch vooral niet zenuwachtig wilt maken en hem vooral niet wilt zeggen, dat hij niet meer beter kan worden ; „want", zo voegt men er aan toe : ,,de dokter heeft alle opwinding verboden".
Deze vermaning is dikwijls een uiting van kwalijk weerhouden vijandschap. Men blijft nog tamelijk vriendelijk, maar met een bedekt dreigement er in.
In dergelijke kringen is de gedachte nogal eens overheersend, dat godsdienst eigenlijk niets anders is dan bangmakerij, terwijl men degenen, die het wagen met de kranken over geestelijke dingen te spreken, als een soort „boemannen" beschouwt.
Bij zulke bezoeken liggen dan allerlei waakhonden des duivels om de legerstede, die u beloeren en klaar liggen voor de sprong, wanneer gij soms gevaarlijk gaat worden.
Nu wil ik niet zeggen, dat er geen bezoekers zijn, die het er ook wel eens naar maken. Niet alleen, dat zij zo bars kunnen optreden, maar zij weten vaak ook van geen weggaan. Zij blijven maar zitten, of de zieke vermoeid is of niet.
Zij slaan een toon aan, of zij het oordeel Gods in handen hebben en gaan hierbij uit van de gedachte: „ik moet mij vrij maken" en niet : „hoe wordt die kranke veranderd ? "
Eens was ik op bezoek bij een diep bedroefde moeder. Haar kind van 4 jaar was zoeven verdronken. In een onbewaakt ogenblik aan haar aandacht ontsnapt.
Wij hadden nog alle moeite gedaan, de kunstmatige ademhaling toe te passen, maar de arts kwam en gaf te kennen, dat wij de moeite wel sparen konden.
Zou dan een mensenhart niet bewogen worden bij zulk een slag ? Wij waren met die arme moeder bedroefd.
Nu eens zwegen wij en dan weer spraken wij over Gods beproevingen en ook over Zijn vertroostingen.
Er zat een oude man, een vreemde bezoeker, ergens in een hoek van de kamer. Deze wond zich, naar aanleiding van de woorden van de ambtsdrager, nogal op. Hij nam een vijandige houding aan en zei boos : „de troost ligt er alleen voor Gods volk, want de droefheid der wereld werkt de dood. Gij weet niet of deze vrouw naar die troost vraagt".
Ik heb die man geantwoord : ,,wel weet ik niet of deze vrouw naar Gods vertroosting vraagt; maar de Heere gebiedt mij, blij te zijn met de blijden en te wenen met de wenenden en deze vrouw te wijzen op de enige weg, waarlangs ook zij versterkt kan worden in Christus Jezus. Dat Gods roepstemmen toch liefderoepstemmen zijn, ook al schijnt dat wel eens anders".
Maar als gij, vriend, nu niets meer te zeggen hebt, dan wat zoeven uit uw mond kwam, wat doet gij dan hier ?
Intussen had ik de drijfveer begrepen. Deze man was een der voormannen van een onkerkelijk gezelschap. Een echte domineeshater, die van de gedachte uitging : wat zal zo'n onbekeerde man te vertellen hebben ?
Dat de mensen bang worden van zulke bezoekers, ik kan het mij levendig voorstellen, ook al voelen wij menigmaal de vijandschap, die er in voorwaardelijke toelating kan liggen opgesloten.
In zulke gevallen heeft men van de Heere wel dubbele wijsheid nodig, opdat, zonder dat de Waarheid verzwegen wordt, het wantrouwen mag worden weggenomen, waarmee men u in dergelijke kringen begroet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's