De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GODS ZOON UIT EGYPTE GEROEPEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GODS ZOON UIT EGYPTE GEROEPEN

12 minuten leestijd

Uit Egypte heh Ik Mijn Zoon geroepen" (Hosea 11 vs. 1 en Matth. 2 vers 15)

Enige Wijzen uit het Oosten zijn gekomen te Jeruzalem, zeggend : ,,Waar is de geboren Koning der Joden, want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten en zijn gekomen om Hem te aanbidden". Heidenen, die vragen naar de wortel van Isaï; heidenen, die geleid worden door een ster. Ze zijn aan dat hemels gezicht niet ongehoorzaam" geweest, doch hebben aanstonds de lange en gevaarlijke reis ondernomen, dwars door wildernissen en woestijnen, naar Jeruzalem, in de vaste overtuiging, dat ze daar het Kindeke moesten zoeken en vinden. Deze zoekende heidenen naar de Christus : het had heel Jeruzalem moeten ontroeren. O, zeker, de stad wordt wel ontroerd en Herodes met haar, doch dit is een heel andere ontroering geweest. Herodes ziet in de geboren Koning een gevaarlijke kroonpretendent en aanstonds peinst hij op middelen, om zich van deze kroonpretendent te ontdoen. De nazaat van Ezau zal het zaad van Jakob zoeken en doden.
   Als de Wijzen zich ten paleize vervoegen, vernemen ze uit Herodes' eigen mond, dat ze hier niet terecht zijn, doch dat ze naar Bethlehem moeten, omdat de Schriftgeleerden, door Herodes bijeengeroepen, zulks nagevorst hebben uit de profetieën. Wegwijzers naar Christus, doch die zelf aan de kant van de weg blijven staan. Lezers, is dat niet vreselijk ? Die de weg geweten, ja, die anderen voorgehouden hebben, doch zelf niet hebben bewandeld ; wederom : is dat niet vreselijk ? Is 't wonder, dat de Schrift spreekt van dezulken, dat ze met dubbele slagen zullen geslagen worden ?
   Niemand uit Jeruzalem acht 't der moeite waard om naar Bethlehem te gaan ; daarom gaan de Wijzen straks alleen huns weegs, geleid niet door het licht van de ster alleen, die ze weer mochten aanschouwen, doch thans ook geleid door het licht der profetie. Maar vooraf heeft Herodes de Wijzen heimelijk tot zich geroepen om naarstig de tijd te vernemen van dat de ster was verschenen. opdat hij, als zij het Kind gevonden hadden en hem 't zelfde geboodschapt hadden, het zou kunnen aanbidden  — hij bedoelt: doden.
   Hoewel de Wijzen aanvankelijk bezwaard van hart zijn geweest, omdat ze het Koningskind niet in de Koningsstad hebben gevonden •— toch gaan ze niet teleurgesteld terug. Ze hebben Zijn ster gezien en ze hebben de Messias-profetie gehoord ; daarom laten deze heilbegerige zielen zich niet van de weg afbrengen. Ze zullen de geboren Koning zoeken, zolang, totdat ze Hem gevonden hebben. Wat komt de zoekende liefde des Heeren hier heerlijk uit. Hij maakt hen zoekende en daarom zouden ze ook zeker vinden.
   Lezer, zijt ge nog aan deze zoekende liefde Gods vreemd ?
Deze zoekers wachten de dag niet af, doch gaan onmiddellijk, bij nacht nog, op weg en hoe heerlijk wordt deze haast beloond : daar zien ze de ster weer, als ze nog maar nauwelijks uit de profeten-dodende stad zijn en — ze wordt hen tot een leidster, want zij gaat hen voor en blijft ten laatste staan boven de plaats, waar het Kindeke was.
   Zo doet de Heere met heilbegerige harten : Hij leidt ze als met eigen hand naar Zijn Zoon ! En — als ze Hem gevonden en gezien hebben, aanbidden en offeren zij ! Ja, want op de aanbidding des harten gaat altijd nog de beurs vanzelf open ! De hand kan dan niet achterblijven, waar het hart waarlijk getroffen is ! Hebt gij, lezer, daar ook ervaring van ? Het is één van de kenmerken van genade ! Ze leggen voor Hem neer : goud, wierook en myrrhe. Vorstelijke hulde wordt aan dat Kind gebracht. Waarlijk, zo groot een geloof is zelfs in Israël niet gevonden. Ze weten nu, dat Bethlehem de Koningsstad is en dat dit Kind de Koning der Joden •— de Koning der volkeren, ja, ook hun Koning is. Straks gaan ze weer, door Goddelijke openbaring vermaand, langs een andere weg terug, gesterkt in het geloof, ook door de droom. Wat een heerlijke leiding Gods, om zó voor reisgeld te zorgen ; daarvoor moesten rijken uit verren lande komen, opdat het Kindeke naar verren lande kon gaan, tot onderhoud voor het Kind en de ouders op weg naar — en in Egypte.
   Het goud des geloofs, de wierook des gebeds, de myrrhe der dankbaarheid —- God zoekt deze vruchten der genade ook bij ons. Hebben wij ze al op het altaar des harten gebracht ter ere van Hem, Die aller koningen Koning en aller heren Heere is ? Vraag u dat heden ernstig en biddend af !
   Niet alleen de Wijzen, maar ook Jozef wordt door God bekend gemaakt met de moordplannen van de huichelaar-moordenaar Herodes, want een engel des Heeren beveelt hem : ,,Sta op, neem het Kind en Zijn moeder en vlucht in Egypte en blijf aldaar, totdat Ik het u zeg, want Herodes zal het Kindeke zoeken, om hetzelve te doden".
   Herodes, de grijpende wolf naar het Lam Gods ! In schijn is hij een vriend, in werkelijkheid is hij een verrader. Schijnbaar zijn zijn handen gevouwen ten gebede, maar in die hand heeft hij een giftige dolk. Schijnbaar gereed om te knielen, maakt hij zich als een panter gereed voor zijn dodelijke sprong. Daarom wordt ook in Herodes vervuld : Jakob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat ! Ontzettende scheidslijn van verkiezing en verwerping — een lijn, die door ons leven, door uw leven loopt : liefgehad of gehaat ! Wat is daarop uw antwoord ? Vlied in Egypte — voor Jozef een bittere overgang van eer tot smaad ! Zoeven de aanbiddende Wijzen .— nu de dreigende vijandschap van Herodes. Zwaar wordt ook hun geloof beproefd. Een lange reis ligt voor hen, met een bang doel. Het is nacht, als ze gaan en — zij ontvangen geen ster, geen vuurkolom, geen engelenwacht en engelenlicht. En toch gaan ze, zonder te vragen naar 't waarom ! Ze hebben Gods Woord •— daaraan hebben zij genoeg, daaraan houden zij zich. Hebt gij ook iets van dat vaste geloof, dat niet weifelt of twijfelt? Kunt gij het ook zeggen: Al bezwijkt ook mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid ?
   Hebt gij nog nooit ondervonden, hoe op de allerdonkerste wegen Gods hand u vasthield ? Is 't niet heerlijk, het te weten, dat God Zich nooit vergist ? Dat — hoe donker ooit Zijn weg moog' wezen — Hij in gunst ziet op die Hem vrezen ?
   Door deze vlucht moest de profetie van Hosea in vervulling gaan : „Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen". Het gebeurt vaker in het leven, dat Ezau voorspoedig is en Jakob rampspoedig. Dat Ezau juicht en Jakob moet zuchten. Maar, is Gods leiding met Zijn kinderen niet altijd zó, dat uit 't kwade het goede te voorschijn komt ? Daarom is het kruis voor degenen, die de Heere verwachten, juist hun kroon !
Waar heeft het kruis ü gebracht ?
Dichter bij God en de Vader van onze Heere Jezus Christus of niet ?
   Naar Egypte : die naam is door heel Israels volksbestaan een schrikbeeld gebleven. Egypte, het huis der dienstbaarheid, het land der slavernij. Het land van dikke duisternis en doodsschaduwen. Het land, waar eens zuigelingen moesten geofferd worden aan de rivier-god.
   Naar Egypte wordt de Zone Gods geleid. Hoe lang Hij met Zijn ouders daar blijven moet, is Gods geheim, maar in 't woord des engels : „Wees aldaar, totdat Ik het u zeggen zal", lag de belofte, dat ook aan deze beproeving een einde zou komen. Wees in Egypte — hoe had God door het goud der Wijzen ze van teerkost op de weg en in het heidense land verzekerd ! Zo verzekert de Heere nog steeds, dat de Zijnen het in het strijdperk van beneden aan niets zal ontbreken
   Neen, de Herder Israels sluimerde noch sliep, doch waakte over de eer Zijns Zoons en Zijns volks ! Waar Bethlehem's kinderen vallen onder het moordende staal, daar ontkomt dit Kind door een onmiddellijk ingrijpen Gods. Het vindt in Egypte een veilige wijkplaats, in Egypte, waar in vroeger eeuwen zulke kinderen vervolgd waren ten dode. In Egypte, waaruit eens het volk met krachtige hand en hoge arm was uitgevoerd. Thans wordt — o diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods — de Zone Gods uit Kanaan naar — Egypte gebracht. Wij zeggen : dat is de omgekeerde orde — God zegt: zo is de heilsorde! Kanaan is nu het diensthuis geworden en Egypte het toevluchtsoord ! In Herodes vinden we de wreedheid van de Farao uit vroeger eeuwen vertegenwoordigd ! Judea wordt thans Egypte ! Wat zijn Gods wegen toch wonderlijk ! Wat een voorzienige zorg des Vaders ! Hij draagt Zijn Zoon, Zijn Kind in een wereld, die in het boze ligt. Ook nu nog waart de Herodesgeest rond! Hij leeft in de vijandschap tegen het Evangelie en tegen alles, wat met God rekent, nog voort. Hij wil nog het Evangelie krachteloos maken en het werk Gods in de mens vernietigen. En — de Kerk zou het onderspit delven Gods kind zou omkomen, had het de belofte niet van de Koning der Koningen : de poorten der hel zullen Zijn gemeente niet overweldigen. Neen, Gods genadewerk in u, kind des Heeren, kan niet vernietigd. De Heere laat niet varen de werken Zijner handen. Is dat u niet tot troost ? Sterkt dat uw handen niet ?
   Zeker, Jezus wordt thans balling in Egypte, en daarmee valt de smaadheid van Egypte op Hem. Maar — Hij zal er niet blijven ; de ouders hebben houvast aan dat woord des engels : „totdat". Wel is het ontroerend, te zien, van welke zwakke werktuigen de Heere Zich vaak — en zo ook hier — bedient. Al waakt Hij over Zijn Zoon, toch vertrouwt Hij middellijker wijze de bewaring van 's werelds zahgheid toe aan dit mensenpaar ! Zij worden aansprakelijk gesteld voor het welzijn van Gods Zoon ! Maar juist daarom zijn ze ook in de , nacht afgereisd, opdat niemand zou weten, waar zij waren.
   Toch mogen we Egypte niet eenzijdig bezien, want in elke beproeving legt God een zegen. De aartsvaders zijn er ook geweest, toen Kanaan hongerde. Zo was er in het land der belofte honger en in het land der verdrukking brood. Daarom ligt er in de geestelijke verdrukking ook zo menigmaal brood, zielespijze. Als er in Bethlehem voor de Christus géén plaats is, biedt Egypte Hem plaats. Zulks is dat land ook tot gerechtigheid gerekend !
   Jezus in Egypte — het volk van Israël in Egypte : Jezus is hier het tegenbeeld van Israël: ,,Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen". Christus uit Egypte geroepen ! Leeft ieder mens van nature niet in Egypte ? Heeft daar ook Gods Kind niet gewoond ? Is Egypte niet het diensthuis der zonde, waar de mens zich kromt onder het slavenjuk van vorst Satan ? En — in dat Egypte heeft de Zone Gods als Mensenzoon willen vertoeven. Hij had niet alleen medelijden met de verdrukkingen Zijns volks, doch Hij wilde ondergaan, wat eeuwig hun lot zou zijn. Zo werd Hij onzer één ; in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij een dienstknechtsgestalte aangenomen. Jezus, dienstbaar in Egypte vóór Zijn volk dat is het geheim van Kerstfeest, ja, van Zijn borgtocht.
   Jezus in Egypte, omdat Israël er geweest is ; Jezus in Egypte, omdat Zijn volk daar vertoeft, als Hij het roept. Hij is Zijn volk in alles gelijk geworden ! Hij moest Zijn volk in alles gelijk worden ! Israël had zijn Farao ; Christus had Zijn Herodes. Israël ging vrij uit, toen Egypte's eerstgeborenen stierven ; Christus bleef gespaard, toen de kinderen van Bethlehem vielen.
   God maakt de wereld voor de Zijnen altijd een Egypte. Daar komen ze in de druk, in de smeltkroes, in de benauwdheid, zodat ze beginnen te schreeuwen vanwege hun harde dienst. Egypte is nodig voor hun geestelijk leven. Maar evenals Israël en Zijn Zoon er werden uitgeleid, leidt God ook nog altijd Zijn kinderen daaruit. Ze blijven niet in dat land. want ze gaan op weg naar Kanaan. Zo roept Hij de Zijnen dagelijks toe : Ga uit Egypte, naar Kanaan. Hij laat het nog prediken : Christus is voor hen, voor u in Egypte geweest, om u daaruit te kunnen bevrijden. Ligt er smaad voor het zijn IN Egypte — er ligt ook heerlijkheid in de terugkeer UIT Egypte. Volg Hem daarom in Egypte, zo zult gij Hem ook volgen uit Egypte.
Zijn eindpunt werd het hemels Kanaan — dat zal ook het einde zijn van alle ware navolgers van Christus. Zo roept de Heere in het Egypte van beneden : „Volg Mij" en zalig, die aan die roepstem des Heeren gehoor mag geven. Die mogen het weten, dat Christus in Zijn uittocht uit Egypte Zijn volk met zich nam, om het voor eeuwig daaruit te verlossen. Geldt voor de Kerk, voor Gods volk: „Wees aldaar, totdat Ik het u zeggen zal" — eens, op Gods tijd zal de verlossing komen. Dan leidt Hij de Zijnen volkomen uit Egypte naar het Kanaan der eeuwige rust.
   Wat zal hen dan wedervaren, die hier als in Kanaan geleefd hebben en die het diensthuis van Egypte in hun leven, niet gekend hebben ? Die zullen het Egypte in de eeuwigheid kennen. Die zullen in het eeuwige diensthuis geworpen worden, waar ze eeuwig hun rug zullen moeten krommen onder de stok des drijvers en — op hun gekerm zal daar geen luisterend God zijn.
Maar zij, die het weten mogen dat ze uit Egypte zijn geleid, zullen eens de eeuwige lichtstad, de eeuwige vrijstad, het eeuwige Kanaan binnengeleid worden. Al duurt dan de verdrukking lang - eens komt het einde. Door het diensthuis heen leidt Christus Zijn volk naar het Vaderland. Daarom zal deze wet voor het Koninkrijk der hemelen gelden en blijven gelden : Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon, Mijn Kind en Bruid geroepen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GODS ZOON UIT EGYPTE GEROEPEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's