De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een Domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een Domine vertelt

7 minuten leestijd

5. Twee omstandigheden

Wij willen hier ook even de aandacht vestigen op twee ziekteomstandigheden.
De eerste is : dat de patiënt op het uiterste ligt.
De tweede: dat hij lijdend is aan een kwaal, die het hopen op herstel steeds schijnt mee te brengen.
1°. Is de kranke nog wel bij bewustzijn, maar valt het spreken hem reeds zeer moeilijk, dan probere men toch vooral niet, hier nog een antwoord af te persen. Het welzijn en de Zaligheid van de zieke hangt er heus niet van af.
Familieleden zouden soms zo gaarne willen, dat domine het nog eens ondernam, waar het hun mislukte. Zij haken naar een laatste woord of betuiging, waaruit zij wat kunnen opmaken.
Wij ontkennen niet, dat er een grote vertroosting in kan liggen, wanneer de stervende op het laatste ogenblik nog weer uiting mag geven van de hope, die tijdens zijn leven al in hem lag.
Eveneens klinkt het hoopvol, wanneer een ander mens, van wie men tijdens zijn leven nooit iets vernam, nu een psalmvers of tekst aanhaalt of ook het tollenaarsgebed op de lippen neemt; zekerheid heeft men hiermee toch niet. Met ziek- en sterfbedsbekeringen zij men voorzichtig.
Wat wil men toch met een laatste woord ? Men wil er zich enigszins aan vasthouden, om dan daarop te steunen wellicht, terwijl men het bijna onbewust wel eens verandert, zelfs wat mooier maakt; want wat een mens wil, gelooft hij ook hier gaarne.
Maar, wat men tot geen prijs hardop zou zeggen : men wil ook wel eens, als een soort christelijke reclame, onder het doodsbericht nog iets bijzonders bijvoegen kunnen. Ook die „geestelijke" pronk blijft menig mens bij tot in zijn doodsuur. Maar is dat nu voor de kranke zelf het voornaamste ?
Onder vele doodsberichten ziet men staan: „geen bloemen !" Want bloemen bedekken de vreselijkheid van de dood niet. Dat is waar. Doch wanneer het bericht nu zó opgesteld was, dat het een mooi kort verhaal werd over de dode, waren dan toch weer niet de bloemen op een andere manier aanwezig ?
Het komt er maar op aan, dat de kranke Gode de ere mag geven en het heil in Christus mag deelachtig zijn. Dat er blijdschap is in de hemel bij de engelen Gods. Daarboven wordt geoordeeld naar de zuiverste maatstaf. En wanneer de kranke sterft en de achterblijvenden zoeken dan als bedroefden naar God hun troost bij en in de Heere alleen, dan zal de Heere hen sterken, ook in geval zij verder van de kranke niets weten.
Neen, dit slechts ligt op de weg des pastors, om de kranke nogmaals zijn toestand voor te leggen. Hem te wijzen op zijn schuld en Gods recht, maar ook op de volle vergeving in Christus' bloed, zo zijn zonden hem leed zijn. Hem dan voor het laatst in het gebed de Heere nog op te dragen. Die ook de hartezuchten verstaat, als de mond niet meer spreken kan.

2. De tweede omstandigheid moet hier ook ter sprake komen.
Het komt namelijk voor, dat lijders, aan t.b.c. zolang en telkens weer kunnen hopen op beterschap. Zij gevoelen zich lichamelijk weinig ziek. Hebben alleeii wat verhoging en betonen soms vleugjes van beterschap.
In zulke ogenblikken kunnen zij u zo echt zielig vertellen, dat zij heus veel beter zijn en dat het alleen nog maar een questie van tijd is en zij zijn geheel hersteld. Dan zullen zij dit en zij zullen dat.
Hoe moet de krankenbezoeker hier zijn taak vervullen ? Moet hij zulke zieken zeggen, dat er geen hoop is ? (Wanneer het tenminste hopeloos is).
Moet hij antwoorden : „Gij denkt nu wel, dat gij beter wordt, maar dat is niet zo ; gij sterft ? "
„}a !" zeggen velen, „dat moet hij doen". Voor hen is de zaak dus heel eenvoudig. Zij denken : „ik moet mijn geweten vrij maken en eerlijk blijven".
En menen wij dan naar huis te gaan met onze eerlijkheid ? Wij moeten ons toch evenzeer afvragen : Was het, in onze eerlijkheid, de liefde van Christus, die ons drong, om dit te zeggen ? Zo ja, dan hebben wij tot de kranke dat bovengenoemde niet alleen gezegd. Dan hebben wij niet alleen van dood, maar ook van leven gesproken voor mensen, die met alle kwalen leren om Christus' wil in Gods armen te vluchten.
In dat geval blijf ik er af ; alleen : men zij toch ook niet te voorbarig. Is het nooit gebeurd, dat een opgegeven patiënt toch nog genas ? Ik herhaal; men trede niet in de aangelegenheden der aardse geneesheren.
Bovendien, daar is meer ! Ik kwam eens op ziekenbezoek bij een teringlijderes. Ik geef u te raden, wat mij uit de mond der moeder van de kranke hardop tegenklonk : „Dit is nu de zevende ! Zes heb ik er al op het kerkhof liggen, overleden aan dezelfde kwaal".
Met ontsteltenis keek ik naar de zieke ; hoe zou zij er op reageren ? Ik bemerkte evenwel geen spoor van aandoening. Zover was dat arme kind al. Het was er al aan gewoon geworden.
Wat zijn dat toch voor moeders, die hun kinderen, terwijl zij nog leven, al vast „dood verklaren ? " Is hier alle menselijk gevoel niet afgestompt ?
Moet het doodkranken dan niet aangezegd worden ? Ik zou op mijn beurt vragen kunnen : „Maar zó ? "
Eens had ik een familielid, wiens geloof in de Heere wel vast stond. Een Evangeliedienaar schreef over hem : „Aangaande zijn zielstoestand ben ik volkomen gerust". En zie ! ook dat familielid sprak drie weken vóór zijn sterven nog van beterschap. Zouden wij dit nu weerspreken ? Neen, wij wisten wel, dat hij in goede handen lag. Gedurende zijn laatste dagen had de Heere Zelf die gedachte aan beterschap weggenomen en was het :
„Maar 't is mij goed, mijn zaligst lot. Nabij té wezen bij mijn God".
Och, wij mensen zijn zo dikwijls al te wijs. En dat is onze dodelijke kilheid.
De vraag van anderen ligt nu evenwel voor de hand : maar moeten de zieken dan in het geheel niet gewaarschuwd worden, vooral wanneer zij toch nog zo kort te leven hebben ?
Heb ik dan gezegd, van niet, ? Maar het gebeure in liefde en ook met tedere voorzichtigheid.
Daar zijn van die zieken, ook lijdend aan andere kwalen, behalve bovengenoemde, die het zelf wel zeggen : ,,ik word niet beter". Welnu, wat behoeven wij het dan nog te zeggen ? Wij kunnen volstaan, met het niet te weerspreken en daaraan ons woord dan vast te knopen.
Er zijn er ook, die u bij alles en nog wat verzekeren, dat zij vooruitgaande zijn.
„De dokter heeft het ook verklaard", zeggen zij. Intussen zien zij u met spanning aan om op uw aangezicht, zo mogelijk, te lezen, dat gij dat ook vindt.
En toch voelt gij onder hun woorden tegelijk hun angst; hun ongerustheid. Zij willen met alle geweld over hun vrees heenpraten en zijn bezig, zichzelf wat wijs te maken. Zal men ook tot dezulken zeggen met korte woorden : ,,Gij wordt niet beter ? "
Dat is immers niet nodig. Weerspreek hen daarin niet, maar wijs op de ernst van hun toestand. Op de noodzakelijkheid, om ten allen tijde bereid te wezen. Om alles aan de Heere te vragen en zich geheel aan Hem over te geven.
Ik wil met bovengenoemde dingen alleen maar zeggen, dat wij met de lichamelijke dood niet zo koud en gevoelloos moeten omspringen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een Domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's