„Fundamenten en Perspectieven”
3. Jezus Christus in de eenheid van Zijn persoon en werk
Wat Jezus Christus is, dat is Hij in de eenheid van Zijn persoon en Zijn werk. Alleen Hij, God-met-ons, kan het Goddelijke Koninkrijk op aarde oprichten. En alleen in deze oprichting ligt de bedoeling van het Godmenselijk geheimenis van Zijn persoon. Zijn persoon is openbaar in Zijn werk. Zijn werk is gegrond in Zijn persoon.
In Jezus Christus heeft God Zijn Koningschap over deze wereld bevestigd. Door Christus' profetische woord en werk wordt dit Koningschap geproclameerd. Op Zijn priesterlijke gehoorzaamheid en offer is het gegrond. In Zijn Koninklijke heerschappij wordt het in het heden der genade uitgeoefend.
Een lezer van ons orgaan schreef dezer dagen een vriendelijke brief naar aanleiding van F. en P. Hij is van mening, dat de samenstellers heel wel weten, dat de belijdenisgeschriften klaar en duidelijk voorzien in de uitdrukking van de leer, maar men moet deze F. en P. in de lijst van onze tijd lezen.
Wij zijn het in zoverre eens, dat ook wij van oordeel zijn, dat de samenstellers wel weten, wat er in de belijdenisgeschriften staat.
Wij zijn er echter niet zo zeker van, dat zij de mening van onze briefschrijver toegedaan zijn n.l., dat de leer zo klaar en duidelijk in de belijdenisgeschriften is neergelegd. Men vindt immers, dat zij voor onze tijd niet zo duidelijk zijn en men vindt de leer van de belijdenisgeschriften ook niet zo geschikt voor het huidig geslacht.
Het ontbreekt trouwens niet aan theologen, die van oordeel zijn, dat het evangelie wat moet worden aangepast aan de moderne mens. En dan blijkt het, dat men verschillende stukken van de belijdenis minder ge schikt acht om van erger maar niet te spreken. Daarom is dit niet zo onschuldig, als de briefschrijver voorstelt, terwijl de voorstellingen, welke ons in F. en P. worden geboden aan klaarheid en duidelijkheid nog al wat te kort schieten.
Het boven afgedrukte artikel 5 kan daarvan ook weer een bewijs leveren.
Het wil spreken over het „Godmenselijk" geheimenis van de persoon van Jezus Christus, m.a.w. over de vereniging van de menselijke natuur met de Zone Gods in enigheid van één Persoon. De Heere Jezus Christus waarachtig God en waarachtig mens in de enigheid Zijns Persoons.
Als er ook wordt gewaagd van Zijn werk : de eenheid van Zijn persoon en werk, dan kan dat alzo niet anders dan op Christus' Middelaarschap betrekking hebben, hoewel dit woord zorgvuldig wordt vermeden. De toelichting blz. 44 spreekt van incarnatie en verzoening. Men wil persoon en werk niet „tegen elkander uitgespeeld" hebben.
Dat is in zoverre terecht, als de Schrift leert, dat Christus in de wereld kwam om het werk der verzoening, d. i. Zijn Middelaarswerk, te volbrengen. De Heere Christus wordt ons als Middelaar Gods en der mensen voorgesteld en alleen de uitnemende kennis van deze Middelaar is een kracht Gods tot zaligheid. Wij kennen Hem als Middelaar.
Dit Middelaarswerk kan uiteraard niet losgemaakt worden van het vleesgeworden Woord. Maar — het is nog geen „tegen elkander uitspelen" van persoon en werk, als wij het Woord Gods laten spreken, dat getuigt : Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. (Joh. 3 vs. 16).
Die Zoon is toch immers ook Gods Zoon vóór de vleeswording, welke in de volheid des tij ds is geschied ? Wij denken ook aan het woord van Christus tot de Joden : Eer Abraham was, ben Ik. (Joh. 8 vs. 58), en aan het begin van het Evangelie van Johannes, waar de Zoon ons wordt voorgesteld als de Schepper van alle dingen en het Woord, dat bij God was.
Met de Schrift in de hand zal men moeilijk kunnen beweren, dat de Zoon ook toen reeds en vóór de grondlegging der wereld de menselijke natuur had aangenomen.
„Zijn werk was gegrond in Zijn persoon" zegt art. 5 F. en P.
Deze zinsnede laat het middelaarswerk uit de persoon van de Middelaar opkomen.
Wat wil men daaronder verstaan hebben? Christus kwam — dit wordt door Ouden Nieuw Testament betuigd — om de wil des Vaders te doen.
Wordt de persoon des Middelaars hier gelijk gesteld met de wil des Vaders ?Hoe spreekt Hij dan van Zijn wil en de Wil des Vaders ?
Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede. (Lukas 22 vs. 42).
Wij lezen, dat het werk van de Middelaar in het welbehagen Gods, in de wil des Vaders is gegrond, en-dat Hij de gehoorzaamheid gebracht heéff, doende de dingen, die bij God te doen waren. (Hebr. 2 vs. 17 en 5 VS. 8).
Wie beweert, dat het Middelaarswerk is gegrond in Zijn Persoon, vereenzelvigt klaarblijkelijk de Persoon des Middelaars met de Wil des Vaders. Dat riekt naar een ingewikkelde speculatie.
Het maakt voorts de indruk, dat men van een Christus vóór de vleeswording niet wil weten. En als dat zo is, welke waarde kent men aan het Oude Testament toe ? Christus zelf toch zegt, dat Abraham Zijn dag heeft gezien en is verblijd geweest. (Joh. 8 vs. 56). Hij zegt ook, dat het Oude Testament van
Hem getuigt.
Het is immers zo, dat het Oude Testament getuigt van de Christus, die komen zou.
Wij bedoelen, dat het Oude Testament wel ziet op de Middelaar, maar die er als vleesgeworden Woord nog niet was, hoewel Hij door het profetisch oog
werd geschouwd, als ware Hij er reeds. (Jesaja 53).
Daarmede komt ook de prediking van Paulus overeen, als hij de Joden verkondigt, dat Jezus is de Christus, m.a.w., dat de Man van Nazareth waarlijk de beloofde Messias is.
De Schrift kent alzo een Christus, die er is vóór Zijn vleeswording, ja, die er is als de Zoon van de levende God vóór de grondlegging der wereld, gelijk Hij ook zelf spreekt van de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had eer de wereld was. (Joh. 17 vs. 5).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's