De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEMEENTE-OPBOUW IN DE NED. HERV. KERK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEMEENTE-OPBOUW IN DE NED. HERV. KERK

5 minuten leestijd

In het Weddingnummer van ,,Gemeenteopbouw" heeft ds. J. M. de Jong een artikel geschreven over ,,De weg van Gemeenteopbouw in de Ned. Hexvormde Kerk"
   De schrijver tracht een antwoord te vinden op de volgende drie vragen :

   Wat was en is het pathos van Gemeenteopbouw ?
   Wat bleken de weerstanden ?
   Op welke punten moet worden doorgezet ?

Onder het pathos van Gemeenteopbouw wordt verstaan de tendens, om zowel het apostolisch als het belijdend als het dienend gehalte van de christelijke gemeente tot gelding te brengen ; door zowel reformatorisch als oecumenisch als actueel-modern te willen denken en leven ; door de waarheidsvraag in godsdienstig-theologische zin centraal te stellen en tegelijk het stellen van die vraag en het existentieel vinden van de antwoorden daarop onlosmakelijk te binden aan het abc van een stuk christelijke menselijkheid in wederzijdse ontmoeting, omgang en gemeenschappelijke arbeid in Gods wijngaard.
Tevens wordt de strekking van Gemeenteopbouw samengevat in een ,, drieluik van motieven, verbonden aan de namen van Gravemeijer. Kramer en Banning".
   Gravemeijer met zijn „Christus alleen" en „God moet het doen, wij kunnen het niet", met zijn „samen zijn we ziek geworden, samen zullen wij gezond moeten worden", winnend, wervend, vergaderend, maar ook „met die daadwerkelijke bereidheid tot zelfcorrectie, die een stuk vaderlands-kerkelijke levensstijl van zeer bepaalde signatuur het richten door het oordeel Gods, dat in de oorlog over ons kwam, die het waagde een Nederlands-Calvinistische traditie in de smeltkroes te werpen van het groeiend oecumenisch leven".
   Banning wordt genoemd in zijn solidariteit met de ,,ontrechten" en „gemartelden", Kraemer verpersoonlijkt het verbindendoecumenische en het strategisch-dynamische.
Wat de weerstanden betreft : ds. de Jong wijst op het z.g.n. bijbels realisme van Kraemer met de weerstanden ter rechterzijde van een ,,confessionele en gereformeerde practijk en levensstijl, waar nu eenmaal geen verwrikken meer aan mogelijk is", ter linkerzijde van strekkingen in vrijzinnige theologie en gedachtenwereld, „die nu eenmaal meer het humanisme vertegenwoordigen op christelijk erf, dan het Evangelie in de wereld van het humanum".
   De schrijver wijst in het bijzonder op twee punten, waarop moet worden doorgezet : A. kerkelijk gesprek en theologische bezinning ; B. de worsteling om de opbouw, vernieuwing en instrumentatie van de gemeenten tot waarachtige gemeenschap rond Christus.
   In het kerkelijk gesprek behoort men twee mijlen mee te gaan met de ander. Belangrijke theologische problemen als ,, ausgebliebene Parusie" en „Enthmythologisierung" behoren onderzocht te worden. De schrijver ziet de volgende tegenstellingen : vrijzinnig en rechtzinnig, moderne orthodoxie (Barth) en fundamentalisme, katholiek-liturgisch en reformatorisch geloofsdenken.
   „Rechtzinnigen maken dikwijls de fout erkenning te eisen van wat eerst na de eenheid onderzocht en erkend kan worden". Eerst samen spreken, samen gaan, samen werken en dan onderzoeken of er zo iets is als geloofsgemeenschap.
   Onder B. wijst ds. De Jong er op, dat de lagen zullen verdwijnen, de liberale, vrijzinnige burger sterft uit, het confessionele mensentype verdwijnt langzamer, maar het verdwijnt. „De bindingen van feodale werklieden, „ethische" freules, bankiers uit vrome ouders geboren, gezeten boeren en aartstrouwe middenstand, kortom van gans een leraarlievend Nederland, aan de kerk van vader en moeder, aan ,,de kerk van opoe", zij zijn taai, soms wonderlijk taai, maar zij gaan er aan en daarmee zakt heel die „lagenstructuur" van ons kerkelijk leven en daarmee heel dat sociologisch zo sterk bepaalde richtingswezen weg". De moderne massamens komt en we hebben de kostbare last van het Evangehe los te maken van de geestelijke bagage en levensstijl van lagen en standen en richtingen, die der verdwijning nabij zijn. De toekomst zal bepaald zijn door de oecumenische werkelijkheid, waarin elke gezindte zijn bepaalde invloed kan uitoefenen : het sola fide van de Gereformeerde gezindte, de heldere menselijkheid en vertrouwdheid met de mens en de maatschappij van het heden van de vrijzinnigheid, de levensleiding van de H. Geest van de Groepbeweging en Möttlingen, de zin voor sacramenteel leven van de liturgische beweging.
   Wij moeten bereid zijn tot zelfherziening.
   Als wij zo het geheel van het betoog hebben overzien, dan komt bij ons de eerste vraag op : Hoe ziet ds. De Jong de plaats en de functie van de belijdenis onzer Kerk ? Het moet ons opvallen, dat de. schrijver daarover zwijgt. Hij ziet de Kerk als een geheel van mensen met bepaalde theologische beschouwingen, die met elkander moeten spreken, die elkander moeten trachten te begrijpen, die twee mijlen met de ander moeten gaan, om dan na te gaan of er zo iets is als theologische overeenstemming. Hierop komt in het algemeen de „nieuwe ronde" van Gemeenteopbouw neer. Naar onze mening wordt hier aan het wezen van de Kerk tekort gedaan; immers slaan wij deze weg van Gemeenteopbouw in, dan vervloeit de Kerk tot een oecumenische werkgemeenschap.
   Tekenend is dan ook de beschrijving door de schrijver van de kerkelijke houding van dr. Gravemeijer, die „in daadwerkelijke bereidheid tot zelfcorrectie een stuk vaderlandskerkelijke levensstijl van zeer bepaalde signatuur liet richten door het oordeel Gods, dat in de oorlog over ons kwam, die het waagde een Nederlands-Calvinistische traditie) in de smeltkroes te werpen van het groeiend oecumenisch leven".
   Naar onze mening is de Kerk steeds confessioneel bepaald. In de wereld heeft ze te leven, te belijden, Ie getuigen en te arbeiden. De Kerk heeft door Woord en Geest het geloof als een gave Gods ontvangen, dat geloof is niet dood, niet stom, maar drijft de Kerk tot belijden, tot getuigenis.
   Vaak op critieke momenten, in tijden van nood en vervolging, heeft het geloof in heerlijkheid geschitterd, is dat geloof tegenover de vijand beleden en is die belijdenis op schrift gesteld als een rijk bezit toen en tot een geestelijke erfenis nu.
   Zo vloeit de belijdenis dus voort uit het leven der Kerk als een vertolking van de Waarheid Gods.
   Wij kunnen en mogen nooit lichtzinnig deze belijdenis der Kerk hanteren, daarvoor heeft het geloof te helder geschitterd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GEMEENTE-OPBOUW IN DE NED. HERV. KERK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's