HET GEVAL „AALBURG"
In een van de vorige nummers deelde ik mede, dat de godsdienstonderwijzer Wakker per advertentie had laten aankondigen, dat hij op Zondag godsdienstoefening zou houden in een garage. Ik sprak hierover mijn bevreemding uit. Ik begreep er niets van.
Maar nu ben ik van verschillende zijden nauwkeurig ingelicht. Van betrouwbare zijde vernam ik, dat het de kerkeraad van Groot- Ammers is geweest, die aan genoemde heer Wakker de kerkelijke aanstelling heeft verleend. Uit dezelfde bron werd mij medegedeeld, dat men in Groot-Ammers een schrijven had ontvangen, inhoudende de mededeling ,,dat hij bedankt had voor de Hervormde Kerk en dat het hem veel strijd had gekost".
Van bevriende zijde uit Zeeland deelde men mij mede, dat de heer Wakker zijn toegezegde beurt in de Hervormde kerk afgeschreven had, omdat hij de Hervormde Kerk verlaten had.
In dit opzicht is de heer Wakker eerlijker dan die mijnheer uit Schiedam, die al lang in een eigen scheurkerkje preekte, maar er toch zo nu en dan nog eens gaarne op uit trok om in Hervormde kringen te spreken. Hij was wel zó wijs, om in die kringen niet te vertellen, hoe de vork in de .steel zat. De heer Wakker is dus weg.
Ik zit weer over een volgend geval te peinzen, want zo volgt het ene geval het andere. En de gemeente Aalburg zit weer met de gevolgen. Daar is een Hervormde Kerk, sinds enige jaren ook een Gereformeerde Gemeente, en nu dan een derde kerkje van Wakker.
O, als ik het neerschrijf, bloedt mijn hart. En al die verscheuringen heten dan nog het werk Gods te zijn. Dat is nog wel het verschrikkelijkste. Ik twijfel geen ogenblik, of ook de heer Wakker zal het de zijnen wel zó weten voor te stellen, dat de opening van het gebouw, waarin hij in Aalburg hoopt op te treden, het werk Gods is.
Moeten we die zaak nu verder maar laten schieten ? Neen, dat mag niet. Ik hoop dat de grote Herder der schapen spoedig een man moge zenden naar Aalburg.
Een ernstig beroep doe ik op alle collega's in de omtrek, om te trachten de mensen in Aalburg, die zich achter Wakker scharen, terug te brengen naar de oude erve onzer vaderen.
Voorts vraag ik mij af wat er aan te doen is om aan dergelijke practijken eens een einde te maken. We hebben nu in een dergelijke weg al heel wat godsdienstonderwijzers verloren. De eerste jaren ging het aardig goed, maar dan kregen ze de allures om ineens predikant te worden. En ziet, dan liep het mis. In onze Kerk kan dat niet. In de Gereformeerde Gemeenten en in de Chr. Geref. Kerk waren hun kansen meestal zeer gering. Men doorzag ook in die kringen maar al te zeer de bedoelingen, die er achter lagen. Uiteindelijk kwamen ze dan tot de stichting van een eigen kerkje.
Wat er aan te doen is ? „Niets", hoor ik iemand zeggen. Dat is wel een scherpj antwoord. Eensdeels ben ik het er mee eens. Er is weinig aan te doen. Het kerkelijk besef is bij een heel deel van onze Hervormde mensen weg. Als ze maar een goede preek horen, al is 't dan in een schuur of lokaal, al is de voorganger niet Hervormd, — wat doet het er toe, als men de waarheid maar hoort.|
Op een dergelijke voedingsbodem tieren de gescheiden kerken.
Ik denk aan Nieuwerkerk a/d IJssel en Capelle a/id IJssel. Over een afstand van vijf kwartier gaans vinden we een Geref. Gemeente, twee Oud-Gereformeerde Gemeenten en de gemeente van Vlot. Dus met andere woorden : vier hyper-Gereformeerde groepen, die elkaar nog met scheve gezichten aanzien
Toch is er nog wel iets te doen. In de eerste plaats moeten de kerkeraden voorzichtiger zijn met het uitreiken van aanstellingen. Als mannen met een dergelijke aanstelling, in goede trouw gegeven, op pad gaan om in andere gemeenten de Kerk te verscheuren, dan moet de aanstelling worden ingetrokken.
Die kerkeraden hebben op de handel en wandel van bedoelde godsdienstonderwijzers toe te zien. En hier ligt ook een taak voor de Classicale Besturen. Als het niet goedschiks wil, dan moet het Classicaal Bestuur de acte van bevoegdheid tot het godsdienstonderwijzerschap maar weer intrekken. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.
Ik zou willen adviseren om de bevoegdheid alléén te verlenen aan hen, die op een bepaalde post gesteld zijn of die onder een bepaalde predikant een heerlijke taak hebben te vervullen, maar niet meer aan mensen, die stad en land afreizen om de boel in de war te sturen.
Indien er aan de lezers van De Waarheidsvriend gevallen bekend zijn, waarin ook gevaar voor iets dergelijks schuilt, laten ze het mij dan tijdig mededelen, dan kunnen de bevoegde instanties nog tegenmaatregelen nemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's