Een Domine vertelt
XI. Ziekenbezoek
Wat mij aangaat, heb ik liever te doen met een opstandig mens, dan met een onverschillig mens. De opstandige zegt het tenminste, hoe hij over de dingen denkt. Hij kan tenminste nog boos worden, wanneer gij hem terecht wijst en op zijn plaats zet.
Hij geeft wel eens een driftig antwoord terug, maar wanneer hij straks gekalmeerd is, dan denkt hij vaak dieper over de dingen na. Gij hebt op hem in elk geval nog enige menselijke aanvat.
Bij de onverschillige is dat niet zo. Hij vindt alles goed. Dat gij bij hem komt, of dat gij het niet doet. Dat gij bidt, of dat gij het laat.
Hij laat het over aan uzelf ; alleen : één ding doet hij u duidelijk voelen : dat het hem nu eenmaal niet interesseert.
Misschien zijn wij zo gelukkig, één punt te ontdekken, dat hem wèl interesseert. Dat zal hier of daar ongetwijfeld toch wel liggen. Wellicht ware het mogelijk, ons daar aan te sluiten met het woord, dat wij te zeggen hebben en hem niet zó maar uit zijn onverschilligheid uit te stoten, maar hem althans daarin een flinke schok te geven. Wij doen hier verder niets. De Heere is de Machtige.
Thans maken wij kennis met een andere zieke. Het is een trouwe kerkganger, die daar neerligt. Reeds enige weken is hij ziek en hij is blij, dat wij komen ; had trouwens ook niet anders verwacht.
De lichamelijke toestand baart hier weinig zorg.
Nu roeren wij de geestelijke dingen aan ; maar voorlopig blijft het nog aan de kerkelijke buitenkant, dat wil zeggen : „aan het gemengd kerkelijk nieuws". De zieke is vol belangstelling voor de kerkelijke aangelegenheden. Hij vraagt naar alles en nog wat.
Wel, wel, wat is die man goed op de hoogte, waar de verschillende dominees alzo gestaan hebben. Sommige predikanten heeft hij op hun zwerftochten zelfs precies gevolgd. Huisbezoekers zouden hier op de kaart zeker ingevuld hebben: ,,kerkelijk meelevend".
Tenslotte zegt de zieke : „Wat zal ik blij wezen, wanneer ik weer naar de kerk kan gaan, want hier moet ik zoveel missen". Over zijn eigen toestand verder geen woord. Nu gaan wij aan het vragen : ,,Wat mist gij dan hier ? " Antwoord : „ik ga zo graag naar de kerk".
,,Waarom ? " ,,Wel, domine, er mocht nog eens een woordje bij wezen !" ,,Is er dan nooit een woordje voor u bij geweest ? "
„Dat zal ik niet zeggen, domine, maar 't heeft mij niet getroffen, 't Was zeker Gods tijd nog niet".
,,0 mens, o mens, moet het nu die kant weer uit ? Moet gij nog een apart toespraakje van de Heere, behalve het gewone Woord ? Welnu, gevoelt gij niet dat uw gehele ziekte dat aparte toespraakje van de Heere juist is? En gij verlangt al weer naar wat anders. Weet gij wel, dat de Heere u thans op het ziekbed vraagt, wat er met al Zijn woorden gebeurd is ? Vraag aan, Hem, dat Hij u licht geve, opdat gij Zijn aparte toespraken verstaat! Want gij wacht op hetgeen nog komen zal en gij vergeet, wat al gekomen is".
Wij gaan naar een andere zieke. Wanneer wij even aan de praat zijn en de zieke ook wel degelijk zijn mening ten beste geeft, ja, zelfs aanroert, wat er bevindelijk gekend moet worden op de weg naar de hemel, dan zegt hij ineens er midden tussen : „Domine moet van mij vooral niets denken of veronderstellen ; ik ben zelf nog onbekeerd".
Als men hem vraagt: „hoe kunt gij dan dit alles weten, wat gij daar zoeven zcidet ? " dan is het antwoord : „dat heb ik bij mijn bekeerde vader wel gezien en gehoord, dat het zó maar niet gaat". Dan valt hier weer genoeg te bespreken. En toch : het is zo menigmaal een hopeloos en wanhopig werk, wanneer wij het uit onze gezichtskring bezien. De zieke wil u laten voelen, dat men hem geen knollen voor citroenen verkoopt, wat wij ook in 't geheel niet van plan waren, en toch beseft hij niet, dat hij zelf de knollen nog verkoos en de citroenen liet liggen.
Voor de zoveelste maal voelen wij het dan weer, dat er, zeker, een levende lijdelijkheid is, gewerkt door de Heilige Geest, maar helaas ook een dode passiviteit van de geesten uit de afgrond.
Een andere kranke vragen wij of hij wel eens bidt. Hij antwoordt: „O ja, ik heb dikwijls gebeden, maar alles blijft nog duister".
Er is, dunkt mij, haast niets, wat zó dikwijls door zieken geantwoord wordt, als dit. Wanneer men daarop nader ingaat, dan blijkt het soms, dat zij met dat „bidden" ook bedoelen een formuliergebed, dat zij vóór of na de maaltijd plegen uit te spreken. Niet het minste begrip is er dikwijls, wat men onder het ware bidden heeft te verstaan.
Maar wees er zeker van : wat de mens ook vergeten is inzake de vereisten van het waarachtig gebed, één ding vergeet hij nooit, om er aan toe te voegen : „maar God antwoordde mij niet!" Die les is in het rijk der duisternis geleerd.
En men vergeet: het koper en de hardheid en de doofheid is niet boven ons, in de hemel. Het zit alles in ons eigen hart.
De Heere alleen heeft recht om, te zeggen : „Ik heb tot die mens wel gesproken, op allerlei wijze; maar die mens antwoordde Mij niet".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's