De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

6 minuten leestijd

XI Ziekenbezoek

Willen wij nu eens naar een ander gaan ? Het is een vrouw, die belangstelling toont voor de geestelijke dingen. Zij is altijd blij, wanneer wij komen. Kennelijk voelt zij er zich ook mee vereerd.
   Zij kan soms hele stukken uit uw predikatie aanhalen, die gij onlangs gehouden hebt. Eén ding is vaak echter jammer, dat gij u van die stukken niets herinnert. Dat kan liggen aan uw ouderdom, of daaraan, dat gij. niets van die aard gezegd hebt. Dus dan heeft een "ander het zeker gezegd, of, wat ook mogelijk is, die vrouw heeft het er zelf bij gedacht. Dergelijke misverstanden zijn onschuldig en goed bedoeld.
   Toch heeft die vrouw wel enkele vreemde dingen. Eenmaal zelfs vertelt zij mij, dat zij de Heere Jezus gezien heeft, staande bij haar legerstede. Ik heb haar toen gevraagd of zij ook bevreesd was geweest ?
   ,, Hoe zo, domine ? " vroeg zij.
   ,,Omdat er staat: ,,wie zal bestaan, als Hij verschijnt ? " Geen mens kan zo voor het Aangezicht Gods verschijnen of van Zijn Gezalfde".
   „Neen !" zij was niet bang geweest.
   „Weet gij dan, wat zonden zijn en schulden voor God, en ook, dat zij zijn afgewassen in Christus' dierbaar bloed ? "
   „Ja !" dat wist zij.
   „Als gij dat waarlijk weet, laat u dat dan het voornaamste mogen blijven, om voor God in Christus rechtvaardig te zijn. Zoudt gij daarom zaliger zijn, zo Christus u hier op aarde lichamelijk kwam bezoeken? Verwacht het daarvan dan niet. Hij heeft tot Thomas gezegd :  ,,Zalig zijn zij, die niet zullen gezien en nochtans zullen geloofd hebben".
   Gods Woord leert ons, dat Christus naar Zijn mensheid ten hemel voer en nu zit aan 's Vaders rechterhand, totdat Hij eenmaal wederkomt. Zo is Hij dus op de aarde niet meer.
   Denkt gij misschien aan Stephanus, die de hemel geopend zag en de Zoon des mensen staande ter rechterhand Gods ? Welnu, hij zag Hem dus daar boven.
   Dergelijke „gezichten" zijn vaak een gevolg van overspannen verbeelding of van onkunde op het gebied der Waarheid.
   Wij zien het juist bij de zieken zo sterk aan de dag treden, dat de mens geneigd is, ook tot afdwaling in allerlei dingen, waardoor de ziel maar nodeloos wordt opgehouden.
   Wat kan het ons goed doen, wanneer wij eens bij kranken komen, die er in geen enkel opzicht doekjes om winden. Die zulke ware en klare taal doen horen. De oprechtheid er in is soms duidelijk voelbaar. Dat komt ons dan als een heerlijke verrassing overvallen, aangezien wij het daar allerminst hadden verwacht. Wij hadden het verwacht bij die trouwe kerkgangers, die in het Woord als het ware doorkneed waren. En juist daar viel het vaak zo tegen.
   Vooral in de steden ontmoet men wel eens een verloren schaap, dat door de Herder gevonden werd, nadat het ver was afgedwaald. Nog kort geleden werd ik geroepen bij een stervende (nu reeds in de eeuwigheid). Ik ging er heen, denkende : het zal wel weer te doen zijn om „het laatste oliesel". (O, dat defaitistische denken toch, vóór wij ons eenvoudig naar ons werk begeven. Ik zeg niet, dat er menigmaal niet enige grond voor aanwezig is, vanwege de talloze teleurstellingen en ontnuchteringen, die een ziekenbezoeker op doen kan.
   Toch vergeten wij te veel, dat, al hadden wij het 99 maal bij het rechte eind, wij ons de honderdste maal wel eens konden vergissen).
   Hier zette ik mij dan bij het ziekbed neer en zweeg een ogenblik. Er viel te luisteren. Plotseling klonk het: „Ik zal het u maar zeggen, domine, ik ben een zondares. Ik ben afgedwaald". (Zij bedoelde dat niet in maatschappelijke zin). ,,Ik weet de weg heel goed en kerkte trouw in ons kleine dorp, maar hier in dat grote stadsleven voelden wij ons kerkelijk zo vreemd. Wij wisten niet, waarheen ? en zo kwamen wij nooit meer onder Gods Woord".
   „En de Heere heeft mij geslagen met krankheid, de eerste maal. En nu weer. Ik weet, dat het sterven wordt en heb al mijn zonden en schulden voor de Heere neergelegd. Maar ach ! ik weet niet, of de Heere mij alles kwijtgescholden heeft".
Daarop heb ik geantwoord: ,,die God, Die u bidden leerde, schonk u met het gebed ook de verhoring om Christus' wil. Hij leert het ene niet, zonder 't andere te schenken".
   Ja, dat geloofde zij ook. Daarna hebben wij samen gebeden en tegelijk had ik een les ontvangen, ter beschaming van mijn voorbarige gedachten.
   En wilt gij tenslotte het ziekbed van de roem ? De roem, alleen in God ? Ga dan mee naar dat kleine arbeidershuisje.

Daar ligt eens mens te sterven.
Te sterven in zijn Heer' ;
Die 't leven mocht verwerven ;
Nu roemt tot Godes eer.

Het is de vader van het huisgezin. Hij kon nog zo node gemist worden, naar mensengedachten althans. Maar dat is iets, wat de Heere uitmaakt en niet wij. Deze man heeft zijn aardse strijd ook volbracht. Zware lasten had hij te torsen. Elke zomer ging hij naar Holland, om gras te maaien, wanneer de hooitijd was aangebroken, en aldus iets over te houden voor de winter.
   Nu heeft de hand des doods zich over hem uitgestrekt.
   Wat was hij trouw in Gods huis, onder het Woord. Nog zie ik de glimlach op zijn aangezicht, wanneer hij een zegen ontving. De kracht Gods tot zaligheid had een stempel op hem gedrukt.
Nu was het einde daar ! Maar welk een sterven ! Er was een vader en priester zijn God aan het grootmaken en bracht Hem de offeranden des lofs. De kinderen zaten of lagen eerbiedig voor de legerstede en ontvingen ieder een woord apart van vaders lippen. O, dat was hier een Bethel en een Pniël. Dat eenvoudig woonvertrek was heilig land.
   De domine stond er ook bij. Hij was haast een vergeten man, zoals Filippus dat eertijds voor de kamerling was, omdat hij zijn weg met blijdschap reisde. Hij behoefde niet te denken : wat moet ik hier zeggen ? Hij mocht hier zwijgen in eerbied. Zelf luisteren. Bewogen worden. Hij behoefde niet te geven. Hier mocht hij zelf ontvangen.
En weet gij, wat hier ook plaats had ?
Een wondere samenvloeiing der ambten.
De predikant was de kerkelijke ambtsdrager. De stervende vader vervulde zo heerlijk het priesterlijk en profetisch ambt der gelovigen. (Het koninklijk ambt zou spoedig aanvangen).
   Het ambt der gelovigen en dat der aardse Kerk vloeiden hier als het ware ineen. Wij zouden ook kunnen zeggen : het ambt der aardse Kerk trad hier zélfs eerbiedig terug. Zulke ziek- en sterfbedden laten wat achter.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's