EEN SPIEGEL DER GEESTEN
Het bericht in de dagbladen van een ,, proces tegen de Hervormde Kerk", zoals A. J. B. het in de 's-Gravenhaagse Kerkbode noemt, heeft nog al beroering teweeggebracht. Dat is trouwens begrijpelijk.
Het is zelfs verklaarbaar, dat degenen, die zich geroepen gevoelden om daaromtrent hun hart te luchten voetstoots bereid waren om de oorsprong van deze daad te zoeken in de kringen der bezwaarden. Het ware immers moeilijk aan te nemen, dat deze gezocht moest worden bij degenen, ; die met meerdere of mindere reserve of met geestdrift de nieuwe kerkorde begroeten, en de gang van zaken toejuichen.
Onder de laatsten behoorde de Gereformeerde Bond niet. Deze toch heeft niet nagelaten trouw deel te nemen aan de discussies, zijn bezwaren en wensen te formuleren en ter kennis te brengen van de kerkelijke instanties. Ronduit heeft de G. B. uitgesproken, dat hij de nieuwe kerkorde niet kan aanvaarden. De publicaties omtrent de eindstemming hebben uitgemaakt, dat de 14 tegenstemmers, op een tweetal na, tot de Geref. Bond zouden behoren.
In dat licht is het verklaarbaar, dat men na publicatie van namen een aantal leden van de Geref. Bond — of welke men daarvoor hield — daaronder aantreffende, plaats gaf aan het vermoeden, dat de Geref. Bond hierin wel de hand zou hebben.
Intussen is dat volstrekt niet het geval.
Een en ander is echter nog geen voldoende grond om zulke vermoedens, als ware het inderdaad zo, door de pers naar buiten te dragen, gelijk is geschied. Toch hebben sommigen zich niet ontzien om de overleggingen hunner harten den volke bekend te maken. Zij hebben het nog erger gemaakt door zelfs de indruk te willen vestigen, alsof er sprake kon zijn van een soort samenzwering met de Zwingli-bond.
Wij hebben er in het vorig nummer reeds op gewezen. In de „'s-Gravenhaagse Kerkbode" wordt op deze ongegronde vermoedens doorgeborduurd door A. J. B. Hij drukt zich iets voorzichtiger uit door, alleen van leden van de Geref. Bond en van de Zwingli-bond te spreken, door wie, volgens de dagblad-berichten, deze stap zou gezet zijn. Hij beweert echter met een vrijmoedigheid, alsof hij het weet, dat dit juist is, maar dat daarnaast ook enkele anderen zich om hem niet bekende redenen bij eerstgenoemden aangesloten zouden hebben.
Het schijnt derhalve in de politiek der synodale heren te passen om op een dergelijke wijze stemming te maken tegen de ,,bezwaarden" met name tegen de Gereformeerde bonders.
,,Gereformeerde bonder" is nu eenmaal een ,,begrip" geworden, waaraan zich in bepaalde kringen gevoelswoorden hebben verbonden, die niet bepaald sympathiek van aard zijn. Zij worden ouderwets genoemd, fundamentahsten, confessionalisten. en nog veel meer, dat wij maar niet noemen.
Klaarblijkelijk wil men deze mensen treffen door zoveel drukte te maken over een verbond met de Zwingli-groep. dat alleen in de gedachten van deze zegslieden bestaat, die wegkruipen achter dagbladberichten, aan welker verspreiding zij zelf niet onschuldig staan. En dan wordt hoog opgegeven van zulk een vermeend verbond door de voorstanders van een richting, die met de vrijzinnigen gemene zaak maakt, waaraan zij goeddeels te danken hebben, dat de kerkorde genoegzame voorstemmers verkreeg.
Daarom is heel die verontwaardiging ongegrond, misplaatst en onbehoorlijk. Welk een spiegel der geesten !
Zij hebben de bezwaren dezerzijds klaarblijkelijk niet ernstig genomen en hebben die ook niet in hun diepte gepeild. Zij hebben er niet het minste gevoel van, naar het schijnt, dat deze mensen opkomen voor wat naar hun diepste overtuiging met de hoogste belangen vaa'het'kerkelijk leven saamharigt, als zij voor de erkenning der belijdenis opkomen. Zij zien niet in, dat degenen, die bij deze be lijdenis leven, de Kerk niet kunnen vereenzelvigen met een leiding, die volgens hun oprechte overtuiging in strijd handelt met de aard en het wezen der Kerk en haar openbaring.
Vandaar dat hun beroep op de Synode telkens weer op niets uitliep.
En nu de namen van enige ,,bondsleden" worden aangetroffen onder de bezwaarden, die hun toevlucht nemen tot de rechterlijke macht, maakt men kabaal en tracht men de Gereformeerde Bond met leugenachtige voorstellingen verachtelijk te maken.
Voorts weet men geen woorden genoeg, om zijn verbazing te kennen te geven, dat een man, die voor het recht en de erkenning van de belijdenis der Kerk opkomt, zijn naam aan zulk een onderneming kan geven. Om aan die verbazing een schijn van recht te geven, bezigt men een toespeling op 1 Cor. 6, alsof het hier waarlijk een onderling twistzaakje van enige gemeenteleden gold.
Wij kunnen er in komen, dat dit voorval bij sommigen toorn en bitterheid verwekt heeft. Dat is menselijk en doet ons leed, al gaan zij soms rijkelijk ver voor een Christenmens, als zij uiting geven aan hun misnoegen.
Maar, zou men nu heus willen beweren, dat een beroep op de Overheid ten enenmale niet gerechtvaardigd en ongeestelijk is ? Kan iemand dat volhouden, als hij voor de erkenning en handhaving van de belijdenis opkomt, waarin ook een artikel 36 staat ?
Kan hij dat volhouden, die „Fundamenten en Perspectieven" als proeve van hernieuwd reformatorisch belijden aanvaardt, ziende op artikel 16 ?
Ten slotte : heeft ook de apostel Paulus zich niet op de keizer beroepen ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's