De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

5 minuten leestijd

XI. Ziekenbezoek

   Wat één zieke u overigens een werk kan geven ! Ik bedoel dat niet als moeite of tijdverlies, maar zó, dat die kranke u somtijds geheel bezig houden en in beslag nemen kan. Op zichzelf zou men denken : wat is nu zulk een ogenblik, om de twee of drie dagen, bij een ernstige zieke doorgebracht ? Dat moet er altijd weer af kunnen.
   Welnu, dat kan er ook wel af. Als men maar niet denkt, dat het bij ziekenbezoek precies gaat als na ieder ander werk.
   Van véél arbeid kan men aan het einde van de dag weer zeggen : dat is klaar ! dat is af ! Men denkt er dan verder niet meer over. Zo gaat het ook wel met vele ziekenbezoeken. Ze worden verricht; in het boekje ingevuld. Verder niets bijzonders. Er was niets, dat te denken gaf.
   Maar op deze regel komen toch ook nogal eens uitzonderingen voor. Er zijn zieken, die bijzondere zorg vereisen. Hebt gij hen bezocht, dan neemt gij de zorg over hen vaak mee naar huis.
   Dit zal in een kleine gemeente nog sterker worden gevoeld. Meen echter niet, dat dit in een stad niet voorkomt. Ook daar kan de zorg over één mens u evenzeer neerdrukken. Maar terwijl gij het lot van de kranke nog in uw gedachten omdraagt, komen er twee, drie andere dingen overheen van gans andere aard, die uw volle aandacht vereisen. Gij moet voort en dat maakt u tenslotte stads-kortaf.
   Laat mij hier iets vertellen van een geval, dat mij, als jong predikant, heel wat zorg en hoofdbrekens gekost heeft. Achteraf ben ik er dankbaar voor.
   Er was een jongeling ziek geworden in mijn kleine Gemeente. Ik had hem al een paar keer op de catechisatie gemist en hoorde daar de reden van zijn wegblijven. Hij was in intellectueel opzicht ongetwijfeld de beste leerling van die catechisatie. Hij onthield ongeveer alles, wat een vorige maal behandeld was en wist op heel wat vragen te antwoorden.
   Er was één bezwaar : 't jonge mens voelde zich nogal. Wanneer andere leerlingen iets niet wisten, en ik vroeg het hem, dan placht hij eerst te zwijgen, maar met een geringschattend glimlachje gaf hij dan daarna het antwoord, op een wijze, als was; hem dat toch wel een beetje al te eenvoudig.
   Daarover had ik hem eens terecht gezet. Waarna hij boos werd en het antwoorden in het geheel niet meer verkoos.
   Deze jongeling was nu ziek. Ik ging naar hem toe en vroeg naar zijn toestand.
   Bijzonder vriendelijk was hij niet; maar dat kon de ziekte meebrengen.
   Ik wees hem op Gods roepstemmen in zijn jonge leven en vroeg hem, of hij wel eens bad.
   Kort klonk het antwoord : „neen !" ,,Zullen wij het samen doen? " ,,Neen !" was het weer.
   Toen ben ik opgestaan en heengegaan, hem toevoegend: ,,Op de catechisatie waart gij de eerste, en nu zo hard ? Geen antwoord.
   Ik heb enige tijd gewacht, er weer heen te gaan.
   Na een paar weken kwam een familelid bij mij, om te vragen of ik weer eens komen wilde ; want de toestand van de zieke was ernstig en hij was zo bitter bedroefd. Niemand kon iets met hem beginnen. Hij sprak geen woord.
   Ik ging er heen en vond het, zoals mij verteld was. Daar lag de jongeling terneer. Een toonbeeld van ellende. Hartbrekende snikken klonken door het vertrek.
   Ik trachtte hem toe te spreken, maar mijn woorden hadden niet de minste uitwerking. Ik wist niet eens of hij mij opgemerkt had.
   Over zulk een droefheid werd ik zelf verslagen en vol medelijden riep ik luide : ,,Als gij zo bedroefd zijt over uw zonden, dan is er juist voor u vergeving, want de Heere stierf voor de voornaamsten der zondaren".
   En zie ! daar keert de jonge zieke zijn aangezicht naar mij toe. Hij houdt op met wenen. Met iets spannends in de ogen kijkt hij mij aan, als wil hij zeggen : „Is dat werkelijk waar ? "
   Er kwam nog altijd geen woord over zijn lippen ; maar het snikken was uit.
   Ik heb niet gevraagd : ,, zullen wij samen bidden ? " Hij had weer eens mogen zeggen : ,, Neen !"
   Zonder zijn antwoord af te wachten, zei ik eenvoudig : „Nu zullen wjj bidden !"
   Hij bleef doodstil onder het gebed. Volhardde ook in zwijgen, toen ik weer heenging. Maar een verwonderde, onderzoekende blik lag nog altijd in zijn ogen en vervolgde mij. Ik sprak er over met een broeder ouderling, die voor zijn huis stond en naar de toestand van de kranke vroeg.
   Het werd half zes die dag. Daar kwam de broeder van de zieke weer aan op het pad naar de pastorie. Ik opende zelf de deur en meteen klonk het mij tegen : „domine, gaat u toch gauw mee, want onze is zoeven tot volle ruimte gekomen. Om 5 uur werd er geklopt op de muur van de bedstede. Wij hebben het allen gehoord. Dat was Gods tijd. En nu horen wij de grote werken Gods verkondigen".
   Bij het vernemen van deze dingen sloeg mij de schrik om het hart, Moest daar nu alles weer op uitlopen, op een soort wóndergeloof of op het fabriceren van een dergelijk ,,wonder" ? Of daarop, dat men werkelijk meende, dat kloppen te hebben gehoord ?
   Moest het hier ook weer uitlopen op het wekken van sensatie ? Want natuurlijk, hier zouden de mensen in groten getale op afkomen. Daarvan moesten zij meer vernemen : niet, hoe iemand zo bitter bedroefd kan zijn over zijn zonden en de Heere daarin alleen vertroost ; helaas, dat interesseert de vroom doende mensen toch eigenlijk niet; maar de bijkomende bijzonderheden ! Dat kloppen op de bedsteemuur !
   Ik ben die dag expres er niet meer heengegaan. Wilde aan een dwaze wedloop niet meedoen, maar heb de vrager dit antwoord gegeven : ,, Als God hier waarlijk gewerkt heeft, moet ik er niet tussen komen met mijn overhaasting.
   Het was een standpunt, dat men niet begreep. Ik had trouwens ook niet durven verwachten, dat men het begrepen zou hebben.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's