De Puritein van de Hertenpolder
FEUILLETON
door Jac. Overeem
Ik hoop da je iets ontzag veur de geduchte hoogheid van God mag leren, zoas de psalmdichter 't uutroept: Wie zou U niet vrezen, gij Koning der Heidenen, want 't komt U toe..
Daarin moet Janus altijd eindigen. Zijn hartzeer is over. 't Kleine knechtje wou zich handhaven, vrijpostig door de goedheid van zijn baas ; maar zwijgt, want het is nu tijd.
Er is bij Janus geen strijdlust.
Piet van Wezel is goed rooms en wordt niet overtuigd, zoals Aldert heeft gezegd. De meesten zouden niet zoveel gezegd hebben als 't ging over het stuk van godsdienst. Daarom zal het knechtje nog een waardig vertegenwoordiger zijn van de Moederkerk.
Janus zal hem laten tobben. Tegen onkunde en gevoelloosheid is toch niemand opgewassen. Daar stuiten alle goed gemeende woorden op af.
Piet staat op en gaat nog even naar het dorp.
Aldert blijft bij Janus zitten. Hij peinst over de mensen, waarvan hij er maar een enkele ontmoette, die hem sympathiseerde. Hij is eenzelvig gebleven, omdat hij 't recht bemind heeft en de konsekwenties daarvan ten volle aanvaardde. Zijn niet alle mensen zoekers van zichzelf ?
We menen een goed vriend te hebben soms. En dan blijkt het, dat hij in onze afwezigheid zich niet als een vriend gedragen heeft. Zo weinigen nemen het écht voor elkaar op. Zo héél weinigen. Men praat met iedereen mee.
Je hebt dingen gedaan, waarvoor je je eigen volkomen en met liefde gegeven hebt, en hoe vaak gebeurt het niet, dat je stank voor dank ontmoet ?
Aldert van Janna denkt verder, 't Is waar, de mensen, die niet denken over de levensproblemen, zijn de gewone, nuchtere mensen, en hij is toch een zonderling. Hij heeft dit best begrepen aan de mensen, dat ze zó ongeveer over hem denken.
Dan denkt hij weer over het gesprek van de boer en het knechtje.
Toch zou hij 't jong heel anders hebben aangepakt.
Hij zou niet tégen hem, maar meer vóór hem gesproken hebben.
Hij zou eens logisch hebben willen redeneren over de noodzakelijkheid, dat een mens, persoonlijk voor zich, tot de Heere moet komen. Dat het klaar moet komen tussen God en ons. De Heere Jezus zegt toch ook niet: Ga tot de pastoor, hij vergeeft u de zonde ; maar : Komt tot Mij, en Ik zal u rust geven !
Daar moet op gewezen worden. De Roomse kerk kweekt onverschillige mensen. Dat kan ook niet anders. Dit vloeit uit het systeem voort. Daarom zeggen ze : daar praat ik niet over, de pastoor zorgt daar wel voor.
Dan praten ze nog wat. Aldert van Janna, die veel en diep denkt, en de boer, die nu bezig is met zijn kleine jongen. Straks zal hij hem even op het knie vatten. O ja, hij weet 't, het is de werkelijkheid, zijn kleine jongen draagt de kiemen der boosheid al in zich. Dat is de harde waarheid. Maar Gods genade is overvloeiende. Dat heeft hij ondervonden. Overvloeiende voor de grootste der zondaren. Maar Berendje is klein en nog een teer wicht.
Kinderen zijn een erfdeel des Heeren, peinst hij. Zijn kleine is, toen hij enkele weken oud was, gedoopt in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. En deze doop is het teken van de inlijving in de kerk en het zegel van het genadeverbond. De uitwendige doop heeft geen kracht om een mens te reinigen van de zonde, maar is een teken en zegel van de genade.
De Roomsen leren, dat de genade gewerkt wordt door het sacrament en de Luthersen leren, dat de genade gebonden is aan het sacrament; doch de Gereformeerden Ieren, dat de genade betekend en verzegeld is door het sacrament.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's