De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„FUNDAMENTEN EN PERSPECTIEVEN”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„FUNDAMENTEN EN PERSPECTIEVEN”

6 minuten leestijd

7. JEZUS CHRISTUS, DE PRIESTER.
   ,,Jezus Christus, de Zoon Gods heeft heel Zijn leven door en inzonderheid aan het einde, zich ons aan schuld en dood vervallen bestaan eigen gemaakt, zonder daarin zelf schuldig te worden. Hij heeft in alle ontzetting de verzoeking van de satan doorleden, zonder daaraan toe te geven. Hij alleen heeft de Godverlatenheid van ons zondig leven waarlijk ondergaan, zonder zelf God te verlaten". (Wij cursiveren, S, ).
   ,,Wat er geschiedt tussen God en mens", zo verklaart de toelichting de inhoud van deze alinea.
   De bedoeling is klaarblijkelijk het werk der verzoening, dat is geschied te omschrijven, waarbij dan bijzonderlijk op het priesterschap van Christus wil gezien zijn. Reeds bij het vorige artikel over Jezus Christus, profeet, hebben wij gewezen op het middelaarschap, dat meer aandacht had verdiend.
   Deze opmerking heeft zeker niet minder recht bij dit artikel. Wie het in zijn geheel leest, zal opmerken, dat inderdaad het plaatsvervangend karakter van Christus' lijden niet geheel ontbreekt (al. 2). Dit neemt echter niet weg, dat dit artikel ganselijk zwijgt van opstanding, hemelvaart en verhoging aan de rechterhand Gods. Christus toch zet in de hemel Zijn Middelaarswerk voort, b.v. in de voorbidding.
   Bovendien is de voorstelling, welke ons hier geboden wordt onder de titel Jezus Christus, priester, niet zeer duidelijk. Reeds de eerste zinsnede is verward : ,,Jezus Christus, de Zoon Gods, heeft heel Zijn leven door en inzonderheid aan het einde etc." (Zie boven).
   Waar begint dat leven van Jezus Christus, de Zoon van God ? Het bovengenoemde citaat gaat van het leven van Jezus Christus op aarde uit en stelt het dan voor, alsof Hij in dat aardse leven zich „ons aan schuld en dood vervallen bestaan heeft eigen gemaakt". Dit laatste komt — om het zo uit te drukken — er bij, Jezus Christus neemt het bovendien.
   Onwillekeurig wordt de gedachte gewekt aan een openbaring van de ware mens Jezus Christus, naast en tegenover de aardse mens, wiens bestaan aan schuld en dood is vervallen. En nu trekt die ware mens zich dit vervallen bestaan aan en maakt het zich eigen.
,,Het Woord is vlees geworden" zou dan eigenlijk op de openbaring van die ,,ware" mens zien, terwijl dan het verlossingswerk een geheel ander karakter zou verkrijgen : zoiets van het overbrengen van de aardse stervelingen in de ware mensheid.
De Schrift kent echter niet een soort mislukte mensheid en een ,, ware" mensheid. God heeft de mens naar Zijn beeld geschapen. Adam is de „ware" mens, al had hij bij zijn schepping zijn bestemming nog niet bereikt.
   In Christus verschijnt niet eens weer een andere mens, maar Hij neemt onze menselijke natuur aan teneinde haar te hernieuwen, wijl zij door de zonde verdorven was.
   Of de Christus ook mens zou geworden zijn, als er geen zonde ware, is voor velen een vraag.
De Heilige Schrift brengt de menswording van Christus altijd en alleen met de zonde in verband. Matth. 1 vs. 21, 9 vs. 13, 20, 28. Lukas 1 vs. 67, 2.vs. 30. Joh. 1 vs. 29, 3 vs. 16. Rom. 8 vs. 3. Gal 4 vs. 4 en 5. 1 Tim. 3 vs. 16. Hebr. 2.vs. 14. 1 Joh. 3 vs. 8 etc. (Vgl. Bavinck, Geref. Dogm. Ill, biz. 298).

Een ganse reeks van theologen echter is van oordeel, dat Christus ook buiten de zonde mens geworden zou zijn. Voor wie de val des mensen een toevallig en bijkomstig feit wordt geacht, is het wel heel logisch om de verlossing van de zondaar eveneens als een bijkomstig werk van het vlees geworden Woord te beschouwen.
   Wel erkennen wij met vele gereformeerde theologen, dat Adam een type van de Christus was, zodat bij de schepping van de mens — menselijk gesproken •— reeds op de Christus gerekend is. Uitdrukkelijk leert Calvijn, dat de mens in rechtheid en vóór zijn val de Middelaar niet kon ontberen, zonder Wiens tussenkomst hij geen gemeenschap met God kon hebben. (Inst. II ; 12 ; 4, 6).
   Op Schriftuurlijk standpunt is dan ook de zonde geen toevallig en bijkomstig gebeuren. Al kwam zij ook door de begeerte van het schepsel in de wereld, zo kon het toch niet buiten de Raad Gods omgaan. Daarin ook ligt de verklaring van het feit, dat de Schrift de vleeswording des Woords altijd in verband met de zonde ziet.
   Wijl de Christus de mens heeft aangedaan, die in Adam was gevallen, heeft Hij zich door Zijn geboorte, dus door Zijn vleeswording onder de toorn Gods in het oordeel der zonde gezet, welke op ons gevallen geslacht rustten en buiten de gemeenschap met Christus nog rusten. (Vgl.: Die de Zoon ongehoorzaam is, de toorn Gods blijft op hem. Joh. 3 VS. 36).
   De Persoon van de Zoon Gods is ingegaan in de wereld in de gelijkheid des zondigen vleses, geworden als onzer één, doch zonder de zonde. (Rom. 8 vs. 3).
   De vleeswording des Woords wordt ons door de Heilige Schrift dus voorgesteld als de komst van de Zaligmaker, die kwam om het verlorene te zoeken. Hij is ons van de Vader gegeven, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. (Joh. 3 vs. 16).
Het is dus niet zó, dat Hij ons wordt voorgesteld als de ware mens, die bovendien ook nog een verlosser is van de aardse, eigenlijk niet ware mens.
De redactie van boven afgedrukte alinea met haar opzettelijke tegenstellingen :

   a. wij in de schuld gevallen — Hij niet;
   b. wij aan de satan overgegeven — Hij niet;
   c. wij hebben God verlaten — Hij niet, geeft inderdaad aanleiding tot een opvatting in die zin.

   Onze belijdenisgeschriften en formulieren kennen wel tegenstellingen en drukken die ook wel uit. Wij denken o.a. aan de passage in het formulier van het Heilig Avondmaal : onder ten andere : ,,laat ons nu ook overdenken, waartoe ons de Heere Zijn Avondmaal heeft ingezet: waar Hij gebonden werd, opdat Hij ons zou ontbinden", enz.
   Zo wordt ook in de Catechismus van de ware menselijke natuur gesproken, niet, alsof Christus als de ware mens tegenover Adam wordt gesteld, maar zó, dat Hij waarlijk mens is geworden, omdat Hij uit het geslacht van Adam het vlees en bloed heeft aangenomen. Hij is een zoon van David en deze is een Adamskind. (Vgl. vr. 35).
   De Bijbelse voorstelling is inderdaad een andere dan die van art. 7 der F. en P.
   Daarom kunnen wij in deze formulering geen verbetering, maar wel een verslechtering zien. Men kiest zijn uitgangspunt in een Christusbeeld, ; dat wezenlijk van het Bijbelse verschilt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„FUNDAMENTEN EN PERSPECTIEVEN”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's