De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CALVIJN EN HET TONEEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CALVIJN EN HET TONEEL

7 minuten leestijd

Ten aanzien van de vraag, hoe Calvijn over het toneel dacht, heerst in brede kringen de mening, dat hij daartegen niet zoveel bezwaren zou gehad hebben. Ja, hij zou er wel vóór geweest zijn. Zulke vage beweringen wekken bij de hoorders, die evenmin als de verspreiders goed op de hoogte zijn, wel zeer onjuiste denkbeelden. Daarom is het wel de moeite waard om eens wat nauwkeuriger na te gaan, wat in deze nu de waarheid is. Onmiddellijk moet ik er aan toevoegen, dat de geleerden het ook in dit geval niet altijd eens zijn. Ik ben zo vrij geweest het hoor en wederhoor toe te passen en geef die voorstelling van zaken, die mij lijkt het best met de feiten overeen te komen.
   Als bronnen moeten dienst doen de houding door Calvijn in Geneve aangenomen en de in die tijd gevoerde briefwisseling.
   De geschiedenis van Geneve meldt, dat de bevolking verzot was op de vertoning van toneelstukken, deze werden histories genoemd ; ook werden mysteriespelen vertoond en z.g.n. ,,moralités", waarin levende personen werden ten tonele gevoerd, die soms daarin hun eigen rol speelden. Bij iedere bijzondere gebeurtenis : het bezoek van hooggeplaatste personen, bij volksfeesten, bij de ambtsaanvaarding van een aartsbisschop werden deze spelen vertoond. Ze werden in de regel door de liefhebbers gespeeld ; het was in de regel z.g.n. volkstoneel. Voor Calvijn waren deze echter ook al door stedelijk verbod getroffen.
   We willen thans de feiten verhalen, die voor onze vraag van belang zijn.
   Op 8 April 1546 wendt Monet zich met verscheidene anderen tot de Raad, om op Zondag na Pasen een moralité te mogen spelen. De Raad laat het stuk door de predikanten onderzoeken, of zij bezwaren er tegen hebben. Als dit niet het geval blijkt te zijn, wordt op 16 April de toestemming verleend.
   Op 29 April worden de nodige voorzorgsmaatregelen genomen : alle stadsdienaren moeten gewapend zijn op de dag der voorsteHing, de poorten op drie na gesloten, die men terdege bewaken moet, de torenwachters op de uitkijk, dé preek uitgesteld tot de avond. Dit alles, om een verrassende vijandelijke overval te voorkomen. De voorstelling gebeurde in die tijd natuurlijk op volle dag. Het betrof een onaanstotelijke moralité, dat vermoedelijk allegorisch-redenerend en satirisch tegen Rome gericht was. Had Calvijn hier werkelijk geen bezwaren tegen ? zal menigeen vragen.
   Laat ons even geduld hebben !
   Het behoeft niet te verwonderen, dat na de geslaagde opvoering Monet en de zijnen op 24 Mei met een nieuw verzoek bij de Raad komen om een nieuw stuk ,, Les Actes des Appotres" te mogen spelen. De Raad besluit het advies van Calvijn in te winnen. Calvijn weigert echter zijn eigen advies te geven, hij wil overleg plegen met zijn collega's. De Raad besluit op 31 Mei toestemming te geven het stuk met Pinksteren te spelen, nadat Calvijn en Abel verklaard hebben het stuk niet onstichtelijk te vinden. De andere predikanten hebben echter principiële bezwaren ingebracht en menen, dat deze stukken niet gespeeld moeten worden.
   Op 1 Juni zien we Calvijn zelf in de vergadering van de Raad. Hij wijst op de geldverspilling ten koste van de plicht om de armen te ondersteunen. Een besluit wordt niet genomen. Wel komt er een verzoek van beroepstoneelspelers aan de orde, een paar stukken te mogen spelen. Hier kent de Raad geen aarzeling. Hij heeft geen advies nodig, morgen moeten ze weg zijn, beslist de Raad.
   Op 15 Juni is Calvijn weer in de Raad. Hij verklaart namens het college van predikanten, dat het stuk wel „stichtelijk" was, maar dat men toch, omdat men als gevolg slechts groter onrust verwachtte, het stuk niet wenste gespeeld te zien. De Raad zette echter toch door, zodat op 4 en 5 Juli het stuk onder grote toeloop gespeeld werd. Opgemerkt kan worden, dat Calvijns ambtgenoot Cop zeer te velde trok tegen de gegeven toestemming en daardoor grote moeilijkheden veroorzaakte, die Calvijn met moeite wist op te lossen. Doch dit laten we thans rusten. Belangrijker is de vraag : hoe dacht Calvijn nu zelf over deze zaak.
   Om Calvijns houding te verstaan, moeten we de historische omstandigheden in het oog houden. Calvijn voerde in deze tijd een moeilijke, gevaarlijke strijd met de ,, libertijnse" burgers en magistraten. Op 8 April was de vrouw van de machtige Ami Perrin, de „capitain-général" der stad, voor de kerkeraad geweest wegens overtreding van het dansverbod ; de 12de werden zij en haar man, met de syndicus Corne en zijn vrouw, wegens dat feit gevangen gezet voor enkele dagen ; anderen volgden. De ganse stad begreep, dat het verbod ernst was, nu aan de voornaamsten en aan vrienden van de hervormer voorbeelden werden gesteld. Maar Perrin was van voorstander en vriend thans tegenstander geworden. Calvijn ging voort met de reformatie der zeden : om het verbod van vloeken, dobbelen, dansen, vuil gezang, meer effect te verlenen, werden de herbergen •— die er zeer veel waren — door 5 „abbayes", burgersociëteiten, vervangen, waar men geen eten of drinken kreeg, wanneer men niet christelijk bidden en danken wilde : 8 April 1546 voorgesteld, 29 April aangenomen, 28 Mei ingesteld en 22 Juni weer gesloten.
   De persoonlijke mening van Calvijn leren wij kennen uit zijn brieven in deze tijd aan zijn vriend Farel geschreven. Hij schrijft aan Farel op 3 Juni: ,,geen nieuws hier, dan dat er al een tweede ,,comedie" in de maak is. Wij hebben verklaard, dat wij dat allerminst goedkeuren. Maar tot het uiterste vechten wilden wij niet, omdat er gevaar bestond, dat wij ons gezag zouden inboeten, indien wij hardnekkig tegenstand biedend, toch tenslotte zouden overwonnen worden. Ik zie, dat men de lieden niet alle dingen van vermaak kan ontzeggen. Zo is het mij dan genoeg, als zij begrijpen, dat hun dit, wat niet zó erg slecht is, bij wijze van toegeving wordt vergund, maar tegen onze zin".
   Hoe Farel deze mededeling verstaan heeft blijkt uit zijn antwoord : ,,Als zij, die zo hun vermaak zoeken in spelen, maar niet later door smartelijke werkelijkheid gepijnigd zullen worden. Het staat te vrezen, dat zij die zo'n plezier hebben in 't aannemen van eensanders persoonlijkheid, inplaats van eigen persoon in Christus tot alle werk dienstbaar te stellen, gedwongen zullen komen onder niet verbeelde, maar wezenlijke vijanden, die niet in schijn, doch al te echt hen zullen verdrukken en plagen. Maar wie zal het volk ooit volmaakt krijgen ? Als zij dan nog maar alleen verbeeld kwaad, en niets dan goed in werkelijkheid wilden doen ; de zonden van anderen vertonen, maar zelf ze vermijden". In een brief van 4 Juli geeft Calvijn aan Farel een samenvattend verslag van wat er gebeurd was tot op deze dag der vertoning. Ook hier weer de voorstelling, dat weigering om vele redenen geadviseerd werd, maar dat men niet hard tegen hard kon ingaan.
   Op 12 Juli wenden de predikanten zich tot de Raad met het verzoek het spelen van zulke stukken niet meer toe te staan, maar liever het geld, daarvoor gebruikt, aan de armen te geven. De Raad besloot zulke stukken te verbieden tot een geschikter tijd zou aanbreken. Maar deze kwam nooit. Practisch gebeurde zo, wat de raad der predikanten einde Mei al had gewild : goede of kwade stukken, geen toneel.
   Slechts het schooldrama, gewoonlijk in het Latijn opgevoerd door en ter oefening van de scholieren, bleef sporadisch geoorloofd. Tussen 1550 en 1561 wordt voor vier van zulke opvoeringen toestemming verleend door de Raad na ingewonnen advies van Calvijn. In 1559 worden echter door Calvijn deze voorstellingen uit het schoolprogramma verwijderd.
   De argumenten, die in de kring van Calvijn worden aangevoerd, zijn (men bedenke, dat die tegen de beroepsspelen, de vaste schouwburgen, de lichtzinnige en heidense stukken vanzelf ontbreken) : karakterbederf door dienst van schijn, en verzuim van ware levenstaak, tijd verkwisten ; geld verkwisten, armen tekort doen, jacht naar genot, onrust onder het volk ; zinnen prikkelend, zedigheid rovend ; H. Schrift neerhalend en mishandelend, afgoderij bevorderend. Dat Calvijn op grond van Gods Woord streng de kledingverwisseling van man en vrouw veroordeelde, is bekend.
   Deze houding van Calvijn komt overeen met de uitspraak van de Synode van Nïmes in 1572, die alle toneel verbood met uitzondering van, het schooldrama, mits dit geen onderwerp uit de H. Schrift behandelde ! De Synode van Figeac in 1579 onderstreept dit nog eens door het gebruik van alle bijbelstof voor iedere toneelvertoning te verbieden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

CALVIJN EN HET TONEEL

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's