„FUNDAMENTEN EN PERSPECTIEVEN"
Artikel 7a.
JEZUS CHRISTUS, DE PRIESTER.
Alinea 2 : Zo is Hij in leven en sterven degene geworden, die God en mens weder met elkander verenigt. Zijn persoon en Zijn werk zijn onze verzoening met God. Hij, de Zoon Gods, is de broeder geworden van ons, verloren zonen, opdat wij weder tot kinderen Gods zouden worden aangenomen. In de liefde en de gehoorzaamheid jegens de Vader staande blijvende, heeft Hij zich in dit van God vervreemde bestaan prijsgegeven aan het gericht. Hij deed dit in de plaats en ten behoeve van ons, die Hem verlaten, verloochenen en kruisigen. Zo heeft Hij zich zelf tot een schuldoffer gesteld. Zo heeft God Hem voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.
,,Zo is Hij in leven en sterven geworden degene, die God en mens weder met elkander verenigt." Dat wil dus zeggen : in de weg als in alinea 1 (zie vorig nummer) omschreven, is Hij geworden etc.
Dat: ,,is geworden degene, die God en mens weder met elkander verenigt", is een wijze van uitdrukking, welke men mogelijk zoekt te verdedigen met een beroep op de Schrift : die ons is geworden wijsheid van God en rechtvaardigheid enz. (1 Cor. 1 vs. 30). En toch ligt er iets in, dat doet denken aan een bijkomstigheid, althans aan een averechtse voorstelling. Het is toch niet zó, dat Hij een Middelaar geworden is, omdat Hij zich ons aan schuld en dood vervallen bestaan heeft eigen gemaakt. Veeleer is Hij in ons leven ingegaan, omdat Hij door God tot een Middelaar was gesteld. Het Middelaarschap volgt niet uit Zijn leven en sterven, maar in Zijn lijden, sterven en opstanding heeft Hij het Middelaarswerk volbracht overeenkomstig de wil des Vaders.. (Zie vorig nummer).
„Hij de Zoon Gods is broeder geworden van ons, verloren zonen, opdat wij weder tot kinderen Gods zouden worden aangenomen".
Deze zinsnede schijnt dan ook in die zin te spreken. Men lette op het woordje opdat.
Edoch, geeft zij een voorstelling, welke door de Heilige Schrift zelf weersproken wordt. „Hij is broeder geworden van ons, verloren zonen, opdat..... " In de hier gestelde algemeenheid is het onjuist. Christus wijst de broederschap des vleeses merkwaardigerwijze af, als men Hem boodschapt, dat zijn moeder en zijn broeders, zijn verwanten naar het vlees. Hem begeren te zien. Mijn moeder en Mijn broeders zijn dezen, die Gods Woord horen en datzelve doen. (Luk. 8 vs. 19-21).
Ook de uitdrukking weder tot kinderen Gods zouden worden aangenomen, is aanvechtbaar.
De Heilige Schrift toch stelt het kindschap Gods voor als een rein geestelijke betrekking tot God in Christus, en als een nieuwe schepping. Die in Christus is, is een nieuw schepsel. (1 Cor. 5 : 17), Vgl. ook Efeze 2 VS. 10: Geschapen in Christus Jezus tot goede werken etc.
In de voorstelling, welke F. en P. hier geeft, wordt het karakter van het kindschap vervlakt.
Onder verwijzing naar Jes. 53 : 10 en 2 Cor. 5:21 wordt gewezen op het plaatsvervangend lijden des Heeren, hoewel de zinsnede : Hij heeft zich in dit van God vervreemde bestaan prijsgegeven aan 't gericht, niet zonder bedenking is. Immers de Christus heeft zich niet overgegeven aan dit van God vervreemde bestaan, maar door Zijn vleeswording, door de geboorte uit een vrouw heeft Hij zich onderworpen aan het gericht Gods over ons wederspannig geslacht.
In de volgende alinea's wordt dit nader uitgewerkt :
„In dit gebeuren openbaart God de diepte van onze val en van Zijn toorn. In de kruisiging en Godverlatenheid van de Zoon wordt onze vervreemding en onze vijandschap jegens God ten volle openbaar. De offerdood van het Lam onthult : de hoogheid van Gods gerechtigheid, en ''de diepte van onze schuld".
,,Maar ook en nog meer. Wordt hierin Gods barmhartigheid openbaar, die Zijn gerechtigheid omsluit en aldus doorzet, dat niet wij, maar Hij Zijn Zoon, die ons Hoofd wordt, de zonde draagt. Want God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat wij vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons en aldus behouden worden van de toorn". (Rom. 5 VS. 8 V.V.). Cursivering van ons).
Niemand zal weerspreken, dat in de vleeswording des Woords, in het lijden en sterven van de Christus, Gods gerechtigheid en barmhartigheid worden geopenbaard, zodat enerzijds onze zware schuld voor God, maar ook anderzijds Gods grote barmhartigheid aan het licht treden. De Heere heeft geen lust in de dood des goddelozen, maar daarin heeft Hij lust, dat hij zich bekere en leve.
Wij verheugen ons dan ook, dat beide, Gods gerechtigheid en barmhartigheid, hier worden genoemd in het getuigenis, dat van het kruis uitgaat en dat niet eenzijdig op de liefde Gods wordt gewezen.
Dat neemt echter niet weg, dat het gecursiveerde gedeelte rechtmatige bedenking opwekt. Zeker, men kan het wel zó stellen, dat God in de Zoon de zonde draagt. Dat kan althans een schijn van recht hebben, als men de woorden „de zonde draagt" niét al te zwaar belast. Beter ware in ieder geval geweest van het oordeel der zonde te spreken.
De vereniging van de goddelijke en menselijke natuur in de Persoon van de Heere Jezus Christus maakt het intussen zeer moeilijk om zulke dingen met juistheid uit te drukken. De Schrift leert, dat God de Middelaar tot zonde gemaakt heeft. Dat is nog wat anders dan de zonde dragen !
Wat zegt men nu, als men zou zeggen, dat God in de Zoon zichzelf tot zonde gemaakt heeft ?
Dan zegt men toch iets, dat, zó gesteld, niet juist is, want God heeft in de Zoon wel het Middelaarswerk ter hand genomen, en daartoe was het de wil des Vaders, dat Zijn Zoon de Zoon des mensen zou worden en alzo tot zonde gemaakt, opdat Hij het oordeel der zonde zou wegdragen.
Men kan dus wel zeggen, dat God in de Zoon het oordeel der zonde heeft gedragen, -doch de gerechtigheid Gods heeft niet toegelaten, dat dit buiten de menselijke natuur, die gezondigd had, omging.
Wij blijven, zolang wij buiten Christus' gemeenschap zijn, onder het oordeel. Die de Zoon ongehoorzaam is, de toorn Gods blijft op hem.
God heeft zich in Christus verenigd met de menselijke natuur en zo is Christus het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.
Anderzijds als men beweert, dat God in de Zoon de zonde op zich genomen heeft, dan is het God de Zoon, die dit offer heeft gebracht. Wie voor ogen houdt, dat de Drieenigheid Gods maar niet op een vorm van openbaring ziet, doch dat Gods wezen Drieenig is : Vader, Zoon en Heilige Geest, zal aan de Vader niet toeschrijven, wat des Zoon is. Zo kan men niet zeggen : de Vader heeft in de Zoon het oordeel der zonde gedragen, of is tot zonde gemaakt.
Dat doet men dan ook niet, maar als men zegt: God heeft in de Zoon de zonde gedragen, kan dat dan ook niets anders betekenen dan dat God, de Zoon, de zonde op zich genomen heeft. Men houd.e echter de gedachte alsof de Vader de zonde op zich genomen heeft, verre van zich.
Een andere opmerking treft de uitdrukking : „die ons Hoofd wordt". De Schrift zegt: „Hij is der gemeente tot een Hoofd gegeven". (Efeze 1 vs. 22). Christus wordt niet het Hoofd, maar is het Hoofd der gemeente. Zo waarlijk Christus' gemeente in deze wereld reeds geopenbaard wordt, is de gemeente en is ook Christus het Hoofd der gemeente.
De eerste en tweede alinea van het volgende artikel zijn in dit opzicht juister, doch daarover een volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's