PRESBYTERIAAL
De nieuwe kerkorde zou een presbyteriale zijn. Zo luidde de opdracht. Maar zo is het niet geworden.
Het fundamentele kenmerk ener presbyteriale kerkorde is de erkenning van de plaatselijke kerk als zelfstandige openbaring van het Lichaam van Christus.
Alles is in de plaatselijke kerk, die de waardigheid en het aanzien der kerk bewaart, aanwezig. De gemeente, de ambten, de prediking des Woords en de bediening der sacramenten, de Christelijke tucht en —de Christus, die gezegd heeft : waa^: twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in het midden.
Presbyteriaal kerkrecht gaat van die erkenning uit.
Dat heeft ten gevolge, dat de kerkeraad derhalve het enige regerende lichaam in een presbyteriale kerkorde is.
De reformatie hier te lande sprak dan ook van gereformeerde kerken (meervoud). Later (in de achttiende eeuw) begon men te spreken van de gereformeerde of Hervormde Kerk. (b.v. bij de invoering van de nieuwe psalmberijming in 1773). Van een eenheidsinstituut was echter geen sprake in de „Zeven Provinciën".
Het verband der plaatselijke kerken was geestelijk van karakter, zijnde de gemeenschappelijke belijdenis des geloofs naar de Drie Formulieren van Enigheid.
In deze eenheid van belijden hetzelfde geloof deelachtig zijnde, rustte de eenheid en gemeenschap der kerken. In de orde der saamleving beantwoordde daaraan een federatieve saamwerking en behartiging van gemeenschappelijke belangen.
Dit federatief verband kwam tot uiting in de vergaderingen der plaatselijke kerken, in classes en synoden. (Provinciaal, nationaal en zo nodig internationaal).
't Waren volgens presbyteriaal stelsel alzo de kerken, die door haar afgevaardigden, vergaderden. In die vergaderingen waren de kerken aan het woord. Het ging over haar roeping, haar arbeid, haar belijdenis, haar belangen, haar zaak.
Als regel gold, dat geen meerdere vergadering zaken afhandelde, die door de mindere Vergadering kon geschieden. Dit was in overeenstemming met de presbyteriale canon, dat geen kerk over de andere zal heersen.
Naar deze grondregels beoordeeld, kan het duidelijk zijn, dat het gezag der meerdere vergaderingen de facto berust op het gezag der plaatselijke kerken, d.w.z. der kerkeraden.
Het zijn immers de kerken, die in haar kerkeraden, in de meerdere vergaderingen bijeenkomen.
Dat komt dus neer op het gezag van het ambt, maar dat ambt in zijn actuele betekenis, het ambt in de plaatselijke kerk, waaraan het verbonden is.
Daarom kan men eigenlijk alleen spreken van een geestelijk gezag der meerdere vergadering. Vandaar dan ook, dat de uitspraken der meerdere vergaderingen slechts bindend zijn, als en in zover zij overeenkomen met het Woord Gods.
De meerdere vergaderingen hebben geen regerend of besturend gezag. Er is ook geen behoefte aan zulk een kerkelijke overheid, omdat de plaatselijke kerken haar eigen regering hebben.
De synode is er, omdat de kerken er zijn, en deze komen tezamen op haar eigen gezag. Dientengevolge kan het gezag der meerdere vergadering geen ander zijn dan het gemeenschappelijke. Het gezag der gedelegeerden kan niet meerder zijn dan dat van degenen, die afvaardigen, n.l. de kerken.
Ofschoon Voetius het met deze dingen eens is, zoekt hij naar argumenten om het gezag van classes en synoden te vindiceren.
Niettemin is hij van oordeel, dat classes en synoden geen definitieve kerkelijke macht hebben, waardoor zij haar besluiten in dogmatische kwestiën, handelingen en zaken, aan de kerken kunnen opleggen.
Hij stelt de vraag, of en op welke wijze de vergadering van classes en synode, kerk is en genoemd kan worden. Het antwoord luidt : In eigenlijke zin, op zichzelf genomen, kan zulk een vergadering niet een kerk of de kerk genoemd worden, maar, omdat zij de kerken vertegenwoordigen, zijn zij in figuurlijke zin als een kerk.
Voetius ziet daarbij dus.alleen op het feit der correspondentie. Men vergadert met elkander als gedelegerden der kerken, handelt over de zaken der kerken en is daardoor in overdrachtelijke zin als een kerk.
Wij zouden er nog bij kunnen voegen, dat zulk een vergadering er niet zou zijn, indien de kerken niet door éénzelfde geloof waren verbonden, zodat het gezag der meerdere vergadering — voor zover en in de zin als daarvan sprake mag zijn — eigenlijk in de gtemeenschap des geloofs zijn grond en norm vindt.
Vergelijken wij de nieuwe kerkorde met de gegevens van een presbyteriale kerkorde, dan is het wel duidelijk, dat van het presbyteriale weinig of niets is terecht gekomen. De synode heeft trouwens welbewust en tegen een voorstel dezerzijds in het woord „verband" in artikel I van de kerkorde vermeden. Van een verband van kerken wil zij blijkbaar niet weten.
Gezwegen dan nog van een bewering, zoals van synodale zijde vernomen kan worden, welke de synode met de kerk vereenzelvigt. Dergelijke verschijnselen kunnen aantonen, hoever men van de presbyteriale beginselen verwijderd is.
En wat nog erger is, hoe weinig men zich bewust is van waarlijk kerkelijk gezag en van het feit, dat zulk een kerkelijk gezag aan de huidige synode ontbreekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's