FUNDAMENTEN EN PERSPECTIEVEN
JEZUS CHRISTUS, DE KONING.
(Vervolg artikel 8).
„Het Koningschap van Christus is nog verborgen Koningschap. Het is de heerschappij van de Gekruisigde, welke zich openbaart in Woord en Geest, waardoor Hij zich een gemeente vergadert, beschermt en onderhoudt. Deze gemeente roept Zijn heerschappij in de wereld uit, opdat een ieder in deze tussentijd de schoonheid van dit Rijksbewind moge ontwaren, met zijn hart voor de Koning moge kiezen en met zijn leven Hem moge dienstbaar zijn."
Het Koningschap van Christus is nochtans een alomvattend Koningschap. AI wat bestaat en al wat geschiedt staat in dienst van het Rijk der genade, dat in Christus' verschijning eens voor al is opgericht. Geen macht of mens kan zich aan zijn bestemming tot deze dienst onttrekken, zonder de vloek der zinloosheid op zich te laden Door deze dienst moet al wat bestaat en al wat geschiedt tevens de weg iereiden tot het Rijk der heerlijkheid, dat komt, wanneer Christus als Koning openbaar wordt, wanneer in Zijn Naam alle knie zich zal buigen en alle tong zal belijden, dat Jezus Christus de Heer is, tot heerlijkheid Gods des Vaders."
Deze alinea's willen een nadere verklaring zijn van de Godsregering „in de geest van Christus."
In zoverre dit bedoelt, dat de geschiedenis door God wordt geleid tot de openbaring van Zijn heerlijkheid en het Koninkrijk Gods, kunnen wij daarmede instemmen.
Welbewust wil men dit echter breder uitmeten dan „dit in de belijdenis der kerk meestal geschiedt" (blz. 47) en het wordt daarbij ook wel een beetje anders. De hele wereld, zo luidt het, is bij Christus' Koningschap betrokken. De Schrift is daarin trouwens niet onduidelijk : vgl. Ps. 110 vers 1. De Heere heeft tot mijn Heere gesproken : Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
De laatste alinea wil vooral de gedachte aan „het Rijk" onderstrepen. Wij zijn echter van mening, dat men onderscheid dient te maken tussen het Koninkrijk der hemelen, het Koninkrijk Gods als een geestelijk Koninkrijk, en de alles omvattende heerschappij Gods, is waarop de Schrift ziet, als zij zegt, dat alle knie zich voor Hem zal buigen en dat alle oog Hem zal zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben. Hij komt om te oordelen de levenden en de doden
In de tekst van artikel 8, zie boven, komen telkens gedachten te voorschijn, die naar ons gevoelen niet Bijbels zijn, b.v. „Het rijk der genade, dat door Christus' verschijning eens voor al is opgericht". In ieder geval is dit zeier onduidelijk. Immers, als de discipelen vragen : „Zult Gij in deze tijd Uw Koninkrijk oprichten ? ", dan is het antwoord : „Het komt u niet toe te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigene macht gesteld heeft". (Hand. 1 : 6 en 7).
Vergelijk daarbij Matth. 25 : 34 : „Alsdan zal dei Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn : „Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld". (Vgl. ook Matth. 20 vs. 23).
Uit deze Schriftuurplaatsen blijkt vooreerst, dat het Koninkrijk is weggelegd voor degenen, die tot Zijn rechterhand zijn, m.a.w. de uitverkorenen, die in Christus zijn.
Verder is het duidelijk, dat het Koninkrijk voor de gezegenden des Vaders door God bereid is van voor de grondlegging der wereld.
En ten derde leert Hand. 1 vs. 6, dat de oprichting van het Koninkrijk op Gods tijd zal plaats vinden.
Het werk van de Middelaar heeft de toegang geopend voor de gezegenden des Vaders. Zij zijn de medeërfgenamen van het Koninkrijk, dat bereid is.
Zo mogen wij onder de „oprichting" van het Koninkrijk verstaan de vervulling van het Koninkrijk, het ontvangen van de erfenis in heerlijkheid, het zitten met Christus in Zijn troon.
Het rijk der genade, indien dat althans wil betekenen het Koninkrijk Gods, is dus niet eens voor al met de verschijning van Christus opgericht, maar, zoals wij hebben aangetoond, ziet het Middelaarswerk op de ontsluiting van de toegang tot het Koninkrijk, dat van voor de grondlegging der wereld bereid is voor de gezegenden des Vaders.
Het Koninkrijk Gods is derhalve verborgen, maar dat betekent geenszins, dat het niet geopenbaard wordt. Vgl. Markus 9 vs. 1, Matth. 16 VS. 28 en Lukas 9 vs. 27.
Sommigen zullen het Koninkrijk Gods gezien hebben. Zij zullen zien, dat het met kracht gekomen is. Mattheüs zegt, dat zij de Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk. Een en ander heeft betrekking op de hemelvaart van Christus, en het bovenaangehaalde woord van Hand. 1 vs. 6 ! v.v. legt verband tussen de uitstorting van de Heilige Geest en de oprichting van het Koninkrijk, dat bereid is.
Zo is het de Heilige Geest, die in de verborgenheid van het Koninkrijk inleidt, gelijk ook wordt bevestigd door Christus, als Hij spreekt met Nicodemus over de wedergeboorte als een werk des Heiligen Geestes, zonder hetwelk het Koninkrijk Gods niet wordt gezien en men het Koninkrijk Gods ook niet kan ingaan.
Zo wordt het Evangelie de blijde boodschap van het Koninkrijk Gods en de verborgenheid van het Koninkrijk object van de prediking. (Markus 1 vs. 14).
En wat nu aangaat het allesomvattende Koningschap van de Christus, in het licht van het Koninkrijk Gods en van het woord van den Christus over de tijd en de gelegenheid van zijn oprichting, die de Vader in eigen hand heeft gehouden, valt het niet te ontkennen, dat de komst van het Koninkrijk Gods en zijn oprichting van centrale betekenis is in het welbehagen Gods. En wel zozeer, dat de Vader het Koninkrijk in eigen hand houdt. (Vgl. ook Markus 10 vs. 40).
Vreest niet, gij klein kuddeken, want het'is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven. (Lukas 12 vs. 32). Vergelijk ook Lukas 22 vs. 29 : En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs de Vader dat Mij verordineerd heeft.
De oprichting van het Koninkrijk Gods is een voorwerp van de bijzondere zorg Gods en een openbaring van Zijn heilige Liefde, welke Hij daarin zo onweersprekelijk betuigt, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. (Joh. 3 VS. 16).
De verrezene Christus is tot Koning van het Koninkrijk Gods verordineerd en gesteld, zodat Hij kan spreken van Mijn Koninkrijk. (Col. 1 VS. 13). De apostel Paulus geeft op een bijzondere wijze uitdrukking aan deze verhouding : het Koninkrijk van Christus en van God. (Efeze 5 vs. 5). En nochtans zijn er beschikkingen betreffende dat Koninkrijk en zijn oprichting, welke de Vader in eigen hand heeft gehouden.
Het Koninkrijk van den Christus blijft het Koninkrijk Gods en in het einde zal Christus het Koninkrijk aan God en de Vader overgeven. (1 Cor. 15 VS. 24).
Zo is de Christus de Weg van de vervulling en oprichting van het Koninkrijk Gods. In die weg is Hij tot Middelaar en Koning gesteld, zijnde de Gezalfde des Heeren, de Christus, in Wien en door Wien de gezegenden des Vaders alleen erfenis en deelgenootschap in het Koninkrijk Gods verkrijgen zullen.
Het Koninkrijk Gods kan derhalve niet vereenzelvigd worden met het allesomvattende Koningschap Gods. God regeert. Hij regeert als Schepper. Hij alleen is Souverein. Dat is Zijn Koningschap, maar het Koninkrijk Gods is een schepping Gods van bijzondere orde, een voorwerp van Zijn goddelijk
Welbehagen in de Christus.
Het behoeft dan ook geen betoog, dat alle dingen onderworpen zijn aan de vervulling van het Koninkrijk Gods, waartoe ook aan de Christus alle macht is gegeven in de hemel en op de aarde.
Als men van zin wil spreken. Daarin is de zin der geschiedenis, omdat Gods welbehagen de zin der geschiedenis is.
Niemand kan zich onttrekken aan Gods koninklijke macht. Ook niet het rijk der duisternis. Daarom kan men van zinloosheid eigenlijk niet spreken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's