VERBIEDT DE BIJBEL DE CREMATIE?
Uit polemiek in de pers is gebleken, dat er in Prot. Christelijke kring wel eens aan getwijfeld wordt, of deze vraag wel bevestigend mag beantwoord worden. Ik vond juist dezer dagen een beschouwing van deskundige zijde over deze vraag, waarmede ik hartelijk instem en welke mij zeer verhelderend voorkwam. Ik geloof, dat ik menig lezer een genoegen zal doen, deze beschouwing hier weer te geven.
Ieder is het er over eens, dat historisch vaststaat : de lijkverbranding is niet van christelijke oorsprong, stamt ook niet uit Israël. Meer dan duizend jaren vóór Christus, de gegevens wijzen het uit, in de palseolitische tijd, werd de lijkverbranding bij allerlei volken toegepast. Over de motieven, die daartoe geleid hebben, kan ik hier zwijgen, al ligt het voor de hand, dat de lijkverbranding met de levens- en wereldbeschouwing dezer oude volken nauw samenhing. En dat geldt ook van het begraven. De voorstellingen over het leven na de dood zijn daarvoor beslissend. Men kan dus dit vraagstuk niet beschouwen los van het culturele kader, waarin de mensen historisch verschijnen. En dit culturele kader hangt ten nauwste samen met het religieuze leven der volken. Daarom heerst er onder de volken een grote verscheidenheid, doch deze hangt samen met het godsdienstige leven.
Dat geldt van alle volken en ook van Israël. Het was in Israël iets, dat vanzelf sprak, dat de mens na de voleinding zijns levens tot het stof der aarde, waaruit zijn lichaam genomen was, wederkeerde en dat zijn ziel tot God wederkeerde. Met zijn dood staat de mens in Israël in het licht van Gods recht. In de Heilige Schrift van het Oude Verbond is het dan ook van zelf gegeven uitgangspunt van alle beschouwing des doods, dat de mens tot stof, tot de aarde, waaruit hij genomen is, wederkeert. Het natuurlijk levenseinde is : hij stierf. En daarbij sluit dan ook vanzelf aan : hij werd begraven, want de wet, waaronder hij krachtens Gods rechtsbestel natuurlijk verkeert, is deze, dat hij tot stof wederkeert. „Mijn vlees" — zegt Job — „is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed". En zo volgt er dan ook : „Maar een man sterft, als hij verzwakt is en de mens geeft de geest, waar is hij dan? " En om ons dan het natuurproces, dat zich in de dood voltrekt, te tekenen, luidt Job's woord aldus: „De wateren verlopen uit een meer en een rivier droogt uit en verdort ; alzo ligt de mens neder en staat niet op ; totdat de hemelen niet meer zijn zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden".
Het behoeft dus geen nader betoog, dat in het leven der Hebreen de begrafenis vanzelfsprekend was. En van deze Oud-Testamentische beschouwing is de Nieuw-Testamentische voorstelling de rijpe en volkomen consequente ontwikkeling. Ook in het Nieuwe Testament is begraven het van zelf sprekende. De Heere Jezus Christus zelve is gestorven, begraven en opgestaan. En dit begraven was zo inherent aan het christelijk bewustzijn, dat de apostel Paulus in 1 Cor. 15, als hij over de opstanding spreekt, het begraven als vanzelf sprekend vooronderstelt : „Gij dwaas!" — zo zegt hij - — „hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is. En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe of van enig ander graan".
En dan gaat hij voort met over de onderscheidenheid van lichamen te spreken, om tenslotte bij de opstanding der doden ons voor te houden, dat het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, terwijl het wordt opgewekt in heerlijkheid. Welnu, heel deze voorstellingswijze is alleen verstaanbaar in een wereld- en levensbeschouwing, waarin als enig mogelijk en natuurlijk einde de begrafenis volgen moet. En zo is dan ook in de Kerk van Christus van meet af de christelijke begrafenis het enig mogelijke van zelf sprekende. De Kerk heeft dan ook bij de kerstening der heidense volken, die hun lijken gewoon waren te verbranden, de begrafenis ingevoerd.
Wanneer men er zich op beroept, dat in de Bijbel de begrafenis slechts als het gebruikelijke voorgesteld wordt en dat men daarom niet kan zeggen, dat crematie in strijd zou zijn met de eis van Gods Woord, dan blijkt daaruit, dat men geen juist begrip heeft van hetgeen Gods Woord wezenlijk is in zijn functie voor het leven der wereld. Men ziet voorbij, dat Gods geopenbaarde waarheid komt tot ons mensen, zoals wij zijn naar ons natuurlijk leven. Het veronderstelt al wat ons als mensen van nature eigen is en wat uit ons natuurlijk wezen als levensfunctie met noodwendigheid voortvloeit. Het zegt dus niet, dat wij moeten eten en drinken en alle natuurlijke organische levensdaden moeten doen. Voor de Heere Jezus spreekt dit alles vanzelf, Matth. 15 VS. 17. Daarom is het dan ook geheel verkeerd, te menen, dat wij voor hetgeen vanzelf spreekt, een gebod of verbod moeten zoeken in de Schrift. Zij laat Gods licht opgaan over het natuurlijke en dus treedt zij met Gods gebod en Gods verklaring en eis op, zodra de zedelijke persoonlijkheid in het geding komt, dus zodra de mens der zonde in contact komt met Gods recht en ordinantie.
Daarom is er dus geen gebod om te begraven, want dit is in het schriftuurlijk licht vanzelf sprekend en de wereld-omzettende kracht van de verrezen Heiland blijkt juist daaruit, dat Hij het geweest is, die aan de verbranding der lijken een eind heeft gemaakt. Het geloof, dat de gemeenschap met de Heere Jezus Christus over dood en graf heenreikt, heeft dan ook de Kerk des Heeren er toe geleid met de onder de heidenen voorkomende crematie principieel te breken. Zelfs werd de Saksen door Karel de Grote de lijkenverbranding op straffe des doods verboden.
Het geloof in Christus en in de kracht Zijner opstanding is dus het dominerende beginsel, dat de Kerk, ook de Reformatorische Kerk, geleid heeft tot een afwijzing van elke andere lijkbezorging, dan door begrafenis. Art. 37 onzer Confessie drukt het zo uit :
„Want al degenen, die gestorven zijn, zullen uit de aarde verrijzen, de zielen tezamen gevoegd en verenigd zijnde met haar eigen lichaam, in hetwelk zij zullen geleefd hebben". Natuurlijk heeft de opsteller, evenals alle Reformatoren, zeer wel geweten, dat er ook mensen verbrand, in de zee verdronken en op allerlei wijzen omgekomen zijn, die een begrafenis buitensloten. Doch desondanks heeft de Confessie deze omschrijving gebezigd, die het schriftuurlijk beginsel in de ruimste zin weergaf.
Wij hebben dus in de begrafenis van doen met een cultureel resultaat van de Christelijke religie in de algemene zin des woords. Christus, de verrezen Heiland, heeft op de ruïnen van het ondergaande heidendom een nieuwe cultuur gewekt, waarin het sociale bewustzijn crematie, als daarmede onverenigbaar, heeft buitengesloten.
Het behoeft geen betoog, dat de herleving van de lijkenverbranding het noodzakelijk begeleidend verschijnsel is van het ontkersteningsproces, dat de volken van het Westen doorleven. De diepe achtergrond daarvan is ongetwijfeld de materialistische levensbeschouwing, die de moderne mensheid van alle eeuwigheidslicht emancipeert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's