DE LEER DER UITVERKIEZING
INLEIDING.
In de inleiding laat dr. W. enkele critische noten horen. „Tot een nieuwe wederopbouw van uit de Schrift is het niet gekomen". Hierin ligt z.i. de grote betekenis van Barth. De mensen moeten afgebracht worden van de vraag, of zij uitverkoren zijn in het eeuwig besluit en behoren te vragen naar de zekerheid van Gods liefde, die in Christus geopenbaard is en die, als zij door het geloof het hart vervult, zichzelf als opzoekende, verkiezende liefde doet feêrinen, zo luidt het op blz. 13.
In Hfdst. II handelt dr W. over de art. 14, 15 en 16 der Ned. Geloofsbelijdenis, welke hij verklaard wil hebben in tegenstelling met de Roomse leer.
Als grondregel van interpretatie der belijdenis verdient dit in het algemeeri ook naar ons gevoelen aanbeveling.
Volgens dr W. spreekt de Ned. Geloofsbelijdenis niet van een dubbele praedestinatie : d.w.z. een besluit van verkiezing en verwerping. „De Ned. Geloofsbelijdenis spreekt slechts terloops over de verkiezing in verband met de reddende liefde Gods, die na de val haar werk begint. Calvijn behandelt het stuk der verkiezing zo uitvoerig van uit Gods eeuwige raad, dat ook de verwerping der goddelozen in die raad Gods haar beslag krijgt." (blz. 16).
In Hfdst. Ill wordt gehandeld over de remonstrantse twisten.
Volkomen juist achten wij de opmerking op blz. 17, dat het verschil in geloofsopvatting tussen remonstranten en contra-remonstranten te herleiden is tot een verschil in opvatting aangaande het Woord Gods.
Het is jammer, dat dr W. op dit punt niet verder ingaat.
Dit vindt wellicht zijn verklaring in het feit, waarop hij wijst, dat beide partijen haar geschilpunt terug brachten tot de leer der verkiezing van eeuwigheid. Daarbij komt dan een van de moeilijkste kwesties voor de dag: Is God auteur der zonde ? een verwijt aan het adres der contra-remonstranten door de tegenstanders uitgebracht.
Het volgende Hoofdstuk (IV) gaat over de Dordtse Leerregels. De eerste 4 artikelen komen overeen met de Ned. Geloofsbelijdenis en de H. Catechismus, doch in de volgende artikelen bewandelen de D(ordtse) L( eerregels) een andere weg, zo merkt dr W. op (blz. 19) „Het wordt niet voldoende geacht het geloof aan de genade Gods toe te schrijven en het ongeloof aan het zondige hart van de mens ; ook God heeft in dat ongeloof Zijn deel, in zoverre als Hij besloten heeft een groot deel niet met het geloof te begiftigen. (Cursivering van ons, S.). De schrijver heeft het oog op art. VI. Hij vindt, dat het evangelie geen aandeel heeft in de formulering van artikel VI (blz. 20).
Het gaat hier n.l. over het besluit van verkiezing en verwerping !
Hier zet de critiek van dr. W. in. Hij vindt artikel VI een product van de school, een stuk logica instede van een stuk des geloofs, een tussenvorm tussen belijdenis en dogmatiek, dat aanleiding is geworden tot „afdwalingen, waarin ganse scharen verstrikt zijn geworden". (Blz. 20).
Wij willen niet ontkennen en hebben daarop reeds meerdere malen gewezen, dat wijsgerige beschouwingen de theologie op een zeer schadelijke wijze voor het kerkelijk leven hébben beïnvloed. Het is trouwens niet moeilijk dit uit de geschiedenis aan te tonen en het ontbreekt op dit punt niet aan litteratuur. Het rationalisme heeft inderdaad het pad der theologie van haar eigen weg afgevoerd.
Wij zouden ook niet gaarne beweren, dat de vaderen in hun belijdenis onfeilbaar zijn geweest en formuleringen hebben gevonden, waarop geen aanmerking zou kunnen worden gemaakt. Zij hebben zelf toch ondersteld, dat zij mogelijk konden dwalen, terwijl zij geen ander gezag in de geestelijke dingen begeerden te kennen dan dat van de Heilige Schrift, zijnde Gods Woord.
Daarom zullen wij niet mogen nalaten aandacht te schenken aan hem, die meent, dat hij op grond van het getuigenis der Heilige Schrift bezwaar moet hebben tegen enig artikel of enige formulering. En inderdaad ontzegt dr W. de Schriftuurlijke grond aan art. VI van de Dordtse Leerregels. Wij hebben hier alzo met een gravamen van doen.
Het voornaamste bezwaar gaat tegen de leer van een eeuwig besluit, en dan in het bijzonder tegen een eeuwig besluit der verwerping, het decretium horribile (letterlijk het afgrijselijk besluit), zoals Calvijn het heeft genoemd.
Deze leer is trouwens door de eeuwen heen een steen des aanstoots geweest. Het onderscheid tussen mensen en mensen wier geloof of ongeloof, wier behoud en verderf, door een eeuwig besluit Gods zou worden bepaald, wat is het anders dan determinisme ? „Is het wonder", zo vraagt dr W., „dat velen dan maar afwachten, wat dit besluit over hen besloten heeft? " (blz. 21).
Alvorens wij deze dingen nader onderzoeken, de argumenten horen en wegen, of enige conclusie vóór of tegen dit gravamen trekken, mogen wij thans reeds opmerken, dat wij ten aanzien van dat „afwachten" toch een andere mening toegedaan zijn.
Wij geven toe, dat de leer der verkiezing — zelfs zonder nog van verwerping te spreken — een steen des aanstoots is voor velen. Wij zijn er ook zeker van, dat velen, die tot een waarachtig geloof in de Christus der Schriften zijn gekomen, in hun leven de worsteling over deze leer kennen en haar toch van harte belijden. Deze worden niet gevonden onder de deterministen of onder degenen, die maar afwachten.
Hoe zou dat ook kunnen, als het geloof een gave Gods is en een kracht Gods tot zaligheid ? In de mens, in wie die gave en die kracht werkt, overwint de Heilige Geest, die Gods kinderen in de waarheid leidt, de weerstand van het zondige hart tegen alles, wat voor dien ergernis en dwaasheid werd geacht.
De leer der praedestinatie is bovendien niet de enigei steen des aanstoots. Immers het Kruis is; als zodanig de Grieken een 'dwaaS| heid en de Joden een ergernis. En wat nog meer zegt : De Heere Jezus Christus is gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden, (Lukas2:34).
Nóg eens, indien iemand van mening is, dat de leer der praedestinatie als in art. VI van de D(ordtse) L(eerregels) de mensen in een soort doffe afwachtende berusting drijft, zoeken wij de oorzaak van zulk een houding veeleer in de traagheid van hun onverstandig hart.
Men zou trouwens een reeks van zeer duidelijk sprekende Schriftwoorden kunnen aanhalen, welke niet minder dan art. VI D. L. aanleiding tot zulk een dodelijk afwachten zouden kunnen zijn. „Niemand komt tot Mij, tenzij de Vader hem trekke". „Tenzij een mens wederom geboren wordt, hij zal het Koninkrijk Gods niet zien". „Het is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden. Gods" e.d.g.
Zulke woorden zullen, evenals de leer der verkiezing wel weerstanden wekken, maar dan wordt daarin de profetie van Simeon : „Deze wordt gezet tot een val en opstanding" bevestigd.
Wij bedoelen slechts op te merken, dat men de door dr W. bestreden leer van art. VI daarom niet behoeft te verwerpen, of achterwege te houden, als zij althans Schriftuurlijk mag heten.
Maar dat is het nu juist, wat dr. W. bestrijdt en dat is van genoegzaam belang om de aandacht te vragen.
Zoals reeds werd opgemerkt, gaat het gravamen van dr W. tegen de leer van een besluit, van verkiezing en verwerping, met name tegen een eeuwig besluit. Hij ontkent noch verkiezing, noch verwerping, maar keert zich tegen, wat wij zouden kunnen noemen : de „verzelfstandiging" van de verkiezing. Zo wil hij liever gesproken hebben van verkiezende Liefde Gods. Hij wijst er op, dat in art. 12 D. L. wordt gesproken van vruchten der verkiezing, terwijl de apostel spreekt van vruchten des Geestes (blz. 21).
,,Ik meen", zo merkt hij op, „dat het kerkvolk dit onderscheid in spreekwijze zo goed heeft aangevoeld, dat door de spreekwijs van de D. L. ganse menigten in de verkiezing niet anders kunnen zien dan het meest vrijmachtige besluit, dat men zich kan denken, waaraan niets te verwikken en te verwegen valt, maar dat de Liefde Gods achter de verkiezing staat en in die verkiezing zich baan breekt en zich openbaart, is hun verborgen gebleven. De samenkoppeling van het besluit der verkiezing en der verwerping is daar mede schuld aan" (blz. 21).
De vraag kan in het midden gelaten, of de spreekwijs van de D. L. aan dergelijke reacties schuldig is, doch het schijnt meer ter zake, als dr W. als zijn oordeel te kennen geeft, dat de verhouding van het besluit der verkiezing tot Christus in de D. L. niet duidelijk is. „Moet het besluit der verkiezing eerst gedacht worden en krijgt de Christus enkel een plaats hierin, opdat dit besluit uitgevoerd kan worden ? Of moet de liefde Gods, die Hem drijft tot Zijn verkiezende en behoudende werkzaamheid, gedacht worden als de liefde Gods in Christus Jezus, zodat Christus niet enkel een plaats krijgt in het besluit der verkiezing, maar dit besluit mede draagt en vervult ? (blz. 21/22).
Wie een weinig op de hoogte is, gevoelt, dat dr W. hier raakt aan de vragen van het supra- en infra lapsarisme, waaraan het volgende hoofdstuk wordt gewijd.
De fout ligt z.i. daarin, dat men ging vragen naar de laatste oorzaak van geloof en ongeloof (zie art. VI D. L.). Dit nu acht hij een ongeoorloofde vraag. Hij bedoelt echter niet zozeer de vragen als wel het zoeken daarop een antwoord te vinden van uit de Raad Gods.
In de redenering van het supra- en infralapsarisme houdt men zich zelfs bezig met de opvolging der besluiten Gods.
Wij gaan daarop echter niet in, omdat dit geen zin zou hebben. De strijd tussen supra-en infralapsaristen kan op zich zelf reeds aantonen, dat men spreekt over dingen, die men niet weet. De nederigheid, welke ons past, laat niet toe, dat wij onze menselijke gedachten vrij spel geven omtrent de dingen, die in de Raad Gods verborgen zijn.
Dat neemt echter niet weg, dat de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen. En wijl het gaat over de verkiezing, door Calvijn zelfs het hart der kerk genoemd — en o.i. terecht —, willen wij gaarne van een en ander kennis nemen.
Of en in hoeverre art. VI vaiï de Dordtse Leerregels rnet de Heilige Schrift in strijd is, en een gravamen gerechtvaardigd is, willen wij daarbij mede in het oog houden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's