LEVEN ONDER EN UIT DE BELOFTEN (II)
(Hebr. 4, 2e gedeelte)Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaanWaaraan ontleent Paulus die vrijmoedigheid?
Aan datzelfde Woord Gods, dat eerst als een tweesnijdend zwaard de zonde ontdekt, maar dat daarna ook de schuldverslagene harten het oog des geloofs door de kracht des Geestes komt te openen voor de enige Weg ter zaligheid, de weg tot de troon der genade.
Waaraan ontleent Paulus en allen, die zijn voetstappen drukken, deze vrijmoedigheid? Aan het Woord Gods, dat zo vol met beloften staat.
Calvijn zegt hiervan in zijn Institutie : „Onze gebeden steunen op geen enkele verdienste, maar hun gehele waardigheid en hoop om te verkrijgen is gegrond op Gods beloften en hangt daaraan, zodat ze geen ander steunsel nodig hebben en niet omhoog hierheen en gindsheen behoeven rond te zien. Dus moeten wij in onze harten vaststellen, dat, ofschoon wij niet uitblinken door een even grote heiligheid als die, welke geprezen wordt in de heilige vaderen, profeten en apostelen, wij toch in dit recht hun rnetgezellen zijn, omdat wij, wanneer we op Gods Woord steunen, het gebod om te bidden en het geloof met hen gemeen hebben. Want wanneer God, zoals we tevoren zagen, verkondigt, dat Hij aan allen goedgunstig en genadig zal zijn, schenkt Hij ook aan de allerellendigsten de hoop, dat ze zullen verkrijgen, wat ze bidden. En daarom moet men letten op de algemene uitspraken, door welke niemand, van de eerste tot de laatste, wordt uitgesloten : alleen er moet aanwezig zijn oprechtheid des harten, mishagen aan onszelf, nederigheid en geloof, opdat onze huichelarij Gods naam niet door een bedriegelijke aanroeping ontheilige : dan zal de algoede Vader hem niet van Zich wijzen, die Hij niet slechts aanspoort tot Hem te komen, maar ook daartoe opwekt op alle mogelijke wijzen. Vandaar die wijze van bidden van David : „Zie, Heere, Gij hebt Uw dienstknecht beloofd ; daarom vat Uw dienstknecht heden moed, en heeft gevonden, wat hij voor Uw aanschijn kan bidden ; nu dan, Heere God; Gij zijt God en Uw woorden zullen waarheid zijn ; Gij hebt tot Uw knecht over deze weldaden gesproken ; begin dus en doe het. Gelijk Hij ook elders zegt : „Doe Uw knecht naar Uw woord".
Calvijn wijst dus hier, zoals overal in zijn werken, op de algemene uitspraken Gods, door welke niemand, van de eerste tot de laatste, wordt uitgesloten en hoe God op alle mogelijke wijzen opwekt tot Hem te komen.
De reformator zegt het zo mooi, wanneer hij het bidden noemt een opwaarts klimmen langs de trappen der beloften. En tevens geeft hij daarbij de gesteldheid des harten weer. Want, zo schrijft hij : „maar ze klimmen zo langs de trappen der beloften opwaarts, dat ze toch smekelingen blijven in de vernedering van zichzelf".
Het toegaan tot de troon der genade is een ootmoedig pleiten op Gods beloften.
Het „laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan" komt Calvijn telkens zo met nadruk voor te houden. En het is ook in dezelfde lijn, dat ds. Van Sliedregt in diens mooie werkje „Licht over uw pad" 't volgende neerschreef: „Er blijft een pleitgrond voor elk verbondskind. Hoe ook het verbond verlaten mag zijn, uit- of inwendig, zodat ge misschien denkt ook verzondigd te hebben met uw Doop als pleitgrond voor de Heere te verschijnen, nochtans blijft het getuigenis van Gods barmhartigheid onveranderd en daarom blijft Zijn nodiging klinken : „Keert weder, gij afkerige kinderen".
Paulus heeft in Hebreen 4 een tweeledig doel voor ogen. Enerzijds te waarschuwen tegen een christendom, dat de kracht der godzaligheid mist en daardoor, hoewel levend onder de belofte, evenals die Israëlieten, het beloofde land niet zal bereiken, tenzij het zich bekeert.
Anderzijds wil Paulus in dit hoofdstuk Christus voor ogen schilderen als de hemelse Hogepriester, in Wien alle beloften Gods ja en amen zijn.
Wanneer hij in het begin opwekt tot zelfbeproeving met de woorden : „laat ons dan vrezen", dan is het niet zijn bedoeling om naar narigheden te staan. Integendeel. Even verder lezen we immers de klare taal des geloofs : „Want wij die geloofd hebben, gaan in de rust". Waarachtig zaligmakend geloof brengt zijn zekerheid mede, evenals de blijdschap des geloofs. Maar die zekerheid en blijdschap worden verkregen in een weg van zelfbeproeving en van een zich benaarstigen.
Indien het wèl is, worden degenen die de Heere vrezen juist door middel van de zelfbeproeving uit de vruchten des geloofs verzekerd van het kindschap Gods. En in de weg van een zich benaarstigen om in die rust in te gaan, wordt de roeping en verkiezing vastgemaakt. Bij dit alles is Gods Woord het licht op het pad en de lamp voor de voet. Dan wordt er geleefd niet alleen onder de beloften, maar ook uit de beloften. Zoals het was bij de dichter, die zong :
Gedenk aan 't woord gesproken tot Uw knecht
Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven.
Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd.
Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven.
Al 't geen Uw mond aan mij had toegezegd.
Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven
Uit Gods toezeggingen ontving hij vertroosting, geest en leven. Dat was het leven uit de beloften.
De beloften Gods — in het begin merkten we het reeds op — nemen zulk een grote plaats in in het leven van Gods gemeente.
Het eerste woord van genade dat God na de val sprak, was een belofte. De moederbelofte. Sindsdien zijn de beloften de medgezellinnen geweest van allen, die de pelgrimsstaf hebben opgenomen.
Gods beloften : de kinderen in de genade kunnen er niet buiten, maar óok niet de vaders en moeders in Israël. En het is onder de leiding van Gods Geest, dat de rijkdom der beloften steeds meer ontsloten wordt. Gods Geest maakt er ook plaats voor. Wij ontdekken de inhoud en de rijkdom der beloften niet, maar de Geest des Heeren ontsluit het oog daarvoor.
Als we ongebroken en in eigen kracht tot de beloften Gods de toevlucht nemen, dan hebben we God niet nodig, doch willen onszelf uilredden. Diepe teleurstelling kan daarvan alleen het gevolg zijn. Leven uit Gods beloften betekent sterven aan alle eigen wijsheid, eigen kracht en eigengerechtigheid. Het is een leven uit de genadevolle hand van een belovend God.
Waar het leven uit de beloften gekend wordt, daar wordt verstaan de taal van Gods kerk, zoals die inzonderheid in de psalmen openbaar komt. Neem Psalm 119. Het is een pleiten op Gods beloften : maak mij levend naar Uw toezegging, ondersteun mij, wees mij genadig naar Uw toezegging, dat mij Uw goedertierenheid overkome, o Heere, Uw heil, naar Uw toezegging. Maar óok : ik ben vrolijk over Uw toezegging.
Zo wordt de begeerte sterker om meer uit Gods beloften te leven en de vrucht daarvan zal zijn een wandel in de vreze Gods. Wanneer Gods Geest de beloften toepast en ze in het geloof — eveneens een gave Gods — worden ontvangen, wat kan er dan een kracht en troost uitgaan van de beloften.
Van de belofte : „Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen".
Van de toezegging : „Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer".
Van de belofte : „Israël, gij zult van Mij niet vergeten worden".
Waar zullen we eigenlijk beginnen, waar eindigen? Spraken onze vaderen niet met recht van dierbare beloften?
Geloof en belofte gaan hand aan hand. Daarbij zal er zijn gebondenheid aan het Woord Gods. Voor geestdrijverij is er dan geen plaats. Maar het is zo waar, wat Calvijn zegt : „het geloof zal door ondervinding in het hart gevoeld moeten worden".
In gebondenheid aan het Woord zullen ook de beloften in het leven des geloofs de juiste plaats ontvangen. Nooit zullen ze de plaats van Christus mogen innemen. Ze wijzen immers juist naar Hem heen. Zoals ook Paulus in dit hoofdstuk bij Hem terecht komt en telkens in zijn brieven wijst op Christus' priesterlijke, profetische en koninklijke bediening.
De beloften mogen nooit tot rustkussen worden. Het gaat om de vervulling daarvan. De beloften zelf zijn het land der ruste liiet. Geen rust, zei Augustinus reeds, tenzij ons hart rust gevonden heeft in God.
Een treffend voorbeeld daarvan geeft Mozes ons. Hij had bij vernieuwing in de woestijn de belofte des Heeren ontvangen dat het volk Israël in Kanaan zou komen en dat een engel voor zijn aangezicht zou heengaan. Hij ontving dus een rijke belofte en bovendien het geleide van een engel. En toch, Mozes aarzelt, want in zijn hart is de begeerte, dat niet slechts de belofte en de engel hem zou vergezellen op de woestijnreis, doch de Heere Zelf. En de Heere buigt Zich in ontferming neder, gelijk een vader zich over een kind nederbuigt, en zo teer komt het uit Gods Mond tot Mozes : „Zou Mijn Aangezicht met u moeten mede gaan om u gerust te stellen? " Dat was het wat Mozes begeerde. En dit is ook de begeerte van allen die de Heere vrezen, die waarlijk uit de beloften Gods leven. Want ook in de beloften is nog de volkomen rust niet. Maar er blijft een rust over voor het volk Gods.
Eens zullen de beloften hun taak verricht hebben. Dan zal het blijken, dat ze allen in Christus Jezus ja en amen zijn. Dan zal ditde zaligheid zijn, dat God alles en in allen is.
Laat ons dan vrezen
Laat ons dan ons benaarstigen
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade
Leven onder de ons nagelaten belofte : een nooit hoog genoeg te waarderen goddelijk voorrecht. Maar hetgeen ons ook stelt voor een ontzaglijk grote verantwoordelijkheid. Want indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen, zo zal er geen slachtoffer meer overblijven voor de zonde.
Moge dit alles ons uitdrijven tot de troon der genade, opdat God om Christus' wil in ons werke of vermenigvuldige het zaligmakend geloof. Dan zal er een leven zijn niet alleen onder de beloften, maar ook uit de beloften, Gode ter verheerlijking.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's